ECLI:NL:RBOBR:2026:3885

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
24/3785
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.8 WnbArt. 3.10 WnbArt. 3.5 WnbArt. 6 EVRMArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing ontheffing Wet natuurbescherming voor fietspadproject in Cartierheide

De gemeente Bladel kreeg een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor het beschadigen en verstoren van beschermde diersoorten, de gladde slang en de levendbarende hagedis, in het kader van een project voor het verleggen en herinrichten van fietspaden in Cartierheide en Boswachterij De Kempen. Eiseressen voerden beroep aan tegen deze ontheffing, stellende dat er een beter alternatief was en dat mortaliteit van de dieren niet was uitgesloten.

De rechtbank oordeelt dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat die het projectdoel bereikt met minder negatieve effecten. Het deskundigenadvies van Royal Haskoning DHV, waarop het college mocht vertrouwen, toont aan dat mortaliteit alleen kan optreden in een specifiek rood omcirkelde zone waar mitigerende maatregelen worden getroffen. Hierdoor wordt de gunstige staat van instandhouding van de soorten niet aangetast.

Verder is het aanvullend voorschrift over het aan te leggen scherm voldoende duidelijk en geborgd. Wel is de redelijke termijn voor de procedure overschreden, waardoor eiseressen een schadevergoeding van €500 worden toegekend, te betalen door de Staat en het college. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de ontheffing blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de verleende ontheffing wordt ongegrond verklaard, de ontheffing blijft in stand, en een schadevergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/3785

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres 1], uit [vestigingsplaats] ,
[eiseres 2] , uit [vestigingsplaats] ,
eiseressen,
(gemachtigde: [naam] ),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant,het college,
(gemachtigden: mr. E.C.S.F. Frenken, mr. L.M.C. Cloodt en [naam] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: gemeente Bladel, vergunninghoudster,

(gemachtigden: mr. J.L. Stoop en [naam] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verleende ontheffing aan de gemeente Bladel voor het overtreden van verboden die in de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn opgenomen ten aanzien van beschermde soorten. De ontheffing is verleend voor het beschadigen of vernielen van de voortplantings- en rustplaatsen en voor het opzettelijk verstoren van individuen van de gladde slang én voor het beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de levendbarende hagedis. De ontheffing is tot en met 1 augustus 2028 verleend en is nodig geacht voor de realisatie van het project “Verleggen van de aanwezige infrastructuur voor fietsers en de herinrichting van het gebied in en rond de Cartierheide en Boswachterij De Kempen te Hapert, gelegen in de gemeente Bladel”. Eiseressen zijn het niet eens met de verleende ontheffing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende ontheffing.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de verleende ontheffing in stand kan blijven. Eiseressen krijgen dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Bij besluit van 3 januari 2024 heeft het college de aanvraag van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bladel voor een ontheffing op grond van de Wnb toegewezen.
4. Met het bestreden besluit van 23 september 2024 op het bezwaar van eiseressen is het college bij de ontheffing gebleven, zij het dat nog een aanvullend voorschrift aan de verleende ontheffing is verbonden.
5.
Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
7. De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: voor eiseressen de gemachtigde, vergezeld door [naam] en drs. [naam] , deskundige, en de gemachtigden van het college en vergunninghoudster.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden.
Als een aanvraag om een vergunning of een ontheffing op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om de Wnb-vergunning is ingediend op 28 september 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Relevante wet- en regelgeving
9. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Vooraf
10. Het project ten behoeve waarvan het bestreden besluit is genomen, ziet op het verleggen van de aanwezige infrastructuur voor fietsers en de herinrichting van het gebied in en rond de Cartierheide van Boswachterij De Kempen te Hapert in de gemeente Bladel. De doelstelling van dit project is tweeledig. Enerzijds wordt beoogd om het gebied hiermee aantrekkelijker te maken voor recreanten, want vanwege te smalle fietspaden ontstaan gevaarlijke situaties, waaronder valpartijen bij fietsers. Anderzijds wil men met name de aanwezige gladde slang en (in mindere mate) de levendbarende hagedis beter beschermen, want daarvan vallen veel aanrijdingsslachtoffers in dit gebied, waardoor de staat van instandhouding van de populaties mogelijk in het gedrang komt. Dit gebeurt vooral op locaties waar het leefgebied van de dieren, te weten open bos, heide en brandgangen, wordt doorkruist door het betonnen fietspad.
Om het aantal slachtoffers onder de gladde slang terug te dringen zal bij de uitvoering van het project het westelijk deel van het aanwezige fietspad worden verwijderd met het oog op de ontsnippering van het leefgebied van de gladde slang en de levendbarende hagedis. Daarnaast wordt het fietspad in het zuidoostelijke gedeelte van het plangebied gedeeltelijk verlegd, waardoor het verder komt af te liggen van het primaire leefgebied van genoemde slang en hagedis. Verder zal het fietspad deels worden verbreed van de huidige 1,5 meter naar 2,5 meter en zal dit komen te bestaan uit halfverharding in plaats van volledige verharding. Hiermee wordt beoogd de snelle sportrecreant, zoals een wielrenner, te ontmoedigen en de oversteek van slangen op de fietspaden te vergemakkelijken.
Op het grondgebied van de gemeente Eersel en Boswachterij De Kempen, in het oostelijk deel van het plangebied, zal het fietspad worden verbreed naar 3,5 meter en komen te bestaan uit beton. Het fietspad zal aan beide zijden een vrije berm krijgen van 1 meter.
In het oostelijk deel van het plangebied zal ook een halfverhard rolstoelpad gerealiseerd worden dat langs een uitkijktoren zal lopen die door een derde partij wordt gerealiseerd. In totaliteit zal de totale lengte van het fietspad in Boswachterij De Kempen afnemen.
Verder komen er ter bescherming van genoemde dieren op diverse locaties schermen en faunapassages.
11. Met het primaire besluit van 3 januari 2024 heeft het college tot en met
1 augustus 2028 een ontheffing verleend op grond van artikel 3.8, eerste lid, en artikel 3.10, tweede lid, van de Wnb voor het beschadigen of vernielen van de voortplantings- en rustplaatsen en voor het opzettelijk verstoren van individuen van de gladde slang [1] en voor het beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de levendbarende hagedis. [2] De ook gevraagde ontheffing voor het opzettelijk doden van de gladde slang en de levendbarende hagedis is afgewezen, omdat deze verbodsbepalingen volgens het college niet worden overtreden.
Bespreking beroepsgronden
Andere bevredigende oplossing
12.
Eiseressen stellen dat een alternatief dat verder van het leefgebied van de gladde slang afligt uit het oogpunt van voorkoming van verstoringen en aanrijdingen is te verkiezen boven het gekozen voorkeursalternatief. In dit verband wijzen zij op een alternatief veel verder naar de oostkant van het bosgebied. Het feit dat een dergelijk alternatief lange tijd de voorkeursvariant was gelet op het advies van Royal Haskoning van 7 februari 2020, toont volgens hen aan dat het een serieus te nemen alternatief is. Volgens eiseressen zijn bij het nemen van het bestreden besluit de factoren die hebben meegewogen bij de alternatievenafweging niet helder in kaart gebracht. Daarbij wijzen zij erop dat in het bestreden besluit wordt vermeld dat bij de keuze voor een alternatief tracé eigendomsposities en de bereidheid tot medewerking een rol hebben gespeeld, maar dat deze aspecten niet eerder als criteria naar voren zijn gebracht in de ‘trade-off matrix fietspaden Cartierheide’ van Royal Haskoning van 10 maart 2021, waarin diverse varianten zijn overwogen.
12.1.
Het college heeft hierover gesteld dat het beoordelingsruimte heeft bij de vraag of er een andere bevredigende oplossing bestaat voor het project. Uit de aanvraag volgt dat alle mogelijke alternatieven in de trade-off matrix zijn gewogen. Daaruit is een voorkeursvariant naar voren gekomen. Bij deze afweging zijn tevens de eigendomsposities van de percelen waarop het tracé wordt gelegd meegenomen en de bereidheid van de eigenaren om het tracé en de mitigerende maatregelen in stand te houden. Dit heeft geresulteerd in de variant waarvoor de aanvraag is ingediend. Er is volgens het college geen sprake van een andere variant waarbij het doel van het project wordt bereikt die minder of geen negatieve effecten met zich zal brengen voor de gladde slang en de levendbarende hagedis. Daarbij heeft het college betrokken dat door het opnemen van het aanvullende voorschrift in het bestreden besluit mortaliteit uitgesloten is, waarmee de alternatievenafweging compleet is.
12.2.
Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [3] volgt dat de vraag of geen andere bevredigende oplossing bestaat, moet worden afgezet tegen het doel van de ingreep. Terecht heeft het college gesteld dat het beleidsruimte heeft bij de beoordeling van de vraag of andere oplossingen wel of niet bevredigend zijn.
12.3.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting volgt dat de aanvankelijke voorkeursvariant die meer oostelijk is gelegen dan het gekozen traject, zou leiden tot een grote omweg voor scholieren en woon/werkverkeer, wat tot veel weerstand zou leiden. Ook zou een meer oostelijke ligging hebben geleid tot extra bomenkap en de recreatieve waarde van het fietspad hebben doen afnemen. Andere redenen om niet voor de aanvankelijke voorkeursvariant te kiezen, waren de wens van de betrokken gemeenten om het fietspad langs de geplande uitkijktoren te laten lopen en het feit dat de gemeente Eersel en Staatsbosbeheer, elk eigenaar van bepaalde gronden waarop het oorspronkelijke voorkeurstracé zou worden aangelegd, niet wilden meewerken aan de realisatie van een fietspad en/of het instandhouden van de mitigerende maatregelen. Dit werd volgens het college echter pas bekend nadat het primaire besluit was genomen.
Daarmee heeft het college naar het oordeel van de rechtbank zijn standpunt, dat er geen andere bevredigende oplossing is waarmee de nagestreefde doelstelling op een bevredigende manier kan worden bereikt en die minder of geen negatieve effecten met zich zal brengen voor de gladde slang en de levendbarende hagedis, voldoende gemotiveerd.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mortaliteit en gunstige staat van instandhouding
13. Eiseressen hebben zich op het standpunt gesteld dat mortaliteit niet is uitgesloten, omdat het verleggen en verbreden van de fietspaden zal leiden tot verkeersdoden onder de gladde slang en de levendbarende hagedis. Weliswaar dienen mitigerende maatregelen, te weten schermen van minimaal 60 cm hoogte en faunapassages, langs het fietspad in het zuidoostelijk deel te worden getroffen, maar eiseressen stellen dat niet alleen in dat gebied sprake is van doorkruising van leefgebieden of van migratiezones van deze beschermde soorten. Daarbij wijzen zij op leefgebieden in het noordelijk, westelijk en zuidelijk deel van het plangebied. Hoewel de keuze voor halfverharding van de fietspaden die 2,5 meter breed zullen worden de verblijfstijd op de paden doet afnemen, zullen deze dieren vanwege de verbreding met 1 meter ten opzichte van de oude situatie langer verblijven op het pad bij het oversteken. Dit vergroot het risico op overlijden, temeer nu in deze gebieden geen mitigerende maatregelen (meer) behoeven te worden getroffen ten gevolge van het bestreden besluit.
Nu het college volgens eiseressen niet had mogen uitgaan van een mortaliteit 0, had op grond van artikel 3.8, vijfde lid, onder c, van de Wnb in het bestreden besluit moeten worden beoordeeld wat het effect van het nieuwe tracé is op de instandhoudingsdoeleinden van de gladde slang en de levendbarende hagedis. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Daarbij wijzen eiseressen erop dat de algehele verbreding van het fietspadennetwerk intensiever fietsverkeer met zich zal brengen, wat naar verwachting zal leiden tot een toename van slachtoffers onder de gladde slang en de levendbarende hagedis.
13.1.
Het college heeft hierover gesteld dat in de bestaande situatie sprake is van een fors aantal aanrijdingsslachtoffers van de gladde slang. Met het project worden maatregelen getroffen om aanrijdingsslachtoffers te voorkomen. Dit betekent dat het resultaat van het project is dat er voldoende maatregelen worden genomen om het doden van de gladde slang te voorkomen. Aldus heeft het project per definitie een positief effect op de staat van instandhouding.
Met betrekking tot de mortaliteit heeft het college gesteld dat op basis van de aanwezige leefgebieden van de gladde slang en de levendbarende hagedis mortaliteit ten gevolge van fietsbewegingen en ander verkeer alleen nog kan optreden in de zone die is gelegen in het rood omcirkelde gebied, omdat enkel op die locatie sprake is van doorkruising van leefgebieden of van migratiezones van het ene leefgebied naar het andere leefgebied. Om die reden is alsnog een voorschrift aan de vergunning verbonden dat voorziet in het aanleggen en instandhouden van een scherm aan beide zijden van het tracé van het fietspad voor zover dat is gelegen binnen het rood omcirkelde gebied, zoals opgenomen in het bestreden besluit. Tezamen met de voorgeschreven maatregelen met betrekking tot de schermen en faunapassages in het primaire besluit is mortaliteit uitgesloten, aldus het college. Hierom is ook de staat van instandhouding geborgd.
13.2.
De rechtbank is van oordeel dat uit het bestreden besluit, hoewel niet expliciet verwoord, genoegzaam volgt dat de maatregelen die in bijlage 2 van het primaire besluit zijn vermeld voor de oranje gearceerde locaties nog steeds moeten worden getroffen, anders dan eiseressen stellen. In het dictum van het bestreden besluit is immers alleen een aanvullend voorschrift aan de ontheffing verbonden en is het primaire besluit voor het overige in stand gelaten.
13.3.
Ten aanzien van de mortaliteit overweegt de rechtbank verder het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat het bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting volgt uit artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. [4]
13.4.
Het college heeft het advies van Royal Haskoning DHV van 30 juni 2023 aan zijn besluit ten grondslag gelegd. Hierbij zijn verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF 2020 en 2022) opgevraagd voor het onderzoeksgebied en enkele kilometers daarbuiten, zijn telgegevens van RAVON betrokken en is veldonderzoek verricht. Gelet op dit advies heeft het college naar het oordeel van de rechtbank ervan kunnen uitgaan dat mortaliteit ten gevolge van fietsbewegingen en ander verkeer alleen kan optreden in de zone die is gelegen in het rood omcirkelde gebied op afbeelding 1 in het bestreden besluit. Wat het plangebied betreft, is volgens genoemd deskundigenadvies namelijk alleen hier sprake van doorkruising van leefgebieden van de gladde slang en de levendbarende hagedis of van migratiezones van het ene leefgebied naar het andere leefgebied. Dat deze soorten ook elders in het plangebied aanwezig zijn, zoals eiseressen hebben aangegeven, geeft onvoldoende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de conclusie in het deskundigenadvies, omdat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat ook elders in het plangebied sprake is van een (kern)leefgebied zoals bedoeld in dit advies.
Gelet op de in het rood gearceerde gebied te treffen maatregelen en de maatregelen die op grond van het primaire besluit moeten worden getroffen voor locaties waar het fietspad leefgebied van de gladde slang of levendbarende hagedis doorkruist, is de rechtbank van oordeel dat het college op goede gronden ervan heeft kunnen uitgaan dat de mortaliteit nul is en dat met de verleende ontheffing geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de gladde slang of levendbarende hagedis. Weliswaar kan niet worden uitgesloten dat er nog steeds aanvaringsslachtoffers onder deze soorten kunnen voorkomen vanwege het gebruik van het fietspad, maar gezien de te treffen maatregelen, de voorgeschreven monitoring van deze maatregelen en de voorgeschreven bijstelling van die maatregelen indien nodig, is geen sprake van voorwaardelijk opzet gericht op de dood van deze soorten. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Aanvullend voorschrift
14. Eiseressen stellen zich ten slotte op het standpunt dat de mitigerende maatregel die in het bestreden besluit als aanvullend voorschrift is opgenomen onvoldoende is geborgd, omdat afbeelding 1 niet in dit besluit is opgenomen. Hierdoor is onduidelijk op welke locatie het scherm dat in dit voorschrift wordt genoemd moet worden geplaatst. Ook volgt uit dit voorschrift niet duidelijk welke hoogte het scherm dient te hebben, nu in het Activiteitenplan een hoogte van 30 centimeter wordt genoemd en in het bestreden besluit een hoogte van minimaal 60 centimeter.
14.1.
In het bestreden besluit van 23 september 2024 heeft het college het volgende aanvullende voorschrift opgenomen:
“Aan beide zijden van het tracé van het fietspad, voor zover dat gelegen is binnen het rood omcirkelde gebied zoals verbeeld op afbeelding 1 van dit besluit, dient een scherm te worden aangelegd en in stand gehouden te worden dat voldoet aan de kwalificaties die zijn opgenomen in het Activiteitenplan én de beschrijving op pagina 15 van het bestreden besluit.”
14.2.
De rechtbank stelt vast dat de stelling van eiseressen dat in het bestreden besluit afbeelding 1 niet is opgenomen feitelijk onjuist is. [5] Verder is de rechtbank van oordeel dat uit het aanvullend voorschrift gelezen in samenhang met het primaire besluit genoegzaam volgt dat het aan te leggen scherm aan beide zijden van het tracé van het fietspad minimaal 60 centimeter hoog dient te zijn. Het aanvullend voorschrift vergt immers dat het scherm zowel dient te voldoen aan de kwalificaties in het Activiteitenplan als aan de beschrijving op pagina 15 van het bestreden (lees: primaire) besluit. Bij een kleiner scherm dan 60 centimeter hoog wordt hieraan niet voldaan. Afgezien daarvan volgt uit pagina 25 van het Activiteitenplan ook duidelijk dat voor de gladde slang een scherm met een minimale hoogte van 60 centimeter is vereist.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
15. De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), is overschreden, indien de duur van de totale procedure te lang is. [6] In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. Voor de berechting van een zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechter in eerste aanleg niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. In deze termijn is de duur van een eventuele bezwaarschriftprocedure inbegrepen, te weten in beginsel maximaal zes maanden.
15.1.
De rechtbank is in beginsel niet gehouden te toetsen of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden wanneer in beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. [7] Dat is slechts anders indien ten tijde van het sluiten van het onderzoek geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn en deze, uitgaande van de in artikel 8:66 van Pro de Algemene wet bestuursrecht neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien was. In een dergelijk geval is er voor een eiser immers geen reden daarover te klagen. De rechtbank moet in dat geval de redelijke termijn wel ambtshalve toetsen als de uitspraak in een dergelijk geval gedaan wordt met overschrijding van die termijnen.
15.2.
In dit geval was de redelijke termijn ten tijde van het sluiten van het onderzoek nog niet overschreden en was ook niet te voorzien dat die zou worden overschreden.
Gerekend vanaf het indienen van het bezwaarschrift op 15 februari 2024 heeft de procedure in totaal twee jaar en vier maanden geduurd. Dat betekent dat de redelijke termijn van twee jaar is overschreden en eiseressen recht hebben op een vergoeding van (immateriële) schade, omdat zij te lang hebben moeten wachten op een uitspraak en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor een verlenging van de termijn.
Naar het oordeel van de rechtbank dient de overschrijding van de redelijke termijn te worden toegerekend aan zowel het college als aan de rechtbank. Daarbij overweegt de rechtbank dat het bestreden besluit is genomen zeven maanden na het indienen van het bezwaar en dat de beroepsfase twintig maanden heeft geduurd.
15.3.
Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiseressen toe te kennen bedrag € 500,00. De rechtbank zal de Staat der Nederlanden (de Staat) veroordelen tot betaling van een vergoeding aan eiseressen van een bedrag van € 375,00 en het college veroordelen tot betaling van een vergoeding aan eiseressen tot een bedrag van € 125,00.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond, omdat niet is gebleken van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb. Dat betekent dat de gemeente gebruik mag maken van de verleende ontheffing. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten. Wel kent de rechtbank eiseressen een schadevergoeding toe wegens het overschrijden van de redelijke termijn van € 500,00. Deze moet deels door de Staat en deels door het college aan eiseressen worden betaald.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) een schadevergoeding aan eiseressen is verschuldigd van € 375,00 wegens overschrijding van de redelijke termijn;
- veroordeelt het college tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan eiseressen tot een bedrag van € 125,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, voorzitter, mr. M. Kleijn Hesselink en
mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van mr.J.F.M. Emons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
de voorzitter is verhinderd te tekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE

Wet natuurbescherming (oud)

Artikel 1.1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- gunstige staat van instandhouding van een soort: staat van instandhouding van een soort waarvoor geldt dat:
a. uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en
b. het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en
c. er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden;
- Habitatrichtlijn: richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992 L 206);
(…).
Artikel 3.5
1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van Pro de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
5. (..).
Artikel 3.8
1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten.
3. (..).
4. (..).
5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:
a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b. zij is nodig:
1°.in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
2°. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
3°. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
4°. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of
5°. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
6. De verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6 zijn niet van toepassing op handelingen ten aanzien waarvan bij of krachtens enige wettelijke bepaling een besluit is vereist, indien bij of krachtens die wet is bepaald dat het desbetreffende besluit de handelingen uitsluitend toelaat indien is voldaan aan de voorwaarden, bedoeld in het vijfde lid.
7. De verboden, bedoeld in de artikelen 3.5 en 3.6, tweede lid, zijn niet van toepassing op:
a. + b. (..).
Artikel 3.10
1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden:
a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen;
b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
c. (..).
2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen:
a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde;
b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;
c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;
h. in het algemeen belang, of
i. bestendig gebruik.
3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Voetnoten

1.Zie artikel 3.5, tweede en vierde lid, van de Wnb.
2.Zie artikel 3.10, eerste lid, onder b, van de Wnb.
3.Zie onder meer de uitspraak van 6 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1006.
4.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3413.
5.Zie pagina 4 van het bestreden besluit.
6.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
7.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4188.