Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3852

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
SHE 25/2953
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxatiesECLI:NL:GHDHA:2025:1226ECLI:NL:RBDHA:2025:5995ECLI:NL:RBZWB:2025:3921ECLI:NL:RBZWB:2025:6686
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling proceskostenvergoeding taxatierapport WOZ-waarde

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding voor een taxatierapport dat door zijn taxateur was opgesteld in het kader van de WOZ-waarde van zijn onroerende zaak. De heffingsambtenaar had een vergoeding van €10,69 toegekend, gebaseerd op een tijdsinvestering van 10 minuten. Belanghebbende stelde dat de taxateur twee uur aan het rapport had gewerkt en dat de vergoeding daarom hoger moest zijn.

De rechtbank overwoog dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de taxateur daadwerkelijk twee uur had besteed aan het rapport. De heffingsambtenaar had gemotiveerd toegelicht dat het rapport grotendeels geautomatiseerd tot stand kwam en dat tienduizenden soortgelijke rapporten in korte tijd werden vervaardigd, wat wijst op een geringe tijdsinvestering. Belanghebbende had dit niet weersproken.

De rechtbank concludeerde dat de door de heffingsambtenaar gehanteerde tijdsinvestering van tien minuten redelijk was en dat de vergoeding van €10,69 passend was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en belanghebbende kreeg geen hogere proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding voor het taxatierapport wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van €10,69 wordt gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2953

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [Plaatsnaam] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Land van Cuijk, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de hoogte van de door de heffingsambtenaar toegekende vergoeding voor de proceskosten die belanghebbende in de bezwaarfase heeft gemaakt.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 25 februari 2025 de waarde van de onroerende zaak van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld. Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 18 september 2025 het bezwaar gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak verlaagd en een proceskostenvergoeding toegekend.
1.3.
Het nieuwe WOZ bureau B.V. (HNWB) heeft namens belanghebbende beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.4.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.

Feiten

2. HNWB heeft in de bezwaarfase namens belanghebbende een taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters ingediend (hierna: het rapport). Dit rapport is opgesteld onder verantwoordelijkheid van en ondertekend door de heer [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

3. Belanghebbende is het niet eens met de door de heffingsambtenaar toegekende vergoeding van € 10,69 voor het in overweging 2. genoemde taxatierapport. De WOZ-waarde van de onroerende zaak en andere onderdelen van de in bezwaar toegekende proceskostenvergoeding zijn in beroep niet (meer) in geschil.
4. De heffingsambtenaar heeft de hoogte van de proceskostenvergoeding voor het taxatierapport in de uitspraak op bezwaar als volgt gemotiveerd: “
Een bedrag voor het taxatierapport van € 10,69 (niet-inpandige opname woning: € 53,00 x 1/6 uur + 21% btw). Voor de grondslag van deze berekening verwijs ik u naar de jurisprudentie onder kenmerk ECLI:NL:GHDHA:2025:1226.
5. Belanghebbende is het niet eens met de door de heffingsambtenaar gehanteerde tijdsinvestering van (1/6e uur dus) 10 minuten. Belanghebbende is het verder wel eens met de andere uitgangspunten van de heffingsambtenaar, dus dat sprake is van een niet-inpandige opname van een woning, een uurtarief van € 53,00 en dat de totale vergoeding moet worden vermeerderd met 21% btw. Belanghebbende vindt (dus) dat de hoogte van de vergoeding € 128,26 zou moeten zijn.
5.1.
De tijdsinvestering bedraagt volgens belanghebbende 2 uur. Belanghebbende vindt dat voor die tijdsinvestering aansluiting moet worden gezocht bij de (inmiddels ingetrokken) Richtlijn van de gerechtshoven. [1] Belanghebbende erkent dat sprake is van een richtlijn en dat afwijking in algemene zin mogelijk is. Maar belanghebbende vindt die afwijking in deze concrete zaak niet gerechtvaardigd.
5.2.
Belanghebbende wijst erop dat zijn taxatierapport meer omvat dan alleen een korte controle of geautomatiseerde berekeningen. Het taxatierapport geeft een gedegen en volledig beeld van de voorgestelde waarde, onder andere door een analyse van de referentietransacties, KOUDV(L)-correcties, foto’s en een integrale waardering. Belanghebbende zegt dat bij de totstandkoming van dit taxatierapport daadwerkelijk tijd is besteed aan het selecteren, analyseren en corrigeren van de referenties en het verwerken van de door belanghebbende aan zijn taxateur verstrekte gegevens. Daarnaast is het rapport zorgvuldig uitgewerkt in een controleerbare taxatiematrix, voorzien van brongegevens en foto’s. Belanghebbende ziet zijn standpunt bevestigd in diverse rechterlijke uitspraken. [2] Bij het taxatierapport is een factuur gevoegd met een tijdsbesteding van 2 uur.
6. De heffingsambtenaar blijft bij zijn standpunt dat sprake is van een tijdsinvestering van tien minuten.
6.1.
Bestudering van het taxatierapport maakt volgens de heffingsambtenaar duidelijk dat de totstandkoming van het taxatierapport grotendeels geautomatiseerd gebeurt op basis van gegevens uit openbare bronnen. Het taxatierapport bestaat gedeeltelijk uit repeterende gegevens die standaard in elk taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters zijn opgenomen. Van de 12 tot 14 pagina’s waaruit een taxatierapport van Woning Waarderingsmeesters standaard bestaat, brengen pagina 2 (verantwoording en taxatiemethodiek), pagina 3 (taxatiewerkwijze) en de slotpagina met de factuur, vrijwel geen tijd met zich mee. Verder bevat het taxatierapport zes pagina’s met brongegevens van de referentieobjecten die afkomstig zijn uit openbare bronnen waarvan de verwerking een zeer geringe tijdsbesteding met zich meebrengt. De overige pagina’s van het rapport komen veelal geautomatiseerd tot stand. De heffingsambtenaar wijst er verder op dat het ingebrachte taxatierapport wel een bijgebouwwaarde vermeldt, maar niet aanduidt om welke bijgebouwen het gaat. Dit is een standaard werkwijze en in elk taxatierapport Woning Waarderingsmeesters het geval. Ook dit rechtvaardigt de conclusie dat de gegevens afkomstig zijn uit openbare bronnen en daardoor op zeer snelle wijze kunnen worden gegenereerd. Verder blijkt in nagenoeg alle rapporten dat de woonoppervlakte, tevens de oppervlakte van de bijgebouwen bevat en er niet een uitsplitsing wordt gemaakt in de oppervlakte van de woning en de oppervlakte van de bijgebouwen. Dat is in dit geval niet anders. Ook dit draagt bij aan de conclusie dat sprake is van een geringe tijdsbesteding.
6.2.
Dat de tijdsbesteding van een taxatierapport zeer gering is, blijkt volgens de heffingsambtenaar ook uit de grote aantallen taxatierapporten die door Woning Waarderingsmeesters jaarlijks – en in met name de eerste helft van 2025 – in het gehele land zijn ingediend. Volgens de beschikbare gegevens, onder andere uit jurisprudentie, gaat het om tienduizenden taxatierapporten. Dit zijn volgens de heffingsambtenaar aantallen die alleen met een zeer geringe tijdsbesteding kunnen worden gegenereerd. Alleen een grotendeels geautomatiseerde totstandkoming met veelal gegevens uit openbare bronnen maken dit mogelijk.
7. De rechtbank overweegt als volgt.
7.1.
Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat 2 uur aan het taxatierapport is gewerkt door de taxateur. Wat belanghebbende aanvoert over de manier waarop het taxatierapport wordt vervaardigd, past in essentie in het betoog van de heffingsambtenaar. Maar belanghebbende maakt niet inzichtelijk waarom dat tot een tijdsbesteding van 2 uur leidt, terwijl de heffingsambtenaar gemotiveerd uiteenzet waarom van een beduidend mindere tijdsinvestering sprake is. Daar komt bij dat belanghebbende niet weerspreekt dat door Woning Waardemeester jaarlijks – en in met name de eerste helft van 2025 – in het gehele land tienduizenden taxatierapporten zijn ingediend. De rechtbank kan de heffingsambtenaar volgen dat dergelijke aantallen alleen met een grotendeels geautomatiseerde totstandkoming met veelal gegevens uit openbare bronnen kunnen worden gerealiseerd.
7.2.
De heffingsambtenaar heeft verder voldoende toegelicht waarom in dit geval een tijdsinvestering van tien minuten redelijk is. Het aldus door de heffingsambtenaar berekende totaalbedrag van de vergoeding – waarvan de overige uitgangspunten tussen partijen niet in geschil zijn – acht de rechtbank dan ook redelijk. [3]
7.3.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dan ook dat de door de heffingsambtenaar toegekende proceskostenvergoeding van € 10,69 voor het namens belanghebbende ingediende taxatierapport redelijk is.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Belanghebbende krijgt daarom geen proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C.W. Emmen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Stcrt. 2018, 28796.
2.Rechtbank Den Haag 1 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5995, rechtbank Zeeland – West-Brabant 23 juni 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:3921, en rechtbank Zeeland – West-Brabant 6 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6686 en ECLI:NL:RBZWB:2025:6688.
3.Hoge Raad 13 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:661, overweging 4.1.2.