Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3759

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
2 juni 2026
Zaaknummer
SHE 25/3814
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na gedeeltelijke tegemoetkoming minister studiefinanciering

Verzoeker had beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap dat zijn aanvraag studiefinanciering afwees. De minister kwam hem gedeeltelijk tegemoet door studiefinanciering toe te kennen over een langere periode dan aanvankelijk toegekend.

Verzoeker trok daarop zijn beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding. De rechtbank beoordeelde of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker was tegemoetgekomen en of er proceskosten waren gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Hoewel de minister aan verzoeker tegemoetkwam, oordeelde de rechtbank dat verzoeker het beroep zelf had ingediend en dat zijn gemachtigde pas na het tegemoetkomende besluit was betrokken. Bovendien waren de aanvullende gronden die de gemachtigde indiende na de tegemoetkoming onnodig, zodat er geen redelijke proceskosten waren gemaakt.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding daarom af, maar wees erop dat de minister wel verplicht is het betaalde griffierecht van €53 te vergoeden. Verzoeker werd geadviseerd zich hiervoor tot de minister te wenden.

De uitspraak werd gedaan door rechter G. de Jong op 2 juni 2026 en is zonder zitting uitgesproken.

Uitkomst: Verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen, maar griffierecht van €53 wordt vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3814

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen

[naam], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. N.C.A. Elias-Boots),
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het besluit van de minister van 18 november 2025. Hij heeft het beroep ingetrokken, omdat de minister met het besluit van 16 maart 2026 aan verzoeker studiefinanciering heeft toegekend over de periode februari 2025 tot en met augustus 2026, omdat verzoeker over die periode als partner van een migrerend werknemer kan worden aangemerkt.
1.1.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank in een brief van 16 april 2026 verzocht om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen. Verzoeker heeft hierop gereageerd met een e-mailbericht van 4 mei 2026.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Met het besluit van 23 mei 2025 heeft de minister de aanvraag van verzoeker om een basisbeurs en een aanvullende beurs over de periode februari 2025 tot en met december 2025 afgewezen. Met het besluit van 18 november 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Op 31 december 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van 18 november 2025.
4.2.
De minister heeft met het besluit van 16 maart 2026 aan verzoeker een basisbeurs en een aanvullende beurs over de periode februari 2025 tot en met augustus 2026 toegekend.
4.3.
De minister heeft de rechtbank verzocht om het verzoek om proceskostenvergoeding af te wijzen. Daartoe heeft de minister gesteld dat verzoeker de bewijsstukken waarmee hij heeft aangetoond dat hij een duurzame relatie heeft, pas in beroep heeft overgelegd. De rechtbank volgt de minister niet in zijn standpunt. Verzoeker heeft zo goed als alle door hem overgelegde bewijsstukken vóór het besluit op bezwaar van 18 november 2025 ingebracht en ook toegelicht waarom hij niet over andere bewijsstukken beschikte. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb.
Moet de minister de proceskosten van verzoeker vergoeden?
5. De minister is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift is niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, maar door verzoeker zelf. De advocaat van verzoeker heeft zich pas op 4 februari 2026 gesteld als zijn gemachtigde. Ook verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Op het moment dat de gemachtigde van verzoeker op 1 april 2026 aanvullende gronden indiende, was al sprake van een volledige tegemoetkoming en bestond daarvoor geen noodzaak. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat er sprake was van kosten die (de gemachtigde van) verzoeker redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat de minister verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 53,- te vergoeden. [3] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot de minister wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.C. Meulemans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.