Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.[eiseres 1] ,
2.
[eiseres 2] B.V.,
1.[gedaagde 1] B.V.,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
3.
[gedaagde 3] B.V.,
4.
[gedaagde 4],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met 22 bijlagen
2.De feiten
“Met een gezuiverde winst en verlies rekening zou de winst in 2022 kunnen uitkomen op € 150.000,- Als we hierop de EBITDA met factor 2,5 loslaten dan zou een verkoopwaarde van € 375.000,- bespreekbaar zijn.”(bijlage 5 van [eiseressen] )
“Deze Overeenkomst tezamen met de Koopovereenkomst vormen de gehele overeenkomst tussen Partijen met betrekking tot de aangelegenheden zoals opgenomen in deze overeenkomst en de Koopovereenkomst.”
: “Ik wil niet meer met jou verder werken, na wat je hebt verkocht en
3.Het geschil
4.De beoordeling
“voordat de tijd waarvoor zij is verleend”was verstreken. De overeenkomst voorzag in een op maandbasis te bepalen loon. Dat loon was afhankelijk van de door [eiseres 2] te realiseren omzet. De verschuldigdheid van loon was daardoor afhankelijk
“van de volbrenging”van de opdracht. [eiseres 2] had dus recht op een
“naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon”. [eiseres 2] heeft in haar stukken ook gesproken over een recht op schadevergoeding, maar dat is dus niet aan de orde. Het gaat om een redelijk loon.
“het volle loon”moet worden betaald indien het einde van de overeenkomst aan [gedaagde 1] is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. De rechtbank zal hierna onderzoeken of enig bedrag verschuldigd is, hetzij het volle loon hetzij een redelijk loon.
13 november 2023 van [C] aan [gedaagde 4] overgelegd, waarin zij schrijft dat zij het gezien de situatie in het bedrijf een te groot risico vindt om daar te gaan werken (bijlage 6 van [gedaagden] ). Volgens [gedaagde 1] moet zij wel negatieve informatie over het bedrijf van [eiseres 1] hebben gehad. De rechtbank volgt [gedaagde 1] hierin niet. Uit de
e-mails van [D] blijkt dat de samenwerking tussen [eiseres 1] en [gedaagde 4] niet goed liep, maar het is onvoldoende concreet geworden dat dit alleen toerekenbaar is aan [eiseres 1] .
“Het gaat in een geval als het onderhavige om benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW Pro, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt (vgl. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295).
“Je geeft aan dat de marge voor belastingen 64% is. Is dit pas het eerste jaar dat deze marge zo hoog is? Zo ja, waardoor komt dit? Ik zag namelijk in de gecomprimeerde jaarcijfers dat er de laatste jaren niet extreem hoge winsten zijn geboekt. In 2020 is er volgens jouw voorstel 925.000 omzet gedraaid maar 'slechts‘ een bedrijfswinst van 72.798 dat is een nettorendement van 7,87%.”Uit niets blijkt dat een garantie is gegeven op een winst van € 150.000,-. Tegen de stelling van [gedaagde 2] dat [eiseres 1] niet heeft gezegd dat er een financiering zat op de bestelbus en de kantoorunit heeft [eiseres 1] ingebracht dat de bestelbus en de kantoorunit geen deel uitmaakten van de koopovereenkomst. Van [gedaagde 2] had verwacht mogen worden dat zij haar stelling vervolgens nader zou onderbouwen, maar dat heeft zij niet gedaan en zij is ook niet nader ingegaan op het verweer van [eiseres 1] . Het verwijt dat geen informatie is gegeven door [eiseres 1] over de financiering van de bestelbus en de kantoorunit oordeelt de rechtbank daarom onvoldoende onderbouwd.
‘voor een of meer van de relaties, klanten en/of prospects (partijen die offertes of aanbiedingen van de Vennootschap hebben ontvangen) van de Vennootschap’heeft [gedaagde 2] onvoldoende concreet gesteld en onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres 1] ook geen overtredingen begaan zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro de koopovereenkomst.
5.De beslissing
woensdag 24 juni 2026voor het nemen van een akte: