ECLI:NL:RBOBR:2026:365

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
01.228933.24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte voor seksuele handelingen met minderjarigen en getuige zijn van schadelijke handelingen

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 23 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het verrichten van seksuele handelingen met een negenjarig meisje en het laten getuigen van een zevenjarig meisje van deze handelingen. De verdachte werd op de plaats delict aangetroffen en herkend op basis van een signalement. De rechtbank heeft de ontkennende verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde geschoven, gezien de inconsistenties in zijn verklaringen en het feit dat hij niet kon uitleggen wat hij op de plaats delict deed. Ondanks het ontbreken van DNA-bewijs, oordeelde de rechtbank dat het voorhanden bewijs voldoende was om de verdachte schuldig te verklaren. De rechtbank legde een gevangenisstraf van vijftien maanden op, waarbij ook immateriële schadevergoeding aan de slachtoffers werd toegewezen. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten en de impact op de slachtoffers, en oordeelde dat de verdachte geen verantwoordelijkheid nam voor zijn daden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01.228933.24]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.228933.24
Datum uitspraak: 23 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] , [geboorteland] , op [1961] ,
wonende te [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak (gemachtigd raadsman) gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 december 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
t.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [2014] ) een of meer seksuele handelingen heeft verricht, immers heeft hij, verdachte, meermalen, in elk geval eenmaal,
- zijn, verdachtes, hand in de (onderbroek)broek van die [slachtoffer 1] gedaan/gebracht en/of met
zijn, verdachtes, vinger(s) de vagina en/of schaamstreek, van die [slachtoffer 1] aangeraakt/betast
en/of
- zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer 1] laten zien en/of
- die [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, penis laten vasthouden en/of op en neergaande bewegingen

laten maken;

t.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 7 juli 2024 te Eindhoven, in elk geval in Nederland,
een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [2016] ) getuige heeft doen zijn van een handeling met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door die [slachtoffer 2] te laten zien hoe hij, verdachte, met zijn hand/vingers, de vagina en/of schaamstreek van de minderjarige [slachtoffer 1] heeft betast en/of aangeraakt en/of die [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, penis heeft laten vasthouden en/of betasten en/of getoond.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Beoordeling van het bewijs.

Inleiding.
Verdachte wordt verweten dat hij met een negenjarig meisje seksuele handelingen heeft verricht en een zevenjarig meisje daarvan getuige heeft doen zijn op een wijze die voor haar schadelijk te achten was. Verdachte is een week later op de plaats delict aangetroffen, herkend op basis van een signalement en vervolgens aangehouden.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht beide ten laste gelegde feiten bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
Verdachte ontkent betrokken te zijn bij de ten laste gelegde gedragingen. De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. De raadsman wijst erop dat er geen technisch bewijs is dat belastend is voor verdachte. Ondanks uitgebreid onderzoek is er geen DNA van verdachte aangetroffen op plekken waar dat voor de hand zou liggen. De verklaringen van de beide jonge meisjes zijn onvoldoende om een veroordeling op te baseren.
Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van dit vonnis heeft de rechtbank de bewijsmiddelen opgenomen in een aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage.

Bewijsoverwegingen.

Betrouwbaarheid van de verklaringen.
De verklaringen van de slachtoffers zijn gedetailleerd en komen op wezenlijke onderdelen met elkaar overeen. De verklaringen zijn gezien hetgeen hun respectievelijke moeder en vader verklaren over hetgeen zij aan hen hebben verteld, ook consistent. Ze bevatten bovendien details, waarvan de rechtbank het niet aannemelijk acht dat een negen- of zevenjarige die spontaan bedenkt. De rechtbank merkt de verklaringen van de slachtoffers daarom aan als betrouwbaar.
Beoordeling van de ten laste gelegde feiten.
Op grond van de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.
Zij overweegt in dat verband als volgt.
De verklaringen van de slachtoffers over de feitelijke gang van zaken zijn, zoals hiervoor overwogen, geloofwaardig en deze worden in voldoende mate ondersteund door overige bewijsmiddelen. Zo heeft de politie bijvoorbeeld één dag na het feit waargenomen, dat het gras op de door de slachtoffers beschreven plek in de bosjes platgetrapt was. De rechtbank acht dan ook bewezen dat de ten laste gelegde feiten hebben plaatsgevonden.
De rechtbank merkt verdachte als de dader van die feiten aan. Precies een week na de ten laste gelegde gebeurtenissen is verdachte door een verbalisant aangetroffen op dezelfde locatie.
De slachtoffers hebben afzonderlijk van elkaar een grotendeels gelijkluidend signalement gegeven van de dader, zijn kleding en zijn fiets. Verdachte voldeed op dat moment aan dat opgegeven signalement. Verdachte heeft opvallende ingetrokken lippen. Ook de door de slachtoffers beschreven huidskleur, leeftijd en het feit dat hij Engels sprak, wijzen naar verdachte. Verdachte droeg nagenoeg dezelfde kleding als de slachtoffers hadden beschreven. Bij verdachte thuis is een bodywarmer gevonden die past bij die beschrijving door de slachtoffers. Verdachte had een donkerkleurige fiets bij zich met een telefoon op het gekrulde vlinderstuur, zoals door de slachtoffers aangegeven. In het mandje van de fiets bewaarde verdachte contant geld, zoals één van de slachtoffers had beschreven.
Bij het uitlezen van de telefoongegevens van de telefoon van verdachte is gebleken dat deze zich op de pleegdatum rondom de pleegtijd op de plaats delict bevond. Op camerabeelden rondom de plaats delict is bovendien een persoon te zien, die voldoet aan het signalement van de dader. Verdachte past, zoals hiervoor is overwogen, in dat signalement. De rechtbank stelt dan ook vast dat het verdachte is die op de beelden te zien is.
Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Ontbreken van DNA-bewijs.
Aan de overtuiging van de rechtbank dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, doet niet af dat er geen DNA van verdachte is aangetroffen op de haarband, waarmee [slachtoffer 1] de penis van verdachte heeft aangeraakt, noch op de onderbroek en broek van [slachtoffer 1] waar verdachte met zijn hand in is geweest. Het gebrek aan DNA-bewijs is in de gegeven omstandigheden en in het licht van het voorhanden bewijs, geen overtuigende indicatie dat het tenlastegelegde niet heeft plaatsgevonden. De rechtbank kan immers niet vaststellen, dat bij het uitvoeren van de ten laste gelegde handelingen zonder meer DNA van de dader aangetroffen had moeten worden en dat het ontbreken daarvan maakt dat het aanwezige bewijs tegen verdachte daardoor in een ander licht komt te staan.
De verklaring van verdachte.
Tegenover de verklaringen van de slachtoffers en het overige bewijs staat de ontkennende verklaring van verdachte. De rechtbank schuift deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde en overweegt daartoe dat verdachte zeer wisselend heeft verklaard over zijn bezigheden op de datum van het delict en het daarbij gevolgde tijdpad, evenals over zijn aanwezigheid op de plaats delict. Uiteindelijk heeft verdachte wel min of meer erkend dat hij op de bewuste dag op of rond de plaats delict is geweest, maar verder heeft hij het bij een ongemotiveerde ontkenning gelaten. Hij heeft niet duidelijk kunnen verklaren wat hij daar dan wel deed anders dan hetgeen ten laste is gelegd en of en zo ja op welke manier er contact is geweest tussen hem en de slachtoffers.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
t.a.v. feit 1:
op 7 juli 2024 te Eindhoven met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [2014] ), seksuele handelingen heeft verricht, immers heeft hij, verdachte,
- zijn, verdachtes, hand in de onderbroek en broek van die [slachtoffer 1] gebracht en met zijn,

verdachtes, vingers de vagina en schaamstreek van die [slachtoffer 1] betast en

- zijn, verdachtes, penis aan die [slachtoffer 1] laten zien en
- die [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, penis laten vasthouden en op en neergaande bewegingen laten

maken;

t.a.v. feit 2:
op 7 juli 2024 te Eindhoven een kind beneden de leeftijd van zestien jaren, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [2016] ), getuige heeft doen zijn van een handeling met een onmiskenbaar seksuele strekking op een wijze die schadelijk te achten was voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren, door die [slachtoffer 2] te laten zien hoe hij, verdachte, met zijn vingers, de vagina en schaamstreek van de minderjarige [slachtoffer 1] heeft betast en die [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, penis heeft laten vasthouden en getoond.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregelen.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie vordert een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Bij een bewezenverklaring heeft de verdediging verzocht af te zien van een detentiestraf, nu dit ertoe zal leiden dat verdachte zijn baan kwijtraakt. Verdachte is kostwinner voor zijn kinderen in Polen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden, waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft vergaande seksuele handelingen verricht met een negenjarig meisje en daar een zevenjarig meisje toeschouwer van doen zijn.
Met zijn handelen heeft de verdachte een ontoelaatbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van de slachtoffers. Verdachte heeft uitsluitend zijn eigen verlangens voor ogen gehad en zich in het geheel niet bekommerd om de schadelijke gevolgen van zijn gedrag voor de jonge slachtoffers.
Signalen van weerstand bij de slachtoffers heeft verdachte genegeerd. Hij heeft hen zelfs een (hand)kus en een briefje van 10 euro gegeven, hetgeen de indruk wekt dat hij daarmee gepoogd heeft de slachtoffers te laten zwijgen en het gevoel te geven medeverantwoordelijk te zijn voor hetgeen hij hen heeft aangedaan. De rechtbank vindt het zeer schrijnend om in de verklaring van [slachtoffer 1] te lezen dat zij denkt dat zij een grote fout heeft gemaakt door de man aan te raken en dat zij bang is dat zij naar de gevangenis moet als de man zegt dat ze dat voor 10 euro heeft gedaan.
In de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen is de grote impact op de slachtoffers en hun ouders nadrukkelijk naar voren gekomen.
Verdachte voldoet aan het beeld van de klassieke ‘kinderlokker’, een schrikbeeld voor veel ouders van jonge kinderen. Dergelijke feiten leiden daarmee ook meer in algemene zin tot maatschappelijke verontwaardiging en onrust.
Proceshouding.
De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn gedrag. In plaats daarvan neemt hij tijdens zijn verhoren de slachtofferrol aan en verwijt hij de ouders van de slachtoffers zelfs dat zij hun kinderen zonder ouderlijk toezicht buiten hebben laten spelen.
De persoon van verdachte.
Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de volgende omstandigheden.
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 november 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals beschreven in het reclasseringsrapport van 18 december 2025. Hieruit zijn geen bijzonderheden gebleken. De reclassering ziet geen aanleiding om reclasseringsinterventies te adviseren.
Op te leggen straf.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dient te worden opgelegd.
De door de raadsman genoemde persoonlijke omstandigheden (werk en de financiële zorg voor de kinderen) leggen in dat verband onvoldoende gewicht in de schaal om tot een ander oordeel te komen.
Alles afwegend acht de rechtbank een
gevangenisstraf voor de duur van vijftien maandenpassend en geboden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, zoals door de officier van justitie is gevorderd.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .
Namens de slachtoffers is door hun wettelijke vertegenwoordigers een immateriële schadevergoeding gevorderd van 1.500,00 euro [slachtoffer 1] ) respectievelijk 750,00 euro ( [slachtoffer 2] ). De beide slachtoffers vorderen dat deze vergoeding zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juli 2024 tot de dag van volledige betaling.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie concludeert tot toewijzing van beide vorderingen.
Het standpunt van de verdediging.
Vanwege de bepleite vrijspraak heeft de raadsman verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen. Tegen de vorderingen is geen inhoudelijk verweer gevoerd.
Beoordeling.
De slachtoffers hebben naar het oordeel van de rechtbank als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade geleden die voor vergoeding in aanmerking komt. De gevorderde bedragen acht de rechtbank billijk. De rechtbank zal de beide vorderingen daarom integraal toewijzen, inclusief de gevorderde wettelijke rente.
Verdachte zal worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.
Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
36f, 57, 249, 251 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde bewezen, zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:

aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren;

t.a.v. feit 2:
een kind beneden de leeftijd van zestien jaren getuige doen zijn van een handeling met een onmiskenbaar seksuele strekking, op een wijze die schadelijk te achten is voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaren.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf en maatregelen.
T.a.v. feit 1, feit 2:
een gevangenisstraf voor de duur van
15 maanden met aftrekovereenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.
T.a.v. feit 1:
Maatregel tot schadevergoeding.
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] van een bedrag van 1.500,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag betreft een vergoeding voor immateriële schade.
Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 07 juli 2024 tot aan de dag waarop het gehele bedrag is voldaan.
T.a.v. feit 2:
Maatregel tot schadevergoeding.
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] van een bedrag van 750,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag betreft een vergoeding voor immateriële schade.
Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 07 juli 2024 tot aan de dag waarop het gehele bedrag is voldaan.
T.a.v. feit 1:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.500,00 euro, betreffende een vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 07 juli 2024 tot aan de dag waarop het gehele bedrag is voldaan.
Veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op
nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
T.a.v. feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 750,00 euro, betreffende een vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 07 juli 2024 tot aan de dag waarop het gehele bedrag is voldaan.
Veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op
nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.A.E.M. Rampaart, voorzitter,
mr. S.J.W. Hermans en mr. C.F.N. van Schaijk, leden,
in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,
en is uitgesproken op 23 januari 2026.