Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3595

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
01/071493/25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 5 Wegenverkeerswet 1994Art. 14a Wetboek van StrafrechtArt. 14b Wetboek van StrafrechtArt. 14c Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel door aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag

Op 5 maart 2025 reed verdachte op de Heikant te Sambeek met een personenauto en wilde hij fietsers inhalen. Tijdens deze inhaalmanoeuvre week hij onvoldoende naar links uit, waardoor hij een fietser raakte en een verkeersongeval veroorzaakte. Het slachtoffer liep zwaar lichamelijk letsel op, waaronder hersenletsel en meerdere botbreuken.

De rechtbank oordeelde dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gedragen, wat leidde tot het ongeval. De verdediging stelde dat sprake was van een inschattingsfout, maar dit werd verworpen omdat verdachte onvoldoende voorzichtig was op een smalle, gedeelde weg.

De rechtbank verklaarde verdachte strafbaar voor overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 en legde een taakstraf van 100 uren op, samen met een ontzegging van de rijbevoegdheid voor 180 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Hierbij werd rekening gehouden met de ernst van het letsel, de schuld van verdachte, zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat hij zijn rijbewijs nodig heeft voor werk.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren en een gedeeltelijke rijontzegging van 180 dagen wegens aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.071493.25
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2003] ,
wonende te [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 april 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 maart 2025 te Sambeek, gemeente Land van Cuijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Heikant zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, zijn snelheid niet zodanig te regelen dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of onvoldoende oplettend te rijden en/of tegen een voor hem op dezelfde weg rijdende fietser te rijden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer 1] ) zwaar lichamelijk letsel, te weten neurologisch-/hersenletsel en/of gebroken ribben en/of breuk(en) in het gezicht, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 maart 2025 te Sambeek, gemeente Land van Cuijk als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Heikant, zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of onvoldoende oplettend heeft gereden en/of tegen een voor hem op dezelfde weg rijdende fietser is gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het primair ten laste gelegde, waarbij hij het rijgedrag van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend kwalificeert.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte alleen kan worden verweten dat hij een inschattingsfout maakte door onvoldoende naar links uit te wijken toen hij de fietsers inhaalde. Dit is volgens de raadsman echter onvoldoende om het verkeersgedrag van verdachte aan te merken als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW Pro refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank.
Bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van dit vonnis zijn de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen niet op deze plaats opgenomen, maar in een bijlage bij dit vonnis, welke bijlage als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.
Vaststelling van de feiten.
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op woensdag 5 maart 2025 omstreeks 07.30 uur reed verdachte in een personenauto (Volkswagen Polo) op de Heikant in Samsbeek. Daar is verdachte in botsing gekomen met een fietser, die hij wilde inhalen. Door die botsing zijn [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer) en [slachtoffer 2] (die naast het slachtoffer fietste) ten val gekomen. Als gevolg van deze val heeft het slachtoffer hersenletsel en verschillende botbreuken opgelopen.
Schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het ongeluk te wijten is aan de schuld van verdachte in de zin van artikel 6 WVW Pro.
Hierbij komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Het gedrag van de verdachte wordt in die beoordeling afgemeten aan dat wat van een verkeersdeelnemer in het algemeen en gemiddeld genomen mag worden verwacht. Dit toetsingskader brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor de bewezenverklaring van schuld. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro.
Bij de beoordeling of van verwijtbaar handelen sprake is, is voor de rechtbank het volgende van belang. Verdachte reed op een voor hem bekende weg. De Heikant betreft een relatief smalle provinciale weg waar automobilisten en fietsers de weg delen. Op camerabeelden die zijn gemaakt ten tijde van het ongeval is te zien dat de fietsers worden ingehaald door een witte bestelbus. Vlak daarachter rijdt verdachte, die de fietsers eveneens probeert in te halen, maar niet voldoende uitwijkt naar links en tegen het slachtoffer aanrijdt waardoor beide fietsers ten val komen.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zicht had op de fietsers op het moment dat hij ze wilde inhalen en dat hij de fietsers ook al eerder had gezien, waarbij hij zich ook al had bedacht dat hij ze zou gaan inhalen. De omstandigheid dat hij bij zijn inhaalmanoeuvre kwetsbare verkeersdeelnemers ging passeren op een gedeelde en smalle weg vergt op zichzelf al extra oplettendheid. Verdachte zag daarnaast kort voor hem de witte bestelbus de fietsers inhalen en kon daardoor dus zien hoe ver hij tijdens de inhaalmanoeuvre naar links kon uitwijken om de fietsers op een veilige manier te passeren. Deze omstandigheden tezamen maken naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte zich niet heeft gedragen zoals in het algemeen en gemiddeld genomen van een verkeersdeelnemer mag worden verwacht.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat verdachte niet goed heeft opgelet en onvoldoende voorzichtig is geweest waardoor het ongeval heeft plaatsgevonden.
De rechtbank kwalificeert het bovengenoemde gedrag van de verdachte dan ook als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag waardoor het verkeersongeval aan zijn schuld als bedoeld in artikel 6 WVW Pro is te wijten.
Zwaar lichamelijk letsel.
Het slachtoffer heeft door het ongeval fors hersenletsel opgelopen. Daarnaast heeft het slachtoffer dertien gebroken ribben, een breuk in het gezicht en een gebroken stuitbeen opgelopen. Er is geen uitzicht op volledig herstel. Gelet daarop komt de rechtbank tot het oordeel dat er sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat uitgewerkte bewijsmiddelen die in de bewijsmiddelenbijlage zijn opgenomen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
op 5 maart 2025 te Sambeek, gemeente Land van Cuijk als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Heikant zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en onoplettend, te rijden en tegen een voor hem op dezelfde weg rijdende fietser te rijden, waardoor een ander genaamd [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten neurologisch-/hersenletsel en gebroken ribben en breuk in het gezicht, werd toegebracht.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 120 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 6 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd die het rijbewijs is ingevorderd geweest.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van de invordering en om rekening te houden met de impact die het ongeval op verdachte zelf heeft en het feit dat hij volledig heeft meegewerkt en de hulpdiensten direct heeft ingeschakeld.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten.
Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt dat zoals hiervoor bewezen is verklaard aan zijn aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag te wijten is. Door zijn foutieve inhaalmanoeuvre gedrag heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Dat deze gebeurtenis zeer ingrijpend is en nog steeds grote gevolgen voor het slachtoffer en zijn gezin heeft, blijkt uit het dossier en uit de indrukwekkende slachtofferverklaringen die door zijn partner en zijn dochter ter terechtzitting zijn voorgelezen.
De op te leggen straf en bijkomende straf.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 7 april 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank verder aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Deze oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarin wordt gedifferentieerd naar de mate van schuld, de gevolgen voor het slachtoffer en de vraag of, en zo ja, in welke mate er sprake is van alcoholgebruik. De rechtbank kwalificeert de mate van schuld in dit geval als aanmerkelijke schuld. Gelet daarop is het uitgangspunt in deze zaak een taakstraf voor de duur van 120 uren en een rijontzegging voor de duur van 6 maanden.
De rechtbank ziet echter aanleiding om in dit concrete geval af te wijken van de oriëntatiepunten. De rechtbank houdt rekening met het feit dat verdachte zijn rijbewijs nodig heeft voor de uitoefening van zijn werk. Bovendien is verdachte naar het oordeel van de rechtbank schuldbewust. De rechtbank houdt ook rekening met het feit dat het rijgedrag van verdachte aan de onderkant zit van aanmerkelijke schuld. Het letsel is daarentegen naar het oordeel van de rechtbank zeer ernstig.
Alles overziend acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf voor de duur van 100 uren, en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 180 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds is ingevorderd geweest, passend en geboden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht
6 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezenverklaarde levert op het
misdrijf:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende
straffen:
* een
taakstrafvoor de duur van
100 urensubsidiair
50 dagen hechtenis;
* een
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
180 dagen;
bepaalt dat de tijd dat het rijbewijs reeds is ingevorderd geweest in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan verdachte oplegde ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen;
bepaalt dat een gedeelte van deze ontzegging, groot
150 dagen,niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van een
proeftijd van 2 jaarde hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R.J. Heuft, voorzitter,
mr. M.L.W.M. Viering en mr. S.V. Vullings, leden,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 27 mei 2026.