Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.De procedure
- de (concept) dagvaarding met 15 producties;
- de dagvaarding van 20 april 2026, ontvangen op 21 april 2026;
- de mondelinge behandeling van 28 april 2026, waarbij zijn verschenen partijen met hun advocaten en [naam] namens de raad voor de kinderbescherming.
- de conclusie van antwoord, ontvangen op 28 april 2026, met uitzondering van het verweer dat als voorgelezen ter zitting is beschouwd;
- de akte indienen tegeneis van de vrouw, ontvangen op 28 april 2026;
- producties 1 tot en met 4 van de vrouw, ontvangen op 28 april 2026;
- de akte vermeerdering eis van de man, ontvangen op 28 april 2026;
- producties 16 tot en met 19 van de man, ontvangen op 28 april 2026.
2.De feiten
- [naam minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw;
- [naam minderjarige] verblijft bij de man de ene week van zondag 18.30 uur tot en met dinsdag 18.30 uur, en de andere week van vrijdag na de opvang tot dinsdag 18.30 uur.
3.Het geschil
primair: te bepalen dat [naam minderjarige] voorlopig iedere week op woensdag en donderdag uit school tot 18:30 uur bij de vrouw verblijft, alsmede op vrijdag in de oneven weken uit school tot 18:30 uur. In die zin dat de vrouw [naam minderjarige] op woensdag en donderdag, en in de oneven weken op vrijdag, uit school ophaalt en haar telkens uiterlijk om 18:30 uur naar de man brengt, waarna [naam minderjarige] de nacht bij de man doorbrengt en de man haar de daaropvolgende ochtend naar school brengt. Alsmede te bepalen dat [naam minderjarige] in de oneven weken op zaterdag én zondag van 9:30 uur tot 18:30 uur bij de vrouw verblijft, waarbij de man [naam minderjarige] naar de vrouw brengt en de vrouw [naam minderjarige] om uiterlijk 18:30 uur terugbrengt naar de man;