Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3501

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/1200
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46b Wet op de Rechterlijke OrganisatieArt. 3.2 Verordening Maatschappelijke ondersteuning Breda 2021Art. 2.3.2 Wmo 2015Art. 2.3.5 Wmo 2015Art. 6.7 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Breda 2021
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering kofferbak-rolstoeltillift wegens onvoldoende medisch onderzoek

Eiser, geboren in 1949 en woonachtig in Breda, heeft een longaandoening en mobiliteitsbeperkingen en vroeg om een financiële tegemoetkoming voor een kofferbak-rolstoeltillift. Het college weigerde dit omdat eiser de lift zelf had aangeschaft zonder toestemming en omdat hij gebruik zou kunnen maken van de deeltaxi.

De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de medische situatie van eiser en de vraag of hij daadwerkelijk gebruik kan maken van de deeltaxi. Het onderzoek beperkte zich tot een huisbezoek zonder nadere medische beoordeling, terwijl eiser bezwaren had tegen het gebruik van de deeltaxi, onder meer vanwege zijn zuurstofafhankelijkheid en het niet kunnen meenemen van zijn elektrische rolstoel.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en beveelt het college binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de huidige medische situatie van eiser moet worden betrokken. Indien blijkt dat gebruik van de deeltaxi niet passend is, dient het college een vervoersvoorziening toe te kennen. Tevens wordt het door eiser betaalde griffierecht vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek en het college moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1200

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda, het college

(gemachtigde: C.L. Verbunt en L.F. Hoogesteger).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat het college hem geen vervoersvoorziening heeft toegekend in de vorm van een (financiële tegemoetkoming voor een) kofferbak-rolstoeltillift.
1.1
Met het besluit van 20 maart 2025 (het bestreden besluit) is het college gebleven bij het besluit van 13 november 2024 (het primaire besluit) om eiser vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) geen maatwerkvoorziening in de vorm van een (financiële tegemoetkoming voor een) kofferbak-rolstoeltillift te verstrekken.
1.2
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Het beroep is op 21 mei 2025 door de rechtbank Zeeland-West-Brabant met toepassing van artikel 46b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie doorgezonden naar deze rechtbank.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: de gemachtigden van het college en de echtgenoot en dochter van eiser.

Totstandkoming van het bestreden besluit

Feiten en omstandigheden
2. Eiser, geboren op [geboortedag] 1949, woont met zijn partner in een appartement in Breda. Eiser heeft een longaandoening en ervaart in toenemende mate lichamelijke klachten, is zeer beperkt in zijn mobiliteit en is daarnaast afhankelijk van het gebruik van zuurstof. Als gevolg van zijn lichamelijke klachten en beperkingen ervaart eiser een vervoersprobleem. Daarom heeft eiser zich op 2 januari 2024 bij het college gemeld voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo in de vorm van een (financiële tegemoetkoming voor een) kofferbak-rolstoeltillift, waarmee eiser zijn zelf aangeschafte elektrische rolstoel van 25 kilogram in de kofferbak van de auto kan laten tillen en kan meenemen in de auto. Aangekomen op locatie kan eiser zichzelf dan zelfstandig voortbewegen door zijn elektrische rolstoel (eloflex) te bedienen.
2.1
Eiser heeft zelf – naast zijn (inklapbare) elektrische rolstoel – ook een scootmobiel en rollator aangeschaft. Daarnaast is eiser in het bezit van een deeltaxipas op grond van de Wmo. Deze pas heeft het college in 2016 aan eiser verstrekt nadat eiser een daartoe strekkende aanvraag had ingediend. Sindsdien kan eiser gebruik maken van de (rolstoel) deeltaxi, waarin een rolstoel meegenomen mag worden en een begeleider. Eiser maakt al enige tijd geen gebruik meer van de deeltaxipas.
2.2
Op 15 februari 2024 heeft eiser met de financiële hulp van zijn zoon – en buiten het college om – zelf een kofferbak-rolstoeltillift aangeschaft en deze in zijn auto laten monteren. De kosten hiervan bedragen € 3.120,67. Volgens eiser had hij de kofferbak-rolstoeltillift dringend nodig en omdat elk bericht van de zijde van het college uitbleef, heeft zijn zoon aangeboden om het bedrag tijdelijk voor te schieten. Eiser moet dit bedrag terugbetalen aan zijn zoon terug en het is de bedoeling om de gemaakte kosten vanuit de Wmo vergoed te krijgen van het college.
Onderzoek
3. Op 7 juli 2024 heeft het college onderzoek verricht, waaronder het verrichten van een huisbezoek. Het onderzoeksverslag bevat:
  • een beschrijving van de medische situatie van eiser;
  • een situatiebeschrijving (inclusief reeds aanwezige oplossingen en ondersteuning);
  • een beschrijving van andere mogelijke oplossingen die kunnen helpen bij het bereiken van het gewenste resultaat;
  • een conclusie over de noodzaak van een maatwerkvoorziening.
  • een beschrijving van de gewenste resultaten volgens eiser.
In het onderzoeksverslag heeft het college voorts het volgende geconcludeerd:
“U en uw partner hebben met behulp van de zoon een kofferbaklift aangeschaft. Deze lift betalen jullie aan hem terug. Met de kofferbaklift en de andere hulpmiddelen bent u in staat om alle locaties in en om Breda te bereiken. Als gevolg hiervan is er geen vervoersprobleem meer wat te compenseren is.
Als u een aanvraag bij ons indient met het aanvraagformulier dan zijn wij voornemens de aanvraag af te wijzen omdat u het vervoersprobleem heeft opgelost met hulp van personen uit uw netwerk.”
Aanvraag
3.1
Op 7 november 2024 heeft eiser vervolgens bij het college een (op 11 juli 2024 gedateerde) aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo in de vorm van een (financiële tegemoetkoming voor een) kofferbak-rolstoeltillift.
Primaire besluit
3.2
Bij het primaire besluit van 13 november 2024 heeft het college besloten dat eiser geen vervoersvoorziening in de vorm van een kofferbak-rolstoeltillift krijgt. De juridische basis hiervan is gelegen in artikel 3.2, eerste lid, onder b van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Breda 2021 en in artikel 2.3.2 en 2.3.5 van de Wmo 2015. Voor de motivering van het besluit heeft het college verwezen naar de bijgevoegde besluitrapportage, waarin het volgende staat vermeld:
“Er wordt geen maatwerkvoorziening aan u toegekend. De reden hiervan is dat u een maatwerkvoorziening in de vorm van een kofferbaktillift heeft gerealiseerd na de melding maar vóórdat het college heeft beslist op de aanvraag. U heeft geen schriftelijke toestemming gevraagd aan het college. Het college heeft geen toestemming aan u verleend vóór de realisatie van het hulpmiddel”.
Bezwaar
4. Eiser heeft op 25 december 2024 bezwaar aangetekend tegen het primaire besluit. Op 26 februari 2025 heeft een ambtelijke hoorzitting plaatsgevonden. Het college heeft vervolgens afstand gedaan van de in het primaire besluit gegeven reden tot afwijzing en besloten te beoordelen of aan eiser een maatwerkvoorziening moet worden verstrekt ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die hij ondervindt. Uit de gedingstukken blijkt niet dat het college met het oog op deze beoordeling in de bezwaarfase nader onderzoek heeft verricht.
Bestreden besluit
5. Met het bestreden besluit is het college – onder wijziging van de motivering – gebleven bij het primaire besluit om eiser geen vervoersvoorziening toe te kennen in de vorm van een kofferbak-rolstoellift. Het bestuur heeft daarom het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en voor de motivering daarvan verwezen naar de bijlage, waarin als volgt is overwogen:
“Vaststaat dat er een melding is ontvangen met de aanvraag voor een kofferbaklift. Hierbij is de hulpvraag vanuit de Wmo als volgt geformuleerd: U vraag een kofferbaklift omdat u een vervoersprobleem ervaart.
Tijdens het onderzoek is naar voren gekomen (kort samengevat), dat uw vader en moeder de elektrische rolstoel willen meenemen in de auto. Uw ouders zijn niet in staat om hulpmiddelen te tillen in- en uit de auto. De rolstoel is 25 kilo.
Vanaf 2016 kunnen uw ouders gebruik maken van de deeltaxi. Hierbij kan een rolstoel meegenomen worden en mag uw vader samen met een begeleider (bijvoorbeeld uw moeder) hier gebruik van maken. Deze voorziening is voor het lokaal verplaatsen. Uit de verordening blijkt dat een autoaanpassing na het primaat van de deeltaxi komt (artikel 6.7 beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Breda 2021 en 3.4 van de verordening maatschappelijke ondersteuning Breda 2021).Daarnaast heeft uw vader de elektrische rolstoel alsmede een scootmobiel om zich te verplaatsen voor korte afstanden. Het college stelt zich dan ook op het standpunt dat uw vader met deze voorzieningen voldoende zelfredzaam is en zich kan handhaven in de samenleving.Tijdens het ambtelijk horen is aan u gevraagd of u gebruik maakt van de deeltaxipas. Hierbij is aangegeven dat uw ouders op dit moment geen gebruik maken van de deeltaxipas omdat met het eigen vervoer makkelijker is omdat dit niet vooraf aangevraagd hoeft te worden. Uit navraag blijkt dat uw ouders vanaf 2024 tot op heden geen gebruik hebben gemakt van de deeltaxi.
Dat uw ouders zelf een kofferbaklift heeft [hebben] aangeschaft met de financiële hulp van uw broer, is niet aan het college om hier een voorziening in te treffen. Uw ouders zijn namelijk voldoende gecompenseerd.
Daar de grondslag gewijzigd zal worden is het college van oordeel dat de aanvraag dient te worden afgewezen op grond van artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015.
U beroept zich op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ten tijde van het bezwaar. Er zijn meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Uit de stukken en het horen kan geconcludeerd worden dat u zich vooral beroept op het zorgvuldigheidsbeginsel. Het beginsel vereist dat een besluit zorgvuldig wordt voorbereid, zodat het ook zorgvuldig kan worden genomen. Het gaat erom dat alle relevante feiten en belangen die door het bestuursorgaan bij de besluitvorming moeten worden betrokken, daarbij ook daadwerkelijk kunnen worden betrokken. Het college is van oordeel dat alle feiten en omstandigheden zijn meegenomen in de beoordeling van het besluit. U heeft tijdens het horen aangegeven dat het huisbezoek niet als prettig is ervaren. U had het gevoel dat nadat duidelijk was dat de voorziening was aangeschaft, het onderzoek direct klaar was en dat de conclusie duidelijk was. Het college vindt het heel vervelend dat u dit zo ervaren heeft maar is van oordeel dat het onderzoek wel volledig is gedaan. Uit navraag bij u tijdens het horen alsmede het onderzoeksverslag en de besluitrapportage blijkt dat het onderzoek wel heeft plaatsgevonden en dat er geen feiten en omstandigheden daardoor niet aan bod zijn gekomen. Derhalve is het beginsel niet geschonden.”
Overwegingen en oordeel van de rechtbank
6. Tussen partijen is in geschil of het college op zorgvuldige wijze tot de conclusie is gekomen dat eiser gebruik kan maken van de (rolstoel) deeltaxi en dat dit de beperkingen van eiser in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie – voor zover dat ziet op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel – compenseert, zodat hij niet in aanmerking komt voor een andere / de door hem gevraagde vervoersvoorziening.
6.1
In de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:819, r.o. 4.4.2) is uiteengezet op welke wijze het onderzoek naar maatschappelijke ondersteuning onder de Wmo 2015 moet plaatsvinden. Daarbij is – samengevat en voor zover hier van belang – overwogen dat wanneer bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de ondersteuningsvrager. Vervolgens moet onderzocht worden of en in hoeverre er andere mogelijkheden zijn die de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een maatwerkvoorziening te verstrekken. Voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet kunnen ontbreken.
6.2
Het college heeft in het onderzoeksverslag vastgesteld wat de hulpvraag is, namelijk dat eiser vanwege zijn lichamelijke klachten en beperkingen een vervoerprobleem ervaart en dat hij daarom – voor het lokaal verplaatsen – een vervoersvoorziening wenst.
6.3
Uitgaande van deze hulpvraag geldt hetgeen het college heeft neergelegd in zijn Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Breda 2021 (hierna: Beleidsregels), namelijk (onder paragraaf 6.3) dat tijdens het onderzoek de problemen worden geïnventariseerd die de cliënt heeft in zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer (participatie) en dat op basis van die inventarisatie wordt beoordeeld of ondersteuning nodig is, en zo ja welke. Daarbij geldt (onder paragraaf 6.4) dat het primaat ligt bij de deeltaxi, maar dat de vraag of gebruikmaking daarvan in het individuele geval kan worden aangemerkt als passende bijdrage allereerst afhankelijk is van de vraag of de cliënt gebruik kan maken van de deeltaxi. Het kan ook voorkomen dat het college moet beoordelen of de cliënt medisch gezien gebruik kan maken van de deeltaxi, aldus deze paragraaf. Ook onder paragraaf 6.7 van de Beleidsregels staat vermeld dat het primaat ligt bij de deeltaxi. Blijkt echter uit onderzoek dat de cliënt hiervan geen gebruik kan maken, dan kan een autoaanpassing aangewezen zijn.
6.4
De rechtbank is van oordeel dat het college in de besluitvormingsfase onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan zoals voorgeschreven in voornoemde Beleidsregels. Het college heeft in het bestreden besluit louter vastgesteld dat eiser samen met een begeleider gebruik kan maken van de deeltijdtaxi, dat hierin een rolstoel kan worden meegenomen en dat eiser vanaf 2024 geen gebruik (meer) heeft gemaakt van de deeltaxi. Naar de vraag of eiser – gelet op zijn (medische) situatie – gebruik kan maken van de deeltaxi en of daarmee in het individuele geval van eiser gebruikmaking van de deeltaxi (medisch gezien) een passende bijdrage is voor zijn vervoerprobleem, heeft het college in het geheel geen onderzoek verricht of laten verrichten. Het onderzoek van het college heeft zich beperkt tot een huisbezoek, waarin op dit onderdeel de door eiser tijdens dat bezoek genoemde bezwaren tegen het gebruik van de deeltaxi (o.a. dat hij niet in de eloflex zittend kan meerijden in de deeltaxi en dat de eloflex niet crash getest is) zijn opgesomd in het onderzoeksverslag. Het college heeft naar deze bezwaren (en ook overigens) geen verder onderzoek gedaan in relatie tot de vraag of eiser – gelet op zijn (medische) situatie – gebruik kan maken van de deeltaxi en of daarmee in het individuele geval van eiser gebruikmaking van de deeltaxi (medisch gezien) een passende bijdrage is voor zijn vervoerprobleem. Dat geldt ook voor de bij het college toen al bekende omstandigheid dat eiser buitenshuis afhankelijk is van een mobiel zuurstofapparaat waarmee hij zichzelf een beperkt aantal uren kan voorzien van zuurstof op 1 accu.
6.5
Ter zitting heeft het college betoogd dat in de besluitvormingsfase wel voldoende onderzoek is gedaan zoals voorgeschreven in de Beleidsregels en dat toen alles is betrokken. De rechtbank volgt dit betoog – gelet op het voorgaande – niet. Dit betoog vindt ook geen steun in de gedingstukken en de motivering van het bestreden besluit geeft er evenmin blijk van dat voldoende zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden zoals voorgeschreven in de Beleidsregels. Het feit dat het college in de beroepsfase alsnog (nader) onderzoek heeft verricht naar de vraag of eiser gebruik kan maken van de (rolstoel) deeltaxi, bevestigt het vorenstaande. Dit (nader) onderzoek kan – anders dan het college ter zitting heeft gesteld – niet worden aangemerkt als onderdeel van het bestreden besluit dat ter beoordeling voorligt. De stelling van het college dat dit (nader) onderzoek is gedaan naar aanleiding van de beroepsgronden en ter extra bevestiging omdat het gebruikelijk is dat rolstoelen worden ingeklapt en meegenomen door taxichauffeurs van de deeltaxi en dat zij mensen met mobiele zuurstofapparaten meenemen, miskent voorts dat het op de weg van het college ligt om in de besluitvormingsfase voldoende zorgvuldig onderzoek te doen naar de individuele (medische) situatie van eiser zoals voorgeschreven in de Beleidsregels en in genoemde jurisprudentie van de CRvB, om te kunnen bepalen welke ondersteuning nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van eiser.
Conclusie en gevolgen
7. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Het beroep tegen het bestreden besluit is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze zaak finaal te beslechten. Daartoe overweegt de rechtbank dat bij de beoordeling van de vraag of na vernietiging van het bestreden besluit de zaak finaal kan worden beslecht uitgegaan dient te worden van de feiten en omstandigheden die zich op het moment van uitspraak voordoen en van het dan geldende recht. Dit betekent dat daarbij ook rekening moet worden gehouden met de huidige (medische) situatie van eiser, waarover thans onvoldoende gegevens beschikbaar zijn bij de rechtbank. Daarom ziet de rechtbank geen mogelijkheid om deze zaak finaal te beslechten en zal worden volstaan met een kale vernietiging van het bestreden besluit, waarbij de rechtbank zal bepalen dat het college binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij dient het college dus ook de huidige (medische) situatie van eiser te betrekken. Indien daaruit blijkt dat eiser geen gebruik kan maken van de deeltaxi, dient het college hem in beginsel een vervoersvoorziening toe te kennen in de vorm van een (financiële tegemoetkoming voor een) kofferbak-rolstoeltillift.
7.1
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel zal het college het door eiser betaalde griffierecht van € 53,00 dienen te vergoed

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat het college binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
  • bepaalt dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 53,00 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van
H.J. Renders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.