Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3474

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
25/1390V
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Invorderingswet 1990Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond tegen uitspraak over aanmaning gemeentelijke heffingen

Deze uitspraak betreft het verzet van opposante tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2026, waarin het beroep van opposante tegen een aanmaning voor gemeentelijke heffingen ongegrond werd verklaard.

Opposante stelde dat de heffingsambtenaar te veel invorderingsrente in rekening had gebracht, maar de rechtbank oordeelde dat een deel van het beroep betrekking had op aanmaningskosten waartegen geen bezwaar of beroep openstaat. De rechtbank behandelde het beroep zonder zitting omdat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond.

Opposante voerde aan dat haar bezwaar te eng was opgevat en dat zij ook bezwaar had tegen de aanmaningskosten, maar dit werd niet ondersteund door de inhoud van het bezwaarschrift. Bovendien kon tegen de invorderingsrente geen bezwaar worden gemaakt omdat dit op grond van de Invorderingswet 1990 in een apart besluit wordt vastgesteld.

De rechtbank concludeerde dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van 23 januari 2026 in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak van 23 januari 2026 wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1390 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 op het verzet van

[opposante], uit [woonplaats], opposante [1]
(gemachtigde: [naam]),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2026 in het geding tussen
opposant
en

de heffingsambtenaar van de gemeente 's-Hertogenbosch

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 23 januari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante ongegrond heeft verklaard.
1.1.
De rechtbank heeft het verzet op 11 mei 2026 op zitting behandeld. Daarvoor heeft opposante zich afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 23 januari 2026 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep ongegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het beroep van opposante
3.1.
In een aan opposante verzonden aanmaning over de gemeentelijke belastingen zijn aanmaningskosten en invorderingsrente opgenomen. In haar beroepschrift heeft opposante zich op het standpunt gesteld dat de heffingsambtenaar teveel invorderingsrente in rekening heeft gebracht.
De uitspraak van 23 januari 2026
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat mag de rechtbank als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het beroep moest worden beoordeeld op basis van de in de bezwaarfase gewisselde stukken. Daaruit kwam naar het oordeel van de rechtbank onmiskenbaar naar voren dat opposante een onderdeel van de aanmaning heeft bestreden die niet voor bezwaar (en beroep) vatbaar was en dat een zitting bij de rechtbank daarin geen verandering kon brengen.
Mocht de rechtbank het beroep van opposante vereenvoudigd behandelen?
5. Opposant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank haar beroep ten onrechte vereenvoudigd heeft behandeld. Zij vindt dat haar bezwaarschrift niet ruim genoeg is opgevat, zij wel degelijk bezwaren had tegen de aanmaningskosten en dat zij ook bezwaar kon maken tegen de in de aanmaning opgenomen invorderingsrente. Verder is opposante van mening dat geen sprake is van een kennelijk ongegrond beroep, omdat dat oordeel stoelt op aannames die opposante betwist.
5.1.
Voor zover opposante beoogt te stellen dat een beroep niet zonder zitting kan worden afgedaan als partijen van mening verschillen over een onderwerp waar de rechtbank over oordeelt, volgt de rechtbank opposante niet in dat standpunt. Dat standpunten uiteen liggen, betekent nog niet dat de uitkomst van de procedure niet buiten redelijke twijfel kan zijn. In dit geval waren de standpunten van partijen voldoende helder en daarom was er geen aanleiding voor nadere vragen of nader onderzoek. Op basis van de beschikbare informatie was geen nader onderzoek nodig en was het eindoordeel buiten redelijke twijfel.
5.2.
Gelet op de bewoordingen in het bezwaarschrift van opposante, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bezwaar zich alleen richtte op de in de aanmaning opgenomen rente en niet ook op de aanmaningskosten. Hierin staat namelijk:
“In reactie op uw aanmaning van 30 april 2025 wordt namens [naam], [adres], hierna belanghebbende, bezwaar gemaakt tegen de belastingrente blijkend uit uw rekeningoverzicht van 7 januari en 30 april 2025.”
Uit de tekst van haar bezwaar volgt niet dat zij ook bezwaren had tegen de aanmaningskosten. Dit volgt ook uit haar beroepschrift waarin zij heeft opgenomen onder randnummer 75:
“Verweerder merkt terecht op dat eiseres verzuimde bezwaar te maken tegen de aanmaningskosten,”
Ook daaruit volgt dat haar bezwaar zich niet richtte tegen de aanmaningskosten. Dat opposante zich in verzet op het standpunt stelt dat haar bezwaar te eng is opgevat en zij ‘natuurlijk’ ook bezwaren had tegen de aanmaning als geheel, is een standpunt dat niet in overeenstemming is met datgene wat in het bezwaarschrift is opgenomen. In de uitspraak van 23 januari 2026 heeft de rechtbank daarover onder 3.6 en verder expliciete overwegingen opgenomen. Niet is gebleken dat nadere informatie, nader onderzoek of een zitting nodig waren om een oordeel te kunnen geven. Ook in verzet is niets aangevoerd waaruit dat zou blijken. Evenmin is gebleken dat de uitspraak onjuist zou zijn en dat bij een normale behandeling in beroep zaken naar voren zouden zijn gebracht die tot een ander oordeel geleid zouden hebben.
5.3.
Daarbij is ook van belang dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de invorderingsrente op grond van artikel 30 van Pro de Invorderingswet 1990 wordt vastgesteld in een besluit. Tegen dat besluit kan vervolgens bezwaar worden gemaakt en beroep worden ingesteld. Omdat een dergelijk besluit niet voorligt, kon opposante daartegen geen bezwaar maken. Het uitgebreide betoog van opposante dat hierdoor haar rechtsbelangen worden geschaad, richt zich op het systeem van onder andere de Invorderingswet en niet op dit specifieke besluit van de heffingsambtenaar en valt daarom buiten de omvang van dit geding.
5.4.
Omdat het eindoordeel buiten redelijke twijfel was, kon de rechtbank uitspraak doen zonder zitting. Het verzet slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. De grond van het verzet slaagt niet. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 januari 2026. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat die uitspraak in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kleijn Hesselink, rechter, in aanwezigheid van R.G.B.M Spapens, griffier.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Uitgesproken op 22 mei 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de datum bekendmaking beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raadwww.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl). Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Met opposante wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).