ECLI:NL:RBOBR:2026:3401

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
12046350 \ CV EXPL 26-194
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m BWArt. 6:230v BWArt. 6:233 BWArt. 6:96 lid 6 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen en informatieplichten bij consumentenhuurovereenkomst

In deze civiele procedure vordert ELBUCO B.V. betaling en verklaring voor recht omtrent beëindiging van een huurcontract met een consument die niet is verschenen. De kantonrechter verleent verstek en beoordeelt ambtshalve of aan de wettelijke informatieplichten bij afstandsverkopen is voldaan. De handelaar heeft niet aangetoond dat levertermijn, duur van de overeenkomst en opzegtermijnen duidelijk zijn gecommuniceerd, wat leidt tot schending van artikelen 6:230m en 6:230v BW.

De rechtbank past de sanctierichtlijn toe en vermindert de betalingsverplichting van de consument met 20%. Daarnaast toetst de rechter ambtshalve de bedingen in de algemene voorwaarden op eerlijkheid volgens artikel 6:233 BW Pro en de Europese richtlijn 93/13/EEG. Bedingen over vervangingswaarde, gederfde huur, ophaalkosten en incassokosten worden als oneerlijk beoordeeld vanwege buitensporige schadevergoedingen, onvoldoende onderbouwing en strijd met wettelijke regels.

De verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tegen de einddatum is beëindigd wordt afgewezen wegens onduidelijkheid en eerdere buitengerechtelijke ontbinding. De kantonrechter wijst de vorderingen op schadevergoeding en incassokosten af en overweegt vernietiging van de oneerlijke bedingen. De consument blijft verplicht het gehuurde terug te geven, waarbij de schadevergoeding wordt begroot op de waarde exclusief btw met afschrijving.

De zaak wordt aangehouden voor een akte van eisende partij over het voornemen tot vernietiging van bedingen en de waardebepaling van het product. Een verdere beslissing volgt na deze akte.

Uitkomst: De betalingsverplichting van de consument wordt verminderd en vernietiging van oneerlijke bedingen wordt overwogen, zaak aangehouden voor nadere akte.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Zaaknummer: 12046350 \ CV EXPL 26-194
Vonnis van 19 maart 2026
in de zaak van
ELBUCO B.V.,
gevestigd te Culemborg,
eisende partij,
gemachtigde: Janssen & Janssen Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Eisende partij heeft gevorderd dat gedaagde partij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om aan haar een bedrag te betalen met rente en kosten, zoals in de dagvaarding is omschreven. Ook heeft eisende partij een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst tegen de einddatum is beëindigd en afgifte van het gehuurde product gevorderd.
1.2.
Tegen de niet verschenen gedaagde partij is verstek verleend.
1.3.
Daarna heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2.De beoordeling

2.1.
De vordering van eisende partij ziet op een overeenkomst op afstand tussen een handelaar en een consument. De handelaar moet bij het sluiten van dat soort overeenkomsten voldoen aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.2.
In deze procedure moet eisende partij gemotiveerd stellen en onderbouwen dat aan de essentiële informatieplichten is voldaan. De kantonrechter moet vervolgens ambtshalve onderzoeken of aan de plichten is voldaan, dus ook als er geen verweer is gevoerd. Als sprake is van een voldoende ernstige schending van zo’n informatieplicht moet de rechter een sanctie toepassen (zie het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1677).
2.3.
De rechtbanken hebben naar aanleiding van de uitspraak van de Hoge Raad voor de schending van de essentiële informatieverplichtingen een sanctierichtlijn opgesteld (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl). Deze sanctierichtlijn houdt samengevat in dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met een bepaald percentage afhankelijk van het aantal voldoende ernstige schendingen. Bij de precontractuele informatieverplichtingen geldt dat meerdere voldoende ernstige schendingen van de essentiële informatieverplichtingen die onder dezelfde letter van artikel 6:230m lid 1 BW vallen samen worden geteld als één schending. Eventuele schendingen van de verplichting om de informatie te bevestigen op een duurzame gegevensdrager worden gerekend als één schending.
De bestelknop; de informatieverplichting van artikel 6:230v lid 3 BW
2.4.
Volgens artikel 6:230v lid 3 BW moet de handelaar het elektronische bestelproces zo inrichten dat de consument een aanbod pas kan aanvaarden als hem op niet voor misverstand vatbare wijze duidelijk is gemaakt dat zijn bestelling een betalingsverplichting inhoudt. Als gebruik wordt gemaakt van een bestelknop of een soortgelijke functie, moet deze een ondubbelzinnige formulering bevatten die goed leesbaar is en waaruit blijkt dat het plaatsen van een bestelling een betalingsverplichting ten opzichte van de handelaar inhoudt.
Overige essentiële (pre)contractuele informatieplichten; artikel 6:230m lid 1 BW
2.5.
Volgens artikel 6:230m lid 1 BW moet de handelaar de consument voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst op duidelijke en begrijpelijke wijze informeren over (in dit geval): de kenmerken van het product (sub a), de identiteit van de handelaar (sub b), de contactinformatie van de handelaar (sub c), de prijs van het product (sub e), de wijze van betaling en levering inclusief de leveringstermijn (sub g) en het recht van ontbinding van de overeenkomst (sub h). Voor zover van toepassing, moet de handelaar de consument ook informeren over de duur van de overeenkomst en de voorwaarde van opzegging (sub o) en de minimumduur waarbinnen de consument niet kan opzeggen (sub p). De handelaar moet deze informatie vervolgens bevestigen op een duurzame gegevensdrager. Een duurzame gegevensdrager betekent dat de consument de informatie eenvoudig moet kunnen bewaren, zoals bijvoorbeeld een e-mail of een brief.
2.6.
Hierna zal worden beoordeeld of aan de informatieverplichtingen is voldaan. Alleen als er sprake is van een voldoende ernstige schending van een informatieverplichting, zal die informatieverplichting hierna worden besproken.
Het verstrekken van informatie bij of voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst
de wijze van levering inclusief de leveringstermijn
2.7.
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder g BW moet de termijn waarbinnen zal worden geleverd, worden vermeld. Niet vereist is dat de precieze dag wordt vermeld maar wel vereist is dat de verwachte levertermijn duidelijk is. Eisende partij heeft niet aangetoond dat hieraan is voldaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat artikel 6:230m lid 1 onder g BW is geschonden.
de duur van de overeenkomst en opzegtermijn na verlenging
2.8.
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder o BW moet voor de consument duidelijk zijn hoe lang de overeenkomst loopt als deze niet tussentijds wordt opgezegd. Daarnaast moet duidelijk zijn of de overeenkomst na die periode vanzelf afloopt of doorloopt. Als de overeenkomst doorloopt dan moet ook worden vermeld op welke termijn de consument de overeenkomst daarna kan opzeggen. Informatie over de duur van de overeenkomst en de vraag of de overeenkomst vanzelf eindigt of juist doorloopt moet tijdens het bestelproces aan de consument worden verstrekt zonder dat de consument de informatie zelf moet opzoeken. Niet voldoende is dus dat deze informatie ergens op de website staat of alleen in de algemene voorwaarden. Informatie over de wijze van opzeggen na het verstrijken van de eerste periode mag wel in de algemene voorwaarden worden opgenomen. Eisende partij heeft niet aangetoond dat aan deze informatieverplichting is voldaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat artikel 6:230m lid 1 onder o BW is geschonden.
de periode waarbinnen de consument de overeenkomst niet kan opzeggen
2.9.
Op grond van artikel 6:230m lid 1 onder p BW moet voor de consument duidelijk zijn voor welke periode hij ten minste aan de overeenkomst gebonden is. Duidelijk moet dus zijn tegen welk moment de consument de overeenkomst op zijn vroegst kan beëindigen. Als de overeenkomst een bepaalde minimumduur heeft waarbinnen de consument de overeenkomst niet kan opzeggen, dan moet dat duidelijk worden genoemd. Als de overeenkomst niet zo’n termijn heeft, moet duidelijk zijn welke opzegtermijn er voor de overeenkomst geldt. De consument moet tijdens het bestelproces duidelijk op deze informatie worden gewezen. Niet voldoende is dus dat de informatie ergens op de website staat of alleen in de algemene voorwaarden. Eisende partij heeft niet aangetoond dat hieraan is voldaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat artikel 6:230m lid 1 onder p BW is geschonden.
conclusie essentiële informatieverplichtingen
2.10.
De kantonrechter zal op grond van de hiervoor vastgestelde schending(en) van informatieverplichtingen de overeenkomst met toepassing van de sanctierichtlijn gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met 20%. Er is in dit geval namelijk sprake van minder dan vier voldoende ernstige schendingen.
de verklaring voor recht is niet toewijsbaar
2.11.
Eisende partij heeft een verklaring voor recht gevorderd dat op grond van de in het lichaam van de dagvaarding omschreven toerekenbare tekortkoming(en) van gedaagde partij de tussen partijen gesloten huurovereenkomst(en) tegen de einddatum als omschreven onder punt 3 van deze dagvaarding is/zijn beëindigd. Onduidelijk is wat eisende partij met ‘onder punt 3 van de dagvaarding’ heeft bedoeld, want de dagvaarding bevat geen punt 3 en de stellingen van eisende partij zijn ook niet voorzien van randnummers. Bij sommatiebrief d.d. 2 juli 2025 heeft eisende partij de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. Dat is echter niet gedaan tegen de einddatum van de huurovereenkomst, 12 mei 2028. De gevorderde verklaring voor recht is dus niet toewijsbaar.
ambtshalve toetsing van bedingen
2.12.
De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de overeenkomst en de daarop van toepassing verklaarde algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet eerlijk zijn ten opzichte van de consument in de zin van artikel 3 van Pro de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Artikel 3 van Pro de richtlijn is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder Pro a Burgerlijk Wetboek (BW) waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is, vernietigbaar is. Alle bedingen die aan de vordering zijn of kunnen worden gelegd moeten door de kantonrechter worden getoetst. Dat volgt uit de uitspraken van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger). Op grond van deze uitspraken moet de kantonrechter ook als eisende partij zich in de procedure niet beroept op het toepasselijke beding, maar op de wet ambtshalve onderzoeken of het beding waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, wordt de vordering gegrond op dat beding afgewezen. Daarnaast kan eisende partij geen aanspraak meer maken op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en het cumulatieve effect van alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Niet van belang voor deze toets is dus de feitelijke toepassing en uitvoering van de bedingen, of een achteraf gegeven uitleg.
2.13.
Onderdeel van de vordering van eisende partij is een bedrag aan schadevergoeding verbonden aan de vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst, te weten:
- € 644,65 aan schadevergoeding zijnde de (bedongen) vervangingswaarde van het gehuurde product gegrond op artikel 10.2 van de algemene voorwaarden;
- € 469,43 aan schadevergoeding voor gederfde huur gegrond op artikel 9.6 sub b van de algemene voorwaarden;
- € 75,00 aan ophaalkosten gegrond op artikel 2.2 van de algemene voorwaarden.
Daarnaast vordert eisende partij een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten.
2.14.
Op grond van het beding van artikel 10.2 van de algemene voorwaarden heeft eisende partij een recht bedongen op een schadevergoeding die aanzienlijk hoger kan uitvallen dan de schadevergoeding waarop zij op grond van de wet recht zou hebben. Op grond van de wet zou een vergelijking gemaakt moeten worden tussen de situatie waarin eisende partij verkeert en de situatie waarin zij zou verkeren als de consument niet zou zijn tekortgekomen en de overeenkomst dus niet ontbonden hoefde te worden. Daarbij zou ook rekening gehouden moeten worden met het voordeel dat eisende partij heeft door de vroegtijdige beëindiging, namelijk dat zij de gehuurde apparatuur eerder terugkrijgt en weer kan verhuren of verkopen. De algemene voorwaarden houden geen rekening met deze schadebeperkingsplicht. In artikel 10.2 van de algemene voorwaarden is voorts bepaald dat als de consument de gehuurde apparatuur niet teruggeeft zij de restwaarde moet vergoeden. Deze restwaarde wordt blijkens artikel 10.2 van de algemene voorwaarden gebaseerd op een percentage van de leasetermijnen over de resterende termijnen en niet, zoals vereist, op de daadwerkelijke restwaarde (de nieuwwaarde met inachtneming van een bepaalde afschrijving). Dat maakt dat artikel 10.2 van de algemene voorwaarden als zodanig oneerlijk is.
2.15.
In eerdere uitspraken van de kantonrechter is geoordeeld dat artikel 9.2 sub b van de algemene voorwaarden in samenhang met artikel 10.2 van de algemene voorwaarden oneerlijk is omdat het beding eveneens voorziet in een bedongen schadevergoeding gebaseerd op de resterende leasetermijnen en tot een onredelijk hoge schadevergoeding leiden in de situatie dat de overeenkomst voortijdig wordt beëindigd. Naar nieuwe inzichten van de kantonrechter is het beding op zichzelf echter ook oneerlijk. Op grond van artikel 9.2 sub b van de algemene voorwaarden kan eisende partij aanspraak maken op een schadevergoeding van 50% van de resterende huurtermijnen na tussentijdse beëindiging van de huurovereenkomst. Eisende partij heeft gesteld dat de huurovereenkomst nog zou lopen tot 12 mei 2028 en dat zij vanwege de tussentijdse beëindiging over die periode inkomsten en winst derft. Naar voorlopig oordeel van de kantonrechter is een beding dat ertoe strekt een schadevergoeding wegens gederfde winst van 50% toe te kennen in beginsel oneerlijk omdat het leidt tot een onevenredig hoge schadevergoeding. Een winstmarge van 50% komt de kantonrechter, bij gebrek aan een verdere toelichting die niet is gegeven, buitensporig hoog voor. Daarbij blijkt niet dat het beding rekening houdt met de omstandigheid dat het gehuurde product na de beëindiging c.q. ontbinding van de overeenkomst dient te worden geretourneerd en opnieuw kan worden verhuurd (zie ook hetgeen hiervoor is overwogen).
2.16.
Eisende partij heeft geen rechtvaardiging gegeven voor een bedongen percentage van 50%. Eisende partij heeft ook niet gesteld welke investering is gedaan c.q. welke kosten zij heeft gemaakt en hoeveel winst zij misloopt. Zij heeft haar gestelde schade niet inzichtelijk gemaakt. Eisende partij heeft slechts verwezen naar het Rapport Ambtshalve Toetsing III (paragraaf 4.4.3). Naar nieuwe inzichten van de kantonrechter is het een onjuist uitgangspunt dat het rapport een rechtvaardiging geeft dat in alle gevallen aanspraak kan worden gemaakt op een schadevergoeding vanwege gederfde winst bij ontbinding van de overeenkomst van 50% over de resterende termijnen. Het genoemde percentage ziet specifiek op de afdoening van telefoonzaken. Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat telefoonproviders reeds belminuten hadden ingekocht, waarvoor na ontbinding van de overeenkomst geen vergoeding meer in rekening kon worden gebracht in de vorm van abonnementsgelden. In onderhavige geval gaat het niet om een telefoonabonnement, maar om de verhuur van roerende zaken.
2.17.
Eisende partij heeft verder een bedrag van € 75,00 gevorderd aan ophaalkosten. Die vordering heeft zij gegrond op artikel 2.2 van de algemene voorwaarden. In het midden kan blijven of het beding oneerlijk is. De vordering is sowieso niet toewijsbaar. Eisende partij heeft in de sommatiebrief d.d. 2 juli 2025 een ontbindingsverklaring én een omzettingsverklaring gedaan; in de brief heeft eisende partij aanspraak gemaakt op de vervangingswaarde van het gehuurde product. Door omzetting wordt de oorspronkelijke verbintenis tot afgifte van het gehuurde na beëindiging c.q. ontbinding van de overeenkomst omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. De oorspronkelijke verbintenis gaat daarbij teniet en het verzuim eindigt. Dit betekent dat gedaagde partij vanaf dat moment niet langer gehouden is tot afgifte van het gehuurde product, maar de waarde dient te vergoeden. Zonder verdere toelichting die ontbreekt, valt niet in te zien waarom eisende partij tegen die achtergrond ophaalkosten in rekening kan brengen, temeer nu uit de factuur d.d. 26 juni 2025 volgt dat de ophaalkosten in rekening zijn gebracht nog vóórdat de huurovereenkomst is ontbonden en er op dat moment dus überhaupt geen verplichting tot afgifte bestond.
2.18.
Het incassokostenbeding zoals opgenomen in artikel 6.4 sub b en artikel 6.5 kwalificeert als een incassokostenbeding dat niet in overeenstemming is met de wettelijke regeling van artikel 6:96 lid 6 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro is een consument pas buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd als hij na het intreden van verzuim vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen. In het Besluit zijn de buitengerechtelijke incassokosten beperkt tot de daarin opgenomen tarieven. Op grond van het beding kunnen direct na het intreden van verzuim incassokosten in rekening worden gebracht zonder dat eerst nog een veertiendagenbrief wordt verstuurd. Dat is in strijd met de wet. Op grond van het beding kunnen door eisende partij vastgestelde aanmaningskosten bij de consument in rekening worden gebracht. Dat is in strijd met het Besluit, althans uit het beding blijkt niet of onvoldoende dat slechts het wettelijke tarief uit het Besluit is verschuldigd. Hierdoor wordt het evenwicht ten nadele van gedaagde partij als consument onevenredig verstoord. Het beding is om die reden oneerlijk c.q. onredelijk bezwarend. Dat eisende partij slechts vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten heeft gevorderd ter hoogte van het wettelijke tarief, maakt dat niet anders. Eisende partij heeft met deze algemene voorwaarden immers contractueel de mogelijkheid om in het nadeel van de consument aanzienlijk af te wijken van de wettelijke bepaling en derhalve is de sanctie van vernietiging van het beding en afwijzing van de gevorderde vergoeding op zijn plaats.
2.19.
De kantonrechter is daarom voornemens de hierboven genoemde bedingen waarop eisende partij haar vordering heeft gegrond te vernietigen en de daarop gebaseerde schadevergoedingen wegens vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst alsmede de buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. Alvorens tot eventuele vernietiging van oneerlijke bedingen wordt overgegaan, zal eisende partij in de gelegenheid worden gesteld zich hierover bij akte uit te laten.
2.20.
De richtlijn staat er naar het oordeel van de kantonrechter niet aan in de weg dat de consument het gehuurde product moet teruggeven aan de eigenaar, ook als de overeenkomst op dat punt een oneerlijke bepaling bevatte. Als gedaagde partij het gehuurde product ondanks aanmaningen niet teruggeeft dan moet gedaagde partij de daadwerkelijke schade van eisende partij vergoeden. De kantonrechter is voornemens de schade te begroten op de waarde exclusief btw bij omzetting rekening houdende met een afschrijving over de nieuwwaarde bij aanvang van de overeenkomst. Over de waarde van het product heeft eisende partij in de dagvaarding niets gesteld. In de akte kan zij tevens op dit punt ingaan.
2.21.
Tot slot overweegt de kantonrechter dat de meer subsidiaire vordering tot afgifte van het gehuurde product op voorhand niet toewijsbaar is, gelet op de gedane omzettingsverklaring.
2.22.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
donderdag 16 april 2026 te 9:00 uur, voor het nemen van een akte na tussenvonnis door eisende partij om zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter om tot vernietiging van eerder genoemde bedingen over te gaan en over de waarde van het product;
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.A. Donkersloot, en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.