ECLI:NL:RBOBR:2026:338
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en wezenlijke gedragsverandering
In deze zaak heeft verzoekster op 20 oktober 2025 een verzoekschrift ingediend voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoek is behandeld op 7 januari 2026, waarbij verzoekster en verschillende hulpverleners aanwezig waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster 12 schulden had, met een totaalbedrag van € 83.672,69. Tijdens de zitting verklaarde verzoekster dat zij verschillende kredieten had aangegaan in de veronderstelling dat zij deze kon betalen, maar dat zij haar betalingsverplichtingen niet meer kon nakomen na een fout in haar belastingaangifte en een schuld aan familieleden. De rechtbank overweegt dat volgens artikel 288 lid 1 aanhef, onder b van de Faillissementswet, het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alleen kan worden toegewezen als de schuldenaar te goeder trouw is geweest in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift. De rechtbank concludeert dat verzoekster niet aan deze voorwaarde voldoet, omdat zij schulden is aangegaan zonder uitzicht op aflossing. De meeste schulden zijn ontstaan na een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin een vordering van familieleden werd vastgesteld. Verzoekster heeft ook na deze uitspraak nieuwe schulden gemaakt, wat haar gebrek aan goede trouw aantoont. Bovendien heeft zij niet aangetoond dat zij haar gedrag wezenlijk heeft veranderd, wat nodig is om in aanmerking te komen voor de hardheidsclausule. De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.