ECLI:NL:RBOBR:2026:338

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/01/420126/FT RK 25/598
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw en wezenlijke gedragsverandering

In deze zaak heeft verzoekster op 20 oktober 2025 een verzoekschrift ingediend voor de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het verzoek is behandeld op 7 januari 2026, waarbij verzoekster en verschillende hulpverleners aanwezig waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster 12 schulden had, met een totaalbedrag van € 83.672,69. Tijdens de zitting verklaarde verzoekster dat zij verschillende kredieten had aangegaan in de veronderstelling dat zij deze kon betalen, maar dat zij haar betalingsverplichtingen niet meer kon nakomen na een fout in haar belastingaangifte en een schuld aan familieleden. De rechtbank overweegt dat volgens artikel 288 lid 1 aanhef, onder b van de Faillissementswet, het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling alleen kan worden toegewezen als de schuldenaar te goeder trouw is geweest in de drie jaar voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift. De rechtbank concludeert dat verzoekster niet aan deze voorwaarde voldoet, omdat zij schulden is aangegaan zonder uitzicht op aflossing. De meeste schulden zijn ontstaan na een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin een vordering van familieleden werd vastgesteld. Verzoekster heeft ook na deze uitspraak nieuwe schulden gemaakt, wat haar gebrek aan goede trouw aantoont. Bovendien heeft zij niet aangetoond dat zij haar gedrag wezenlijk heeft veranderd, wat nodig is om in aanmerking te komen voor de hardheidsclausule. De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Toezicht
rekestnummer: C/01/420126 / FT RK 25/598
uitspraakdatum: 21 januari 2026
afwijzing toepassing schuldsanering
In de zaak van:
[naam 1] ,
geboren op [geboortedag] 1959,,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster.

1.Procesverloop

1.1.
Verzoekster heeft op 20 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 7 januari 2026. Daarbij is verzoekster gehoord. Tevens zijn ter zitting verschenen [naam 2] , maatschappelijk werker van WIJ Eindhoven, [naam 3] , beschermingsbewindvoerder, en via videoverbinding [naam 4] , schuldhulpverlener.

2.Beoordeling

de feiten
2.1.
In de bij het verzoekschrift gevoegde schuldenlijst is opgenomen dat er 12 schulden zijn met een totaalbedrag van € 83.672,69.
de verklaringen
2.2.
Op de zitting heeft verzoekster verklaard dat zij verschillende kredieten is aangegaan en aankopen heeft gedaan toen zij dacht dat zij het kon betalen. De leningen waren noodzakelijk, omdat zij vanwege een echtscheiding en een bewogen periode noodgedwongen moest verhuizen. Zij kon haar betalingsverplichtingen niet meer nakomen nadat zij per abuis een fout gemaakt had in de belastingaangifte en er vervolgens extra aanslagen over 2025 zijn opgelegd. Ook de schuld aan familieleden inzake de verdeling van een nalatenschap heeft er volgens verzoekster aan bijgedragen dat zij haar betalingsverplichtingen niet meer kon nakomen. Naar eigen zeggen heeft verzoekster zich onder bewind laten stellen om beslag op haar inkomen te voorkomen.
de overwegingen
2.3.
De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef, onder b faillissementswet (Fw) het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.
2.4.
Het is aan verzoekster om voldoende aannemelijk te maken dat zij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden.
Hierin is verzoekster naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd, omdat zij schulden is aangegaan terwijl er redelijkerwijs geen uitzicht bestond op aflossing daarvan.
Uit de schuldenlijst blijkt dat 11 van de 12 schulden korter dan drie jaar geleden zijn ontstaan. Uit het door verzoekster overgelegde arrest van het gerechtshof van 10 september 2024 blijkt dat reeds bij vonnis van 15 december 2021 de rechtbank heeft geoordeeld dat familieleden een vorderingsrecht van € 47.000,- op verzoekster hadden (het vonnis van de rechtbank is door verzoekster niet overgelegd). Alle schulden van verzoekster zijn ontstaan ná 15 december 2021, waarvan het grootste gedeelte van de schulden zijn ontstaan in 2024 en 2025. Verzoekster wist dus al in 2021 dat een grote vordering van familieleden boven haar hoofd hing. Dat zij in hoger beroep tegen het vonnis wilde, doet daar niets aan af. Bij arrest van het gerechtshof van 10 september 2024 is de vordering van de familieleden ten bedrage van € 47.000,- onherroepelijk vastgesteld. Zelfs ná 10 september 2024 heeft verzoekster willens en wetens spullen op afbetaling besteld, een vakantie geboekt, een krediet afgesloten, een staatslot gekocht en een financiering voor een huurkoop-auto aangegaan, welke schulden zij onbetaald heeft gelaten. Verzoekster had redelijkerwijs kunnen voorzien dat zij, gelet op de vordering van de familieleden, deze schulden niet kon betalen en de rechtbank rekent haar dat aan.
2.5
Daarnaast overweegt de rechtbank als volgt. Om in aanmerking te komen voor toepassing van de hardheidsclausule zal een schuldenaar moeten aantonen dat het hem/haar in minder dan drie jaar gelukt is om zijn gedrag wezenlijk te veranderen en om voor zichzelf een stabiele situatie te creëren die heel anders is dan de situatie waarin hij zich bevond op het moment dat hij/zij niet te goeder trouw handelde bij het aangaan of onbetaald laten van schulden. Een dergelijke verandering heeft verzoekster niet laten zien. Zij heeft zich weliswaar op 12 maart 2025 vrijwillig onder bewind laten stellen, echter dit heeft zij gedaan om beslag op haar inkomen te voorkomen, zo blijkt uit haar verklaring op zitting. Dit getuigt niet van een wezenlijke gedragsverandering en daarom zal de rechtbank de hardheidsclausule niet ambtshalve toepassen.
2.6.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient, gelet op het voorgaande, te worden afgewezen.

3.Beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. S.C.E.F. Moulen Janssen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 januari 2026 in tegenwoordigheid van de griffier. [1]
De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.