In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van seksueel misbruik en mishandeling van zijn twee zoons, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs was. De zaak kwam aan het licht na een aangifte door de moeder van de jongens, die in 2021 melding deed van het misbruik en de mishandeling. De verklaringen van de jongens werden als onbetrouwbaar beoordeeld, mede door het lange tijdsverloop en de omstandigheden waaronder de verklaringen waren afgelegd. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van [slachtoffer 1] over het vermeende seksueel misbruik onvoldoende betrouwbaar waren om als bewijsmiddel te dienen. Ook de verklaringen van [slachtoffer 2] over mishandeling werden niet ondersteund door ander bewijs. De rechtbank concludeerde dat de vorderingen van de benadeelde partijen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], niet-ontvankelijk moesten worden verklaard, aangezien de verdachte van de feiten was vrijgesproken. De uitspraak benadrukt de noodzaak van voldoende bewijs in zedenzaken en kindermishandeling, waar vaak weinig bewijs beschikbaar is.