ECLI:NL:RBOBR:2026:333

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
01/160662-24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van vernieling en mishandeling met bewezenverklaring van poging zware mishandeling, mishandeling en bedreiging

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 22 januari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van meerdere feiten, waaronder poging tot zware mishandeling, mishandeling, bedreiging, vernieling en wederspannigheid. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de vernieling van een bedrijfsbus en de mishandeling van een andere aangever, maar heeft hem wel schuldig bevonden aan de poging tot zware mishandeling, mishandeling en bedreiging. De feiten vonden plaats op 1 april 2024 in Eindhoven, waar de verdachte met een mes in de richting van meerdere slachtoffers heeft gezwaaid en hen heeft geslagen. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van de aangevers betrouwbaar waren en dat er voldoende bewijs was voor de bewezenverklaring van de mishandeling en bedreiging. De rechtbank heeft de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden opgelegd, evenals een taakstraf van 120 uren. Daarnaast zijn er schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen, waaronder immateriële schade voor de slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01-160662-24; 01-136389-24 (ttz. gev.); 01-264622-24 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 22 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1996] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 januari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 22 december 2025.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. 01-160662-24 feit 1:
hij op of omstreeks 1 april 2024 te Eindhoven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes in de richting van het hoofd, in elk geval het lichaam, van die zich op korte afstand van hem, verdachte, bevindende [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft gestoken en/of gezwaaid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 april 2024 te Eindhoven
[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door met een mes in de richting van het hoofd, in elk geval het lichaam, van die zich op korte afstand van hem, verdachte, bevindende [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te steken en/of te zwaaien.
T.a.v. 01-160662-24 feit 2:
hij op of omstreeks 1 april 2024 te Eindhoven [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft mishandeld door meermalen althans eenmaal met de hand in/tegen het gezicht en/of het hoofd althans het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] te slaan.
T.a.v. 01-160662-24 feit 3:
hij op of omstreeks 1 april 2024 te Eindhoven
opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
T.a.v. 01-136389-24 feit 1:
hij op of omstreeks 9 november 2023 te Eindhoven,
zich met geweld en/of bedreiging met geweld,
heeft verzet
tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] (verbalisant en hoofdagent bij de Eenheid Oost-Brabant) en/of [verbalisant 2] (verbalisant en aspirant bij de Eenheid Oost-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, te weten aanhouding van verdachte en/of het overbrengen van verdachte naar het politiebureau door
- het vastpakken van die [verbalisant 1] ;
- die [verbalisant 1] naar zich toe te trekken;
- met verdachte zijn armen tegen het lichaam van die [verbalisant 1] te duwen;
- zijn linkerarm te blijven aanspannen en zijn linkerarm te klemmen tussen verdachte zijn lichaam en het dienstvoertuig van politie voor transport naar het politiebureau;
- die [verbalisant 1] een duw te geven;
- bij het aanleggen van de transportboeien en het overbrengen van die verdachte naar het dienstvoertuig zijn armen te blijven strekken en/of aan te spannen en daarbij zich te drukken/duwen in tegenovergestelde richting van die [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] .
T.a.v. 01-136389-24 feit 2:
hij op of omstreeks 9 november 2023 te Eindhoven
opzettelijk en wederrechtelijk een bedrijfsbus met kenteken [kenteken] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.
T.a.v. 01-264622-24:
hij op of omstreeks 19 augustus 2024 te Eindhoven
[slachtoffer 4] heeft mishandeld door die [slachtoffer 4] meermaals, althans éénmaal tegen het gezicht/ hoofd en/of lichaam te slaan en/of in het gezicht/ hoofd en/of lichaam te knijpen.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
01-160662-24
De verklaringen van aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zijn betrouwbaar, nu zij op cruciale punten met elkaar overeenkomen en worden ondersteund door de uitwerking van de 112-melding en het geconstateerde letsel. Verdachte heeft voorwaardelijk opzet gehad, omdat hij gelet op het afweerletsel van [slachtoffer 3] dichtbij de aangevers stond, stekende bewegingen met het mes maakte en achter hen aan rende. Hiermee had hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangevers zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen.
Dat levert een poging tot zware mishandeling op. Gelet op de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers, kunnen de mishandeling (feit 2) en vernieling (feit 3) ook wettig en overtuigend worden bewezen.
01-136389-24
Er is geen reden om te twijfelen aan het proces-verbaal van aanhouding. Uit dit proces-verbaal blijkt dat verdachte zich tegen zijn aanhouding heeft verzet en de bedrijfsbus heeft vernield.
01-264622-24
De verklaring van aangever wordt ondersteund door het bij hem waargenomen letsel en de getuigenverklaring van [getuige] . De verklaring van verdachte dat hij zichzelf verdedigde, vindt geen steun in het dossier.
Het standpunt van de verdediging.
01-160662-24
De raadsman heeft integrale vrijspraak van alle drie de feiten bepleit, omdat moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangevers. Deze verklaringen zijn op meerdere punten innerlijk en onderling tegenstrijdig. De uitwerking van de 112-melding en het geconstateerde letsel biedt hiervoor ook geen ondersteuning. Evenmin kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van een mes.
01-136389-24
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 (wederspannigheid) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 (vernieling) heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Verdachte heeft inderdaad met zijn fiets gegooid maar heeft geen opzet gehad om de bedrijfsbus te raken of anderszins schade toe te brengen. Ook kan niet worden vastgesteld dat er enige schade is ontstaan aan het voertuig. De schades op de foto’s kunnen niet het gevolg zijn van het gooien met de fiets.
01-264622-24
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde. Volgens de getuigenverklaring van [getuige] was verdachte aan het douchen en niet aangever.
Dat verdachte iets in het Arabisch zei en het slachtoffer daarna sloeg, wordt ook door verdachte verklaard. Er kan daarmee niet worden vastgesteld dat verdachte degene was die aangever heeft geslagen. Het lijkt erop dat het juist andersom is geweest.
Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraakoverwegingen.

Vrijspraak feit 2 01-136389-24 (vernieling bedrijfsbus)
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder feit 2 in de zaak 01-136389-24 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Aangever [betrokkene] heeft namens [bedrijf] verklaard dat hij zag dat verdachte opzettelijk zijn fiets tegen een bedrijfsbus gooide en dat er schade zat op de plek waar de fiets was terechtgekomen, namelijk de voorbumper van de auto. Deze schade is door de politie niet waargenomen. In het dossier zijn foto’s gevoegd. Op deze foto’s zijn op verschillende plaatsen op de voorbumper verschillende beschadigingen te zien, waarvan echter niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat deze beschadigingen zijn veroorzaakt door het gooien met de fiets. Het is niet onaannemelijk dat deze schade is veroorzaakt door deelname aan het verkeer. In elk geval lijkt het er op dat de schade op meer dan één moment is ontstaan. Dit leidt ertoe dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de bedrijfsbus heeft vernield, omdat op basis van het dossier geen schade door het gooien van de fiets kan worden vastgesteld.
Vrijspraak 01-264622-24 (mishandeling)
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen in de zaak 01-264622-24 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Aangever heeft verklaard dat verdachte hem onder zijn oog kneep nadat hij uit de douche van de sportschool kwam. Dit strookt echter niet met de verklaring van getuige [getuige] en verdachte. Getuige [getuige] heeft namelijk verklaard dat hij zag dat het slachtoffer de douche verliet en dat de andere man hem in zijn gezicht sloeg. Volgens de verklaring van aangever is hij degene die de douche uit kwam lopen. Getuige [getuige] wijst hem dus aan als geweldpleger en verdachte aan als het slachtoffer. Verdachte heeft op zijn beurt verklaard dat hij door aangever op zijn gezicht werd geslagen. Duidelijk is dus dat er een incident heeft plaatsgevonden, maar nu de verklaringen zodanig uiteenlopen en ander (objectief) bewijs ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen of verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft verricht.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsoverwegingen.

Betrouwbaarheid verklaringen aangevers (01-160662-24)
De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangevers en overweegt daartoe het volgende.
De politie kwam op 1 april 2024 naar aanleiding van een melding ter plaatse op het Arnaudinaplein te Eindhoven. De verbalisanten zagen dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zichtbaar in paniek waren. Zij hebben toen direct verklaard dat een man met een mes op hen had ingestoken en hen ook had geslagen. Hij had een groot keukenmes vast.
Vlak na het incident, op 1 april 2024 tussen omstreeks 02:50 uur en 03:45 uur, zijn vervolgens aangevers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] door de politie gehoord.
Hoewel deze verklaringen op onderdelen niet geheel gelijkluidend zijn, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van zodanige verschillen of tegenstrijdigheden, dat de verklaringen daarom als onbetrouwbaar terzijde moeten worden gelegd. De verklaringen komen in grote lijnen en op essentiële punten
met name wat betreft de geweldshandelingen en de volgorde van de feiten zoals zij die hebben beschreven
overeen en vullen elkaar daarnaast op die punten aan. Verder heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te oordelen dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd. Zij hebben immers kort na het voorval afzonderlijk van elkaar een verklaring afgelegd.
Deze verklaringen vinden voorts in voldoende mate en op wezenlijke onderdelen steun in andere wettige bewijsmiddelen. Zo worden deze verklaringen ondersteund door het bij hen geconstateerde letsel. De rechtbank overweegt dat dit letsel past bij de feiten zoals die door aangevers zijn beschreven. Verder vinden de verklaringen van aangevers steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin de 112-melding is uitgewerkt. Hieruit blijkt dat [slachtoffer 2] direct na het incident contact opnam met de politie en aangaf dat een man hen met een mes had aangevallen. Ook zouden zij door hem zijn geslagen. Op enig moment was op de achtergrond te horen dat [slachtoffer 1] aan [slachtoffer 2] vroeg of hij was gestoken en dat zij elkaar op steekverwondingen aan het controleren waren.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte een scenario geschetst waarin aangevers degenen waren die hém hadden aangevallen. Hij zou zichzelf hebben verdedigd en hierbij geen mes hebben gebruikt. Deze verklaring vindt geen steun in het dossier en wordt juist weersproken door de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen.
De rechtbank acht het door verdachte geschetste scenario dan ook niet aannemelijk. Daarbij komt dat het argument van de verdediging dat er geen mes bij verdachte is aangetroffen geen ontlastend argument is. Verdachte is immers in zijn ouderlijke woning aangehouden en had het mes op verschillende momenten weg kunnen leggen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van
[slachtoffer 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Bij de verdere beoordeling van de feiten neemt de rechtbank deze verklaringen dan ook als uitgangspunt.
Poging tot zware mishandeling, dan wel bedreiging (feit 1, 01-160662-24)
Voor een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling is van belang of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangevers. Van vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is niet gebleken.
Van voorwaardelijk opzet is sprake als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zwaar lichamelijk letsel door zijn handelen zal intreden. Of in een concreet geval sprake is van een aanmerkelijke kans op dergelijk letsel, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.
Aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte stekende en zwaaiende bewegingen met een mes heeft gemaakt in de richting van aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] . Zij zijn hierbij niet geraakt. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op ongeveer één meter afstand van verdachte stond. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid richting welke delen van het lichaam verdachte de stekende bewegingen heeft gemaakt en hoe groot de kans was dat zij hierbij daadwerkelijk zouden worden geraakt. Daarom kan een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel niet worden vastgesteld. Hetzelfde geldt voor [slachtoffer 3] . Er is weliswaar door een arts opgeschreven dat hij een snijverwonding had aan zijn hand, maar dit zou zijn ontstaan vóór het moment dat verdachte iets uit zijn broeksband haalde. Door deze onduidelijkheid kan in elk geval niet worden vastgesteld dat het gedrag van de verdachte een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel voor [slachtoffer 3] opleverde. Het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan dus niet worden bewezen en daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling ten aanzien van aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] .
Het maken van stekende en zwaaiende bewegingen met een mes in de richting van aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , dient wel te worden opgevat als een bedreiging met zware mishandeling. Daarmee acht de rechtbank ten aanzien van deze aangevers de subsidiair ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen.
Aangever [slachtoffer 1]
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich ten aanzien van aangever [slachtoffer 1] schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte meermalen stekende bewegingen met een mes heeft gemaakt richting aangever [slachtoffer 1] . Dit betrof een groot keukenmes van ongeveer 30 centimeter. Aangever heeft zich hiertegen kunnen afweren, door een slaande beweging te maken. Uit deze omstandigheid kan worden afgeleid dat de stekende bewegingen zijn gemaakt binnen handbereik en daarmee dicht bij het lichaam van [slachtoffer 1] . De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden de aanmerkelijke kans bestond dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Daarbij komt dat aangever wegrende weg terwijl verdachte achter hem aan bleef rennen en hierbij stekende bewegingen met het mes bleef maken. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het handelen van verdachte is naar de uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte zich dit ook moet hebben gerealiseerd. Aldus staat vast dat hij de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel welbewust heeft aanvaard.
De rechtbank komt gelet op voorgaande ten aanzien van aangever [slachtoffer 1] tot een bewezenverklaring van de primair onder 1 ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.
Feit 2, 01-160662-24 (mishandeling)
Uit de verklaringen van aangevers blijkt dat zij meerdere malen door verdachte op hun gezicht en hoofd werden geslagen. Als gevolg van dit gepleegde geweld hebben aangevers pijn en letsel opgelopen, zodat de onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling ten aanzien van alle drie de aangevers bewezen kan worden verklaard.
Feit 3, 01-160662-24 (vernieling)Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij tijdens het wegrennen merkte dat hij zijn telefoon was verloren en zag dat verdachte meermalen zijn telefoon opraapte en weer met volle kracht op de grond gooide. Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zag dat verdachte
een telefoon tegen een auto en meerdere keren tegen de grond aan sloeg. Gelet hierop acht de rechtbank de onder feit 3 ten laste gelegde vernieling wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van het voorgaande, alsmede op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen, zoals opgenomen in de bijlage, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van 01-160662-24:
Ten aanzien van feit 1 primair:
op 1 april 2024 te Eindhoven
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
met een mes in de richting van het lichaam, van die zich op korte afstand van hem, verdachte, bevindende [slachtoffer 1] heeft gestoken en gezwaaid,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
op 1 april 2024 te Eindhoven
[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd
met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling,
door met een mes in de richting van het lichaam, van die zich op korte afstand van hem, verdachte, bevindende [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te steken en te zwaaien;
Ten aanzien van feit 2:
op 1 april 2024 te Eindhoven [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft mishandeld door meermalen met de hand in/tegen het gezicht en het hoofd van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te slaan;
Ten aanzien van feit 3:
op 1 april 2024 te Eindhoven
opzettelijk en wederrechtelijk een mobiele telefoon die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield.
Ten aanzien van 01-136389-24:
op 9 november 2023 te Eindhoven,
zich met bedreiging met geweld,
heeft verzet
tegen een ambtenaar, [verbalisant 1] (verbalisant en hoofdagent bij de Eenheid Oost-Brabant) en [verbalisant 2] (verbalisant en aspirant bij de Eenheid Oost-Brabant), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, te weten aanhouding van verdachte en het overbrengen van verdachte naar het politiebureau door
- het vastpakken van die [verbalisant 1] ;
- die [verbalisant 1] naar zich toe te trekken;
- met verdachte zijn armen tegen het lichaam van die [verbalisant 1] te duwen;
- zijn linkerarm te blijven aanspannen en zijn linkerarm te klemmen tussen verdachte zijn lichaam en het dienstvoertuig van politie voor transport naar het politiebureau;
- die [verbalisant 1] een duw te geven;
- bij het aanleggen van de transportboeien en het overbrengen van die verdachte naar het dienstvoertuig zijn armen te blijven strekken en aan te spannen en daarbij zich te drukken/duwen in tegenovergestelde richting van die [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal de rechtbank deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straffen.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot:
  • een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren;
  • een taakstraf voor de duur van 150 uren met aftrek, te vervangen door 75 dagen hechtenis.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de ouderdom van de feiten, het positieve reclasseringsrapport, het feit dat er geen sprake is van antecedenten en het goed lopende hulpverleningstraject van verdachte. Verdachte heeft sinds kort een eigen woning en er is zicht op dagbesteding. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit traject doorkruisen.
Het oordeel van de rechtbank.
Algemeen
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor min of meer soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en met straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De oriëntatiepunten dienen, voor zover beschikbaar, als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een vijftal feiten, te weten poging tot zware mishandeling, bedreiging, mishandeling, vernieling en wederspannigheid. Hoewel de andere feiten alleszins kwalijk zijn, ligt het zwaartepunt voor de straftoemeting in deze zaak bij de ernst van de poging tot zware mishandeling.
Verdachte heeft aangevers zonder enige aanleiding aangevallen. Hij heeft hen meermalen op het hoofd en in het gezicht geslagen. Vervolgens heeft verdachte een mes getrokken en hiermee stekende bewegingen in de richting van aangevers gemaakt. Aangever [slachtoffer 1] stond op een zodanig korte afstand van verdachte, dat hij zich heeft moeten afweren. Hierdoor ontstond er een aanmerkelijke kans dat hij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het letsel is uiteindelijk gelukkig beperkt gebleven. Door zo te handelen heeft verdachte een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van aangevers.
Ook heeft verdachte een mobiele telefoon vernield. Door zo te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van een ander en schade veroorzaakt.
Verder heeft verdachte zich verzet tegen zijn aanhouding en transport naar het politiebureau.
Dit getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag. Politieambtenaren moeten hun werkzaamheden veilig en zonder vrees voor geweld kunnen verrichten.
De persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft in de justitiële documentatie van verdachte gezien dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. Ook nadien is verdachte gedurende langere tijd niet met politie en justitie in aanraking gekomen.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 19 december 2025. Uit dit rapport volgt dat er op veel leefgebieden risicofactoren aanwezig zijn. Toch adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij acht interventies of toezicht niet nodig. Verdachte wordt op dit moment (medicamenteus) behandeld door de GGzE. Hij ontvangt begeleiding vanuit WijEindhoven en is afsprakentrouw. Zij ziet perspectief op een betere situatie. Verdachte haakt goed aan bij de vrijwillige hulpverlening en lijkt gemotiveerd om dit door te zetten. De inschatting van de reclassering is dan ook dat de hedendaags geboden zorg voldoende draagvlak biedt om het gemiddeld ingeschatte recidiverisico omlaag te brengen. De reclassering benoemt dat een gevangenisstraf dit traject zou kunnen doorkruisen, hetgeen onwenselijk wordt geacht. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag - gemiddeld. Ter terechtzitting is verder gebleken dat verdachte sinds kort een eigen woning heeft.
De op te leggen straf
Verdachte heeft ernstige feiten gepleegd, waarvan met name de poging tot zware mishandeling in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigt. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is in dit geval echter niet passend, gelet op de hierboven genoemde persoonlijke omstandigheden waaruit blijkt dat verdachte een positieve, maar nog prille ontwikkeling doormaakt. Het is in het belang van de samenleving en verdachte zelf dat deze positieve ontwikkeling niet wordt geblokkeerd of doorkruist door een straf die zou meebrengen dat verdachte wederom in detentie moet verblijven. Hierdoor zouden namelijk veel beschermende factoren wegvallen, terwijl het juist van groot belang is dat deze beschermende factoren aanwezig blijven om recidive te voorkomen. Daar is uiteindelijk de gehele maatschappij mee gediend.
Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, zal de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden opleggen en hier een proeftijd van twee jaren aan koppelen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren passend en geboden. De tijd die door verdachte in verzekering is doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van deze straf in mindering worden gebracht.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank verdachte vrijspreekt van de poging tot zware mishandeling ten aanzien van aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , de vernieling van de bedrijfsbus en de mishandeling van aangever [slachtoffer 4] . De rechtbank is van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vorderingen van de benadeelde partijen.

Het standpunt van de officier van justitie.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schade moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De gevorderde materiële schade moet niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de staat van de telefoon vóór het incident niet kan worden vastgesteld. Ook was de telefoon op dat moment inmiddels ongeveer 3,5 jaar oud.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft primair verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen af te wijzen, wegens de bepleite vrijspraken. Subsidiair heeft hij verzocht de gevorderde immateriële schadebedragen te matigen, indien een bewezenverklaring mocht volgen. Er moet immers worden getwijfeld aan de eigen rol van aangevers en de omstandigheden van het incident. Ten aanzien van de gevorderde materiële schade door benadeelde [slachtoffer 2] heeft de raadsman verzocht deze post af te wijzen dan wel te matigen. De door benadeelde gekochte nieuwe telefoon was veel duurder dan de telefoon die kapot is gegaan.
Beoordeling.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.
Op grond van artikel 6:106, sub b, van het Burgerlijk Wetboek komt de benadeelde partij onder meer een vergoeding toe voor immateriële schade als er sprake is van lichamelijk letsel. De rechtbank stelt op grond van het strafdossier en de onderbouwing van de benadeelde partij vast dat de benadeelde partij als gevolg van de poging tot zware mishandeling en mishandeling lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Alles afwegende acht de rechtbank in deze zaak het gevorderde bedrag van € 1.000,- redelijk en zal de schade naar billijkheid op dat bedrag vaststellen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 (de pleegdatum) tot de dag der algehele voldoening.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De rechtbank stelt op grond van het strafdossier en de onderbouwing van de benadeelde partij vast dat de benadeelde partij als gevolg van de mishandeling lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar billijkheid en gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare zaken wordt toegekend, vaststellen op € 500,- en de vordering voor dat deel toewijzen.
De rechtbank zal de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, omdat die in zoverre onvoldoende is onderbouwd en een nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Materiële schade
De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de gevorderde materiële schade niet-ontvankelijk verklaren, nu niet kan worden vastgesteld wat de daadwerkelijk geleden schade betreft. Op dit punt is de vordering onvoldoende onderbouwd. Zo wordt de nieuwaarde van een duurdere mobiele telefoon gevorderd, terwijl de telefoon die kapot is gegaan, ten tijde van het incident inmiddels ongeveer 3,5 jaar oud was. Ook is onduidelijk wat de staat van die telefoon op dat moment was. De restwaarde van deze telefoon kan dan ook niet worden vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat dit onderdeel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en een nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
De rechtbank stelt op grond van het strafdossier en de onderbouwing van de benadeelde partij vast dat de benadeelde partij als gevolg van de mishandeling lichamelijk letsel heeft opgelopen. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van de feiten en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) naar billijkheid en gelet op de schadevergoeding die in vergelijkbare zaken wordt toegekend, vaststellen op € 500,- en de vordering voor dat deel toewijzen.
De rechtbank zal de vordering ten aanzien van de immateriële schade voor het overige niet-ontvankelijk verklaren, omdat die in zoverre onvoldoende is onderbouwd en een nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Schadevergoedingsmaatregel.
De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot de dag der algehele voldoening. Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57, 180, 285, 300, 302, 350 Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
- spreekt verdachte vrij van het onder feit 1 primair onder parketnummer 01-160662-24 ten aanzien van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , feit 2 onder parketnummer 01-136389-24 en het geheel onder parketnummer 01-264622-24 ten laste gelegde;
- verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van 01-160662-24:
Ten aanzien van feit 1 primair:
poging tot zware mishandeling.
Ten aanzien van feit 1 subsidiair:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van feit 2:
mishandeling, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van feit 3:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.
Ten aanzien van 01-136389-24:
wederspannigheid.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt hiervoor op de volgende straffen en maatregelen:
T.a.v. 01-160662-24 feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3, 01-136389-24 feit 1:
Een
taakstrafvoor de duur van
120 urensubsidiair 60 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag inverzekeringstelling.
T.a.v. 01-160662-24 feit 1 primair, feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3, 01-136389-24 feit 1:
Een
gevangenisstrafvoor de duur van
2 maanden voorwaardelijkmet een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
T.a.v. 01-160662-24 feit 1 primair, feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
T.a.v. 01-160662-24 feit 1 primair, feit 2:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 1] , van een bedrag van 1.000,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
T.a.v. 01-160662-24 feit 1 subsidiair, feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
T.a.v. 01-160662-24 feit 1 subsidiair, feit 2:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 500,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
T.a.v. 01-160662-24 feit 1 subsidiair, feit 2:
Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :
Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 2] , van een bedrag van 500,00 euro, bestaande uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Bepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.
T.a.v. 01-160662-24 feit 1 subsidiair, feit 2:
Legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 2] , van een bedrag van 500,00 euro.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Voormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.
De vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A. Maas, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. F. Kooijman, leden,
in tegenwoordigheid van mr. S. Durmuş, griffier,
en is uitgesproken op 22 januari 2026.