ECLI:NL:RBOBR:2026:324

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
23/3166
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.2 WooArt. 6:20 AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op openbaarmaking gespreksverslagen woningbouwversnelling en schadevergoeding redelijke termijn

Eiser verzocht op grond van de Wet open overheid (Woo) om openbaarmaking van documenten, waaronder gespreksverslagen van de interne evaluatie woningbouwversnelling (WBV) I. Het college besloot deze documenten geheel of gedeeltelijk openbaar te maken, maar weigerde de gespreksverslagen openbaar te maken op grond van artikel 5.2 van de Woo. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar en tegen het besluit zelf.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat het college inmiddels een besluit had genomen. Het beroep tegen het besluit op bezwaar werd ongegrond verklaard omdat het college terecht oordeelde dat de gespreksverslagen interne beleidsopvattingen bevatten die niet openbaar behoefden te worden gemaakt. De rechtbank vond dat het college niet verplicht was om proceskosten te vergoeden omdat het primaire besluit niet was herroepen.

Eiser verzocht tevens om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn met ruim negen maanden was overschreden, maar oordeelde dat het belang van eiser niet zodanig was dat immateriële schadevergoeding op zijn plaats was. De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af, maar kende een proceskostenvergoeding toe voor het niet tijdig beslissen op bezwaar.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit op bezwaar wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/3166

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven, het college

(gemachtigden: mr. A.E.Y. Vliegenberg en [naam]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college tot (gedeeltelijke) openbaarmaking van informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiser is het hier niet mee eens. Hij vindt dat de gespreksverslagen die van de interne evaluatie WBV (woningbouwversnelling) I zijn gemaakt openbaar moeten worden gemaakt. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gespreksverslagen niet openbaar hoefde te maken. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep is dus ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 9 februari 2023 een verzoek op grond van de Woo ingediend bij het college. Eiser verzoekt om documenten die betrekking hebben op:
Ordentelijk verloop van de procedure [adres] (= participatie bij & communicatie over het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning.
Klachtafhandeling van de klachten van eiser
Hogere kosten (Woningbouw [adres] (120.000 euro nadeel))
Evaluatie Inbreidingsvisie, Woningbouwversnelling, Werkwijze beoordelen verzoeken hoogbouw en Participatie bij ruimtelijke initiatieven.
2.1.
Het college heeft met het besluit van 23 maart 2023 besloten om de gevonden documenten geheel of gedeeltelijk openbaar te maken.
2.2.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt op 5 april 2023.
2.3.
Op 28 september 2023 heeft de commissie voor de bezwaarschriften advies uitgebracht over het bezwaarschrift van eiser tegen het besluit van 23 maart 2023.
2.4.
Op 13 november 2023 heeft eiser het college in gebreke gesteld.
2.5.
Eisers voormalige gemachtigde heeft op 1 december 2023 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op eisers bezwaar.
2.6.
Met het bestreden besluit van 13 december 2023 op het bezwaar van eiser heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 23 maart 2023 in stand gelaten. Als aanvulling op de motivering heeft het college een inventarislijst toegevoegd, waarop alle gevonden documenten zijn opgenomen en per document is gespecificeerd welke documenten niet zijn verstrekt en op welke gronden en er is gespecificeerd voor de wel verstrekte documenten op grond van welke weigeringsgrond(en) de informatie in documenten is zwartgelakt.
2.7.
Eiser heeft op 11 november 2024 de rechtbank laten weten het niet eens te zijn met dit besluit op bezwaar van 13 december 2023 en zijn gronden daartegen ingediend.
2.8.
Het college heeft op deze gronden op 18 december 2024 met een verweerschrift gereageerd.
2.9.
Eiser heeft op 12 mei 2025 een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn.
2.10.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar
3. Eiser heeft op 1 december 2023 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar van 5 april 2023.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat het beroep zich richt tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser van 5 april 2023 gericht tegen het primaire besluit van 23 maart 2023, waarin is beslist op het Woo-verzoek van eiser van 9 februari 2023. Verder stelt de rechtbank vast dat het college op 13 december 2023 alsnog een besluit heeft genomen op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit). Gesteld noch gebleken is dat eiser gelet hierop nog belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaar. Het beroep is in zoverre dan ook niet-ontvankelijk.
3.2.
Omdat vaststaat dat het college niet tijdig heeft beslist op het bezwaar, heeft eiser recht op een proceskostenvergoeding. De hoogte daarvan wordt vastgesteld aan het eind van deze uitspraak. Het betaalde griffierecht is ook verschuldigd voor het volgens artikel 6:20, derde lid, van de Awb [1] ontstane beroep tegen het bestreden besluit.
Het van rechtswege ontstane beroep tegen het bestreden besluit
4. Eiser voert aan dat het college het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard, omdat hij het primaire besluit heeft herroepen en heeft vervangen door een nieuw besluit. Dit brengt met zich dat het college aan eiser ten onrechte een proceskostenvergoeding heeft onthouden.
4.1.
Een bestuursorgaan is alleen verplicht om proceskosten in bezwaar te vergoeden wanneer het primaire besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. [2] Het college heeft in eisers geval het primaire besluit niet herroepen. Er is niets veranderd aan de beslissing van het college om bepaalde stukken wel en andere stukken niet openbaar te maken. Dat het college met het bestreden besluit een inventarislijst heeft toegevoegd waarin de weigeringsgronden per document worden vermeld, kan niet als herroepen in de zin van de wet worden beschouwd. Het college was daarom niet verplicht om onder gegrondverklaring van zijn eisers bezwaar zijn proceskosten te vergoeden. Het betoog slaagt niet.
4.2
Het gaat eiser blijkens zijn beroepsgronden verder uitsluitend nog om de weigering van het college om de gespreksverslagen WBV I openbaar te maken (document met nummer 2.51). Eiser voert aan dat het college dit document ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt en dat het college ten onrechte een beroep heeft gedaan op artikel 5.2. van de Woo. De informatie die is neergelegd in dit document is voor eiser onontbeerlijk wil hij kunnen nagaan waarop de conclusies die aan deze gespreksverslagen zijn verbonden zijn gestoeld.
4.3.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Awb kennis genomen van het geweigerde document. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het hier gaat om een document dat bestemd is voor intern beraad en dat de inhoud van het document gespreksverslagen met persoonlijke beleidsopvattingen bevat waarbij ook nog opmerkingen in de kantlijn zijn gemaakt. Het gaat om een document waarin door verschillende geledingen in evaluatieve zin persoonlijke opvattingen worden gegeven over de woningbouwversnelling. De rechtbank kan het college volgen in diens standpunt dat feiten en persoonlijke beleidsopvattingen dermate met elkaar verweven zijn dat het document op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo geheel niet voor openbaarmaking in aanmerking komt.
4.4.
De rechtbank ziet in dat wat door eiser naar voren is gebracht, geen aanleiding om te oordelen dat het college gebruik had moeten maken van zijn in artikel 5.2, tweede lid, van de Woo neergelegde bevoegdheid om toch over de persoonlijke beleidsopvattingen informatie te verstrekken in een niet tot personen herleidbare vorm. Niet in geschil is dat er ook een openbare evaluatie van de woningbouwversnelling is geweest namens de gemeente en de gemeenteraad. Gelet daarop heeft het college redelijkerwijs geen gebruik hoeven te maken van zijn bevoegdheid om toch met het oog op goede en democratische bestuursvoering informatie uit het document te verstrekken. Het college heeft gelet op de openbare evaluatie, het belang om in alle vrijheid met alle (betrokken) geledingen binnen de gemeente van gedachten te kunnen wisselen en elkaar ook onderling in een voorkomend geval te kunnen bekritiseren zwaarder kunnen laten wegen dan het belang om ook die informatie openbaar te maken. Dat eiser de openbare evaluatie te mager vindt en graag een en ander willen kunnen controleren, brengt de rechtbank niet tot een andere conclusie. De beroepsgrond slaagt niet.
4.5.
Voor zover eisers beroepsgrond verder al zo moet worden opgevat, ziet de rechtbank ten slotte ook geen grond voor het oordeel dat het college toepassing had moeten geven aan artikel 5.2, derde lid, van de Woo. De rechtbank kan het college volgen in diens standpunt dat het evaluatieve document niet is opgesteld ten behoeve van formele bestuurlijke besluitvorming.
4.6.
Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het college de gespreksverslagen niet openbaar heeft hoeven te maken. Het bestreden besluit blijft daarom in stand. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond.
Verzoek om schadevergoeding
5. Eiser verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
5.1.
De behandeling van zaken als deze, waarin van een bezwaar- en beroepstermijn sprake is, mag maximaal twee jaar in beslag nemen. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door het college is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan. De redelijke termijn is in deze zaak met iets meer dan negen maanden overschreden.
5.2.
Als de redelijke termijn is overschreden, wordt in beginsel verondersteld dat de betrokkene immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Het is echter vaste jurisprudentie dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarbij de veronderstelling dat sprake is van immateriële schade in de vorm van spanning en frustratie niet gerechtvaardigd is. [3] Dit kan bijvoorbeeld wanneer het onderliggende (financiële) belang beperkt is. [4] In dat geval heeft de procedure weliswaar lang geduurd, maar volstaat de rechtbank met de erkenning daarvan. Zoals volgt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan het belang bij het voeren van procedures namelijk mede worden ingegeven door de hoop en verwachting een vergoeding van immateriële schade te verkrijgen. [5] De onderliggende zaak betreft geen belasting- of sociale zekerheidszaak maar een Woo-zaak. Juist ook daar kunnen zich vergelijkbare risico’s voordoen omdat helemaal geen belang hoeft te worden gesteld bij het indienen van een Woo-verzoek. Iedereen kan een dergelijk verzoek indienen. Niet zelden kan in die zaken nog minder dan in een financieel geschil over € 1000,- per definitie verondersteld worden dat sprake is van spanning of frustratie. De rechtbank wijst in dit verband ook op de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens waaruit volgt dat juist dat wat op het spel staat een relevante factor is in de afweging of enige immateriële schade is geleden. Daarbij geldt dat hoe meer er persoonlijk op het spel staat, hoe groter het ongemak en de onzekerheid is waaraan degene wordt blootgesteld. [6] In aanmerking genomen dat het geschil in deze zaak uitsluitend gaat om één document waarvan eiser openbaarmaking nastreeft omdat hij graag de overigens wel openbare conclusies over de woningbouwversnelling wil kunnen controleren, ziet de rechtbank aanleiding te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn met iets meer dan negen maanden is overschreden. Het persoonlijke belang dat voor eiser op het spel staat, zo dat er überhaupt al is, kan niet groter worden verondersteld dan - in vergelijkende zin - een financieel belang van € 1000,-. Voor schadevergoeding komt eiser dus niet in aanmerking.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep van eiser voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt wel een vergoeding van de proceskosten die hij in verband hiermee heeft gemaakt. Eiser krijgt hiervoor een bedrag van € 467,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit, met een wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 934,-). Het beroep tegen het besluit op bezwaar van 13 december 2023 is ongegrond. Eiser krijgt ten slotte geen schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 13 december 2023 ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt het college tot betaling van een bedrag van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.L. Verbruggen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.Zoals bijvoorbeeld in belastingzaken en sociale zekerheidszaken, wanneer het belang minder dan € 1000,- betreft en de overschrijding niet meer dan één jaar. ECLI:NL:HR:2024:853 en ECLI:NL:CRVB:2025:1591.
5.ECLI:NL:HR:2024:853, punt 3.4.2.
6.ECLI:CE:ECHR:2008:0215JUD002727803, r.o. 31.