Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3239

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/01/422728 / HA ZA 26-56
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 RvArt. 136 RvArt. 6:119 BWVerordening (EU) nr. 1215/2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing oproeping derde in procedure inzake geldleningsovereenkomsten en schadevorderingen

In deze civiele bodemzaak tussen [eiser] B.V. en VDVI c.s. staat een geschil omtrent geldleningsovereenkomsten, vaststellingsovereenkomsten en schadevorderingen centraal. Na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst op 2 december 2025 wijzigde [eiser] haar vorderingen, waaronder hoofdelijke veroordelingen en opheffing van een pandrecht. VDVI c.s. stelde tegenvorderingen in, waaronder betwisting van de geldleningsovereenkomsten, terugbetaling, schadevergoeding wegens te late levering van aandelen en betaling uit hoofde van afspraken over opbrengstdeling.

VDVI c.s. verzocht in een incident om oproeping van [A] als derde partij, omdat hun reconventionele vorderingen mede tegen hem zijn gericht. De rechtbank onderzocht eerst haar internationale rechtsmacht en bevestigde deze op grond van de gekozen forumkeuze in de overeenkomst. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat een reconventionele vordering in beginsel alleen tegen de eiser in conventie kan worden ingesteld, en dat een uitzondering slechts geldt bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding.

De rechtbank concludeerde dat de vorderingen tegen [A] niet samenhangen met de vorderingen in conventie en dat de grondslagen verschillen, waardoor de proceseconomie niet wordt gediend met gezamenlijke behandeling. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot oproeping van [A] af en veroordeelde VDVI c.s. in de proceskosten van het incident. De zaak wordt op 27 mei 2026 opnieuw op de rol gezet voor beraad over een mondelinge behandeling.

Uitkomst: Het verzoek tot oproeping van een derde partij wordt afgewezen en VDVI c.s. worden veroordeeld in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/422728 / HA ZA 26-56
Vonnis van 13 mei 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
verwerende partij in incident,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.G.J. de Haan,
tegen

1.VDVI B.V.,

te Apeldoorn,
hierna te noemen: VDVI,
2.
[gedaagde],
te [plaats] ( [land] ),
3.
[gedaagde],
te [plaats] ( [land] ),
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: VDVI c.s.,
advocaat: mr. D.D. Nijkamp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en het herstelexploot van 5 november 2025
- de akte eiswijziging tevens rectificatie dagvaarding van 28 januari 2026
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende incidenteel verzoek tot oproeping van een derde in het geding ex artikel 118 Rv Pro en eis in reconventie van 25 maart 2026
- de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 118 Rv Pro.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

in de hoofdzaak

2.1.
Nadat [eiser] VDVI c.s. heeft gedagvaard, hebben [eiser] en VDVI op 2 december 2025 een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vso) gesloten. Als gevolg van de vso heeft [eiser] haar vordering gewijzigd. Zij vordert (in conventie), voor zover in dit incident van belang:
- veroordeling van VDVI:
(I) om een bedrag van € 7.797.806,- te betalen,
(II) om een bedrag van € 442.608,- te betalen,
(I) en (II) tot een maximum van € 8.240.414,-, waarbij (I) te vermeerderen met de contractuele rente en boeterente en (II) te vermeerderen met de wettelijke rente,
(IV) om het ten gunste van Platinum Palm Limited gevestigde pandrecht op de aandelen in Oosterhout Beneluxweg B.V. op te heffen en daarvan bewijs te verstrekken,
en
- hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] :
(V) om aan [eiser] te betalen al hetgeen VDVI uit hoofde van de Eerste Lening aan [eiser] verschuldigd is, primair € 8.240.414,- en subsidiair € 7.797.806,-, te vermeerderen met verdere contractuele rente, boeterente en/of wettelijke handelsrente.
[eiser] legt aan haar vorderingen het volgende te grondslag: aan de vordering onder (I) geldleningsovereenkomsten met VDVI, aan haar vordering onder (II) de met VDVI op 25 maart 2021 gesloten vaststellingsovereenkomst, aan haar vordering onder (IV) de vso en aan haar vordering onder (V) borgtochten van [gedaagden] (met betrekking tot de geldleningsovereenkomsten).
2.2.
VDVI c.s. hebben tegenvorderingen ingesteld. Zij vorderen (in reconventie), voor zover in dit incident van belang:
III voor recht te verklaren dat de schriftelijke ‘leningsovereenkomsten’ waarop [eiser] zich beroept (producties 5, 6 en 7 bij dagvaarding) niet de overeenkomsten tussen partijen weergeven,
IV veroordeling van [eiser] tot terugbetaling aan VDVI van € 500.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente,
V hoofdelijke veroordeling van [eiser] en [A] tot vergoeding van de schade die VDVI heeft geleden als gevolg van de te late levering van de Ebusco-aandelen, welke schade wordt begroot op € 1.638.360,-, althans op € 34.723.810,-, te vermeerderen met de wettelijke rente,
VI hoofdelijke veroordeling van [eiser] en [A] tot betaling aan VDVI, althans
aan [gedaagde] en [gedaagde] van een bedrag van € 5.000.000,- uit hoofde van de tussen partijen gemaakte afspraken tot gelijke deling van de opbrengsten van de Pondus-transactie, te vermeerderen met de wettelijke rente.
VDVI c.s. leggen aan hun vorderingen onder III en IV geldleningsovereenkomsten met [eiser] en de vso ten grondslag. De vordering onder V is erop gebaseerd dat [eiser] de Ebusco-aandelen te laat aan VDVI heeft geleverd, dat VDVI daardoor schade heeft geleden, dat [eiser] die schade moet vergoeden en dat [A] als bestuurder van [eiser] hoofdelijk voor die schade aansprakelijk is. Aan de vordering onder VI hebben VDVI c.s. ten grondslag gelegd dat partijen hebben afgesproken dat ze de opbrengsten van de Pondus-transactie 50/50 zouden delen en dat [A] en/of [eiser] (waarschijnlijk middels de aan [A]
gelieerde vennootschap [B] B.V.) € 10 miljoen méér heeft ontvangen dan aan VDVI is meegedeeld.
in het incident
2.3.
VDVI c.s. vorderen in het incident dat hen wordt toegestaan om [A] (hierna: [A] ) op te roepen in deze procedure. Zij stellen daartoe dat hun reconventionele vorderingen niet alleen zijn gericht tegen [eiser] , maar ook tegen [A] . Om de reconventionele vorderingen ook jegens [A] geldend te kunnen maken, moet hij eerst in dit geding worden betrokken. Daar is ook alle aanleiding toe. Nu deze vorderingen voortvloeien uit dezelfde feiten en rechtsverhouding als de vorderingen in conventie en daarmee nauw samenhangen, is de proceseconomie namelijk gediend met een gezamenlijke behandeling in één procedure, aldus VDVI c.s.
2.4.
[eiser] voert gemotiveerd verweer.
2.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
Omdat dit geschil, gelet op de woonplaatsen van partijen, een internationaal karakter heeft, moet eerst worden onderzocht of aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.
3.2.
De rechtbank oordeelt dat zij op grond van artikel 25 aanhef Pro en sub a Verordening Brussel I-bis [1] bevoegd is, omdat partijen de bevoegde rechter te ’s-Hertogenbosch hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen met betrekking tot de door hen gesloten geldleningsovereenkomsten. Zowel in conventie als in reconventie is (onder meer) een geschil met betrekking tot de geldleningsovereenkomsten tussen partijen aan de orde.
in het incident
3.3.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 136 Rv Pro volgt dat een reconventionele vordering enkel ingediend kan worden tegen de (materiële) eisende procespartij(en) in conventie. Alleen [eiser] is eiseres in conventie in de onderhavige procedure en in beginsel kunnen dus alleen tegen haar reconventionele vorderingen worden ingediend.
3.4.
Afwijking van de regel van artikel 136 Rv Pro is slechts in enkele gevallen mogelijk. Indien over een processueel ondeelbare rechtsverhouding wordt geprocedeerd, moeten alle bij de rechtsverhouding betrokkenen, zo nodig met toepassing van artikel 118 Rv Pro, in de procedure worden betrokken (Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:810). Gesteld noch gebleken is dat in dit geval (voor wat betreft de vorderingen onder V en VI in reconventie) sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
3.5.
Uit de rechtspraak volgt dat een gedaagde jegens wie een vof uitsluitend op eigen naam een vordering heeft ingesteld en die een eis in reconventie wenst in te stellen (mede) tegen een of meer afzonderlijke vennoten van die vof, de rechter kan verzoeken de gelegenheid te geven op de voet van artikel 118 Rv Pro die vennoot of vennoten in het geding te betrekken. Voor het geven van die gelegenheid zal aanleiding kunnen bestaan indien sprake is van samenhangende vorderingen in conventie en reconventie en de proceseconomie gediend is met afdoening van die vorderingen in dezelfde procedure (Hoge Raad 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:485).
3.6.
Gelet op de vorderingen in conventie en in reconventie en de grondslagen daarvoor zoals vermeld onder 2.1 en 2.2, oordeelt de rechtbank als volgt. De vordering onder VI in reconventie over de gestelde afspraak met betrekking tot de 50/50 verdeling van de opbrengsten van de Pondus-transactie, die mede is ingediend tegen [A] , hangt niet samen met de vorderingen in conventie. Ook de vordering onder V in reconventie over de gestelde te late levering van de Ebusco-aandelen, die mede is ingediend tegen [A] , hangt niet samen met de vorderingen in conventie. Dat vordering II in conventie ziet op betaling van het agio in Ebusco Holding B.V. (op grond van de met VDVI op 25 maart 2021 gesloten vaststellingsovereenkomst), maakt dit niet anders. Het gaat er niet om dat de vorderingen in conventie en in reconventie voortvloeien uit hetzelfde feitencomplex, zoals VDVI c.s. wel stellen, maar de vorderingen in conventie en in reconventie moeten samenhangen, en daarvan is in het geval van de betreffende vorderingen V en VI in reconventie geen sprake. Bovendien is de schadevordering (V in reconventie) ten aanzien van [A] gebaseerd op een andere grondslag (bestuurdersaansprakelijkheid) dan ten aanzien van [eiser] (toerekenbare tekortkoming), zodat ook om die reden de proceseconomie niet is gediend met afdoening in dezelfde procedure.
3.7.
Uit het voorgaande volgt dat de incidentele vordering om [A] te mogen oproepen in deze procedure wordt afgewezen.
3.8.
VDVI, [gedaagde] en [gedaagde] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] in het incident worden begroot op:
- salaris advocaat € 653,00 (1 punt × tarief II)
- nakosten
€ 189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 842,00
3.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.10.
De veroordeling voor de proceskosten wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent
dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een
deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan eiseres.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt VDVI, [gedaagde] en [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten in het incident van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als VDVI, [gedaagde] en [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
veroordeelt VDVI, [gedaagde] en [gedaagde] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
27 mei 2026voor beraad rolrechter over het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).