Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:3070

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
25/2899
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:12 AwbArt. 6:20 AwbArt. 111 WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen en bezwaar WIA-aanvraag

Eiseres heeft het UWV verzocht haar WIA-aanvraag in te trekken en bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 januari 2025 waarin het UWV haar aanvraag niet verder in behandeling nam vanwege het niet verschijnen op het spreekuur van de verzekeringsarts. Zij stelde het UWV in gebreke wegens het niet tijdig beslissen en stelde vervolgens beroep in tegen het uitblijven van een besluit.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek tot intrekking geen aanvraag is in de zin van de Awb, omdat het geen extern rechtsgevolg beoogt. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op dit verzoek is daarom niet-ontvankelijk. Daarnaast is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiseres het UWV te vroeg in gebreke stelde, voordat de beslistermijn was verstreken.

Ten slotte heeft het UWV op 2 december 2025 een besluit genomen op het bezwaar, maar de rechtbank stelt vast dat eiseres onvoldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. Haar belang is niet actueel of reëel omdat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering en het resultaat van het beroep feitelijk geen betekenis heeft. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar wordt daarom eveneens niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen en tegen de beslissing op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan aanvraag en onvoldoende procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2899

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. E. Lipman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiseres heeft ingesteld, omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar verzoek en haar bezwaar van 30 juli 2025. Eiseres heeft verzocht om intrekking van haar WIA [1] -aanvraag van 20 juli 2024 en subsidiair heeft zij bezwaar gemaakt tegen het besluit van 24 januari 2025.
1.1.
Eiseres heeft het UWV op 24 september 2025 in gebreke gesteld voor het niet op tijd beslissen op haar verzoek. Zij heeft het UWV op 11 oktober 2025 in gebreke gesteld voor het niet op tijd beslissen op haar bezwaar.
1.2.
Eiseres heeft op 29 oktober 2025 beroep ingesteld.
1.3.
Het UWV heeft verweer gevoerd. Eiseres heeft daarop gereageerd.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
Het verzoek om intrekking van de WIA-aanvraag
3. Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder een aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. Een besluit is een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. [3] Een rechtshandeling moet gericht zijn op extern rechtsgevolg, wil een rechtshandeling als een besluit worden aangemerkt. Een beslissing heeft rechtsgevolg als zij erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen of de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van eiseres niet kan worden aangemerkt als een aanvraag. Eiseres heeft met dat verzoek aan het UWV laten weten dat zij niet wil dat het UWV de aanvraag verder behandelt. Het UWV heeft eiseres echter al met het besluit van 24 januari 2025 laten weten dat haar aanvraag niet verder in behandeling wordt genomen, omdat zij niet op het spreekuur met de verzekeringsarts is verschenen. Met dit besluit is duidelijk dat geen WIA-beoordeling meer zal plaatsvinden. Niet valt in te zien welk rechtsgevolg het verzoek van eiseres om intrekking van de WIA-aanvraag nog kan hebben en wat zij nog wil bereiken met dit beroep niet tijdig beslissen. Zo’n beroep is er namelijk op gericht het bestuursorgaan ertoe te bewegen om een beslissing op een aanvraag of bezwaarschrift te nemen. Uit het beroepschrift van eiseres maakt de rechtbank op dat zij juist geen beslissing op de aanvraag wil. Eiseres heeft in dat opzicht ook gekregen wat zij wilde met het besluit van 24 januari 2025, namelijk dat haar recht op een WIA-uitkering niet wordt beoordeeld. Het uitblijven van een reactie van het UWV op het verzoek om intrekking is dan ook niet gelijk te stellen met een besluit. Om deze redenen kan ook geen beroep worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
Het bezwaar tegen het besluit van 24 januari 2025
4. Met het besluit van 24 januari 2025 heeft het UWV geweigerd een beslissing te nemen over de WIA-aanvraag van eiseres. Eiseres is namelijk niet op het gesprek met de arts gekomen en daardoor heeft het UWV onvoldoende gegevens om een beslissing te nemen over haar aanvraag.
4.1.
Eiseres heeft op 30 juli 2025 bezwaar gemaakt tegen dat besluit. Met de brief van 27 oktober 2025 heeft het UWV de ontvangst op 30 juli 2025 bevestigd. In die brief staat dat het UWV uiterlijk op 28 oktober 2025 moet beslissen en dat is juist. Op grond van artikel 111 van Pro de WIA geldt namelijk een beslistermijn van dertien weken. Het UWV heeft de beslistermijn met een tweede brief van 27 oktober 2025 verlengd met zes weken. Het UWV heeft dat dus op tijd gedaan en hij had daarvoor geen toestemming van eiseres nodig.
4.2.
Eiseres heeft het UWV op 11 oktober 2025 in gebreke gesteld. Op dat moment was de beslistermijn nog niet verstreken. Eiseres heeft het UWV dus te vroeg in gebreke gesteld. Daarom werd op het moment van het instellen van beroep niet voldaan aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Dat betekent dat eiseres nog geen beroep kon instellen. Het gevolg is dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is.
Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 2 december 2025
5. Met het besluit van 2 december 2025 heeft het UWV een beslissing genomen op het bezwaar. Het UWV heeft de grondslag van het besluit aangepast. De aanspraken voortvloeiend uit de WIA blijven buiten aanmerking voor zolang het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld.
5.1.
Ondanks dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk is, is artikel 6:20, derde lid, van de Awb wel van toepassing. Het UWV heeft alsnog een besluit genomen en komt met dat besluit niet aan het beroep van eiseres tegemoet. Eiseres blijft er immers bij dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat zij de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt. Aanspraken die juridisch niet kunnen ontstaan, kunnen volgens haar ook niet buiten aanmerking worden gelaten. Haar beroep richt zich dus ook tegen de beslissing op bezwaar.
5.2.
De rechtbank moet eerst ambtshalve beoordelen of eiseres voldoende belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de beslissing op bezwaar. Er is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat eiseres met het indienen van beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor haar feitelijke betekenis kan hebben. Dat betekent dat er aanleiding is om het beroep inhoudelijk te beoordelen als eiseres daarbij een actueel en reëel belang heeft. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet voldoende procesbelang heeft. De rechtbank begrijpt uit de stellingen van eiseres dat zij vindt dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering. Omdat het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld, heeft het UWV ook geen WIA-uitkering aan eiseres toegekend. In het geval de rechtbank eiseres zou volgen en in beroep zou vaststellen dat zij geen recht heeft op een WIA-uitkering, dan zou dat resultaat feitelijk geen betekenis hebben. In die situatie wordt er immers nog steeds geen WIA-uitkering aan haar toegekend. Eiseres heeft tijdens de zitting gesteld dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep omdat de WIA-aanvraag is gekoppeld aan haar latere WIA-aanvraag van 11 mei 2025. Het UWV heeft desgevraagd aangegeven dat die koppeling er niet is. De rechtbank ziet daarin dan ook geen procesbelang. In het verzoek om schadevergoeding is naar het oordeel van de rechtbank ook geen procesbelang gelegen, want dat verzoek heeft eiseres onvoldoende concreet gemaakt en niet onderbouwd. Eiseres heeft daardoor niet aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk schade is geleden.
5.4.
Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 2 december 2025 niet inhoudelijk beoordeelt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 2 december 2025 is ook niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat daarom geen aanleiding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat het UWV het griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 2 december 2025 niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
N. Verhoeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
2.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3.Artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.