ECLI:NL:RBOBR:2026:301

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25/3429
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen sluiting van woning op grond van de Opiumwet

In deze zaak verzoekt verzoekster om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat haar woning voor drie maanden wordt gesloten op basis van de Opiumwet. De burgemeester van de gemeente Land van Cuijk heeft besloten om de woning te sluiten vanwege overtredingen van de Opiumwet door verzoeksters zoon. De voorzieningenrechter heeft op 22 januari 2026 geoordeeld dat de sluiting van de woning op dit moment niet een passende maatregel is om het doel van de burgemeester, het voorkomen van herhaling, te bereiken. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat er alternatieve, minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn, zoals het opleggen van een last onder dwangsom. De belangenafweging valt in het voordeel van verzoekster uit, en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen. De burgemeester moet het griffierecht aan verzoekster terugbetalen en vergoedt haar proceskosten tot een bedrag van € 1.868,–. De uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3429

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] uit [woonplaats] (hierna: verzoekster)

(gemachtigde: mr. E. Yilmaz)
en

de burgemeester van de gemeente Land van Cuijk (hierna: de burgemeester)

(gemachtigde: mr. Y.M.G.M. van Riet).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om verzoeksters woning drie maanden te sluiten. Verzoekster is het daar niet mee eens. Zij verzoekt de voorzieningenrechter om dit besluit te schorsen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter. De rechtbank mag daarom in een eventuele beroepszaak anders oordelen.
1.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het besluit van de burgemeester geschorst
moet worden. Dat betekent dat de woning voorlopig niet gesloten mag worden. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat wat er voorafging aan het
verzoek om een voorlopige voorziening. De beoordeling door de voorzieningenrechter volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de voorzieningenrechter en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 26 november 2025 heeft de burgemeester op grond
van artikel 13b, eerste lid, onder a, van de Opiumwet besloten dat
verzoeksters woning aan de [adres] (hierna: de woning) op donderdag 11 december 2025 voor de duur van drie maanden zal worden gesloten. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt bij de burgemeester en de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De burgemeester heeft laten weten dat zij wil wachten met het sluiten van de woning tot de voorzieningenrechter een uitspraak heeft gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.
2.2.
Met een verweerschrift heeft de burgemeester gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op
8 januari 2026 op een zitting behandeld. Verzoekster en haar gemachtigde zijn naar de zitting gekomen. De gemachtigde van de burgemeester heeft via een beeldverbinding aan de zitting deelgenomen.

Wat ging er vooraf aan het verzoek om een voorlopige voorziening?

3. Verzoekster is eigenaresse en bewoonster van de woning. Haar zoon – [naam] (hierna: [zoon] ), geboren op [geboortedag] 1999 – woonde ook in de woning, maar dat is volgens verzoekster sinds 1 september 2025 niet meer zo.
3.1.
Uit een bestuurlijke rapportage van de politie van 22 november 2025 blijkt dat [zoon] de afgelopen vijf jaar meerdere keren de Opiumwet heeft overtreden en dat de burgemeester hem op 23 juli 2024 met een brief heeft gewaarschuwd geen strafbare feiten, waaronder handel in verdovende middelen, meer te plegen. Verder blijkt daaruit dat de politie [zoon] slaapkamer in de woning op 27 augustus 2025 heeft doorzocht. Tijdens die doorzoeking heeft de politie op verschillende plekken in die slaapkamer het volgende gevonden:
 € 15.820,– € 15.820,– contant geld;
 € 15.820,– 28,7 gram 2-mmc;
 € 15.820,– 1,3 gram cocaïne;
 € 15.820,– 79,3 gram hasjiesj;
 € 15.820,– digitale weegschaal en
 € 15.820,– gripzakjes.
3.2.
Met brieven van 20 oktober 2025 heeft de burgemeester verzoekster en [zoon] op de hoogte gebracht van haar voornemen om de woning voor zes maanden te sluiten. Hierop heeft verzoekster tijdens een zienswijzegesprek op 6 november 2025 haar zienswijze gegeven. Zij heeft toen ook haar schriftelijke zienswijze en die van [zoon] overgelegd. Op 11 november 2025 heeft verzoekster haar zienswijze aangevuld.
3.3.
Hierna heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen, waartegen verzoekster bezwaar heeft gemaakt.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze zaak aan de hand verzoeksters gronden of het
bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Als het bestreden besluit wordt geschorst, mag de burgemeester de woning in elk geval niet sluiten voordat zij een besluit op het bezwaar heeft genomen. Bij haar beoordeling houdt de voorzieningenrechter rekening met de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 28 augustus 2019 [1] (de zogenoemde overzichtsuitspraak), 2 februari 2022 [2] en 6 juli 2022 [3] . In de twee uitspraken uit 2022 heeft de Afdeling de uitspraak uit 2019 genuanceerd. Op 16 juli 2025 [4] heeft de Afdeling een nieuwe overzichtsuitspraak gedaan waar de voorzieningenrechter ook rekening mee houdt.
5. De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat tijdens de zitting is komen vast te staan
dat verzoekster niet betwist dat de burgemeester bevoegd is om de woning te sluiten. De voorzieningenrechter zal daarom alleen beoordelen of de burgemeester ook gebruik mocht maken van die bevoegdheid. In dat verband zal de voorzieningenrechter bezien of sluiting van de woning voor drie maanden evenredig is. De vraag die dan moet worden beantwoord is of sluiting van de woning (voor drie maanden) op dit moment nog een passende maatregel is om het daarmee beoogde doel van de burgemeester te bereiken, óf dat dat doel ook kan worden bereikt met een minder zware maatregel. Ter zitting geeft de burgemeester aan dat het (resterende) doel van de sluiting het voorkomen van herhaling is. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat sluiting van een woning in het algemeen wel een geschikte maatregel is om herhaling van een overtreding als hier aan de orde te voorkomen. De vraag is echter of een sluiting van de woning op dit moment nog wel een noodzakelijke en evenwichtige herstelmaatregel is.
6. Vervolgens stelt de voorzieningenrechter vast dat de burgemeester in haar beleid [5] heeft
bepaald dat als er voor een eerste keer een handelshoeveelheid harddrugs in een woning wordt gevonden, een waarschuwing kan worden gegeven, een last onder dwangsom kan worden opgelegd óf de woning voor maximale zes maanden kan worden gesloten. Uit het beleid blijk echter niet in welke situatie de burgemeester voor welke maatregel kiest. Daarom zal de burgemeester in haar besluiten waarin dit beleid een rol speelt duidelijk moeten motiveren waarom zij in een bepaalde situatie voor een bepaalde maatregel kiest.
6.1.
De burgemeester heeft er in dit geval niet voor gekozen om verzoekster bijvoorbeeld een waarschuwing te geven of een last onder dwangsom op te leggen – wat volgens het beleid wel kan –, maar zij heeft ervoor gekozen de woning voor drie maanden te sluiten. Tijdens de zitting heeft de burgemeester gezegd dat zij hiervoor heeft gekozen om te voorkomen dat de overtreding nogmaals zal worden herhaald. De burgemeester wijst er daarbij op dat [zoon] nog steeds staat ingeschreven op het adres van de woning en er van hem geen ander woon- of verblijfadres bekend is. Volgens de burgemeester is de kans daarom groot dat [zoon] op enig moment weer terugkomt in de woning, zoals dat al twee keer eerder is gebeurd nadat hij de woning had verlaten. Daarbij vindt de burgemeester ook van belang dat [zoon] de laatste jaren meerdere keren de Opiumwet heeft overtreden en dus diverse antecedenten op dat gebied heeft. Tijdens de zitting heeft de burgemeester aangevuld dat zij van de politie heeft gehoord dat [zoon] ook nadat de politie op 27 augustus 2025 tijdens de doorzoeking van zijn slaapkamer hard- en softdrugs en aanverwante artikelen heeft gevonden en nadat hij op 1 september 2025 uit de woning zou zijn vertrokken, in december 2025 weer is betrapt toen hij op straat harddrugs verhandelde.
6.2.
De voorzieningenrechter vindt dat, gelet op wat er in het verleden is gebeurd en zeker gelet op het feit dat [zoon] (mogelijk) in december 2025 de Opiumwet weer heeft overtreden, niet kan worden gezegd dat er geen enkele kans op herhaling van de overtreding is. Wel merkt de voorzieningenrechter op dat de overtreding in december 2025 geen relatie had met de woning, omdat [zoon] de drugs niet in de buurt van de woning verhandelde. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat nadat de politie de diverse drugs op 27 augustus 2025 in de woning heeft gevonden zo’n drie maanden zijn verstreken voordat de burgemeester op 26 november 2025 het bestreden besluit heeft genomen. Op de datum van de voorgenomen sluiting zal er zelfs nog meer tijd zijn verstreken.
6.3.
De voorzieningenrechter snapt dat de burgemeester zich zorgen maakt over een mogelijke herhaling van de overtreding. Gebleken is echter dat toen verzoekster tijdens twee eerder door haar uitgevoerde controles van [zoon] slaapkamer drugs vond, zij uit zichzelf maatregelen tegen [zoon] heeft genomen en dit ook eerlijk heeft verteld tegen de burgemeester. Dat dit haar nu door de burgemeester wordt tegengeworpen, vindt de voorzieningenrechter niet redelijk. Verder vindt de voorzieningenrechter van belang om op te merken dat de burgemeester [zoon] weliswaar heeft gewaarschuwd en hem later een last onder dwangsom heeft opgelegd van wege straathandel in drugs, maar verzoekster daarvan niet op de hoogte heeft gebracht. Zij kon daarvan dan ook niet op de hoogte zijn. Ook heeft de burgemeester verzoekster zelf geen waarschuwing gegeven. Tot slot hecht de voorzieningenrechter eraan om op te merken dat verzoekster steeds heeft gezegd dat zij [zoon] per 1 september 2025 uit de woning heeft gezet en dat zij duidelijk heeft gemaakt wat zij heeft gedaan om [zoon] formeel uit te schrijven van het adres van de woning. Hieruit blijkt dat verzoekster eraan wil meewerken om [zoon] formeel uit te schrijven. Tijdens de zitting heeft de burgemeester hierover gezegd dat zij van sluiting van de woning wil afzien als blijkt dat [zoon] formeel niet meer op het adres van de woning staat ingeschreven.
6.4.
Dit alles in onderlinge samenhang bezien, maakt dat de voorzieningenrechter er niet van overtuigd is dat sluiting van de woning op dit moment nog een passende maatregel is om het daarmee beoogde doel van de burgemeester – voorkomen van herhaling – te bereiken. Met het opleggen van een last onder dwangsom kan dat doel bijvoorbeeld ook op een minder ingrijpende manier worden bereikt.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van
verzoekster uitvalt. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen en het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op het bezwaar. Dat betekent dat de burgemeester de woning in elk geval tot dan niet mag sluiten.
8. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toewijst,
moet de burgemeester het griffierecht aan verzoekster terugbetalen en krijgt verzoekster ook een vergoeding voor haar proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,– (2 punten met een waarde per punt van € 934,–) omdat verzoeksters gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
 schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van het besluit op het bezwaar;
 draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 194,– aan verzoekster terug te betalen;
 veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.868,–, te betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De uitspraak is geschied in het openbaar op 22 januari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen (hoger) beroep of verzet open.

Voetnoten

5.Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Land van Cuijk