Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:281

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
82.276330.22
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Officier van justitie niet ontvankelijk wegens ontbonden vennootschap

De rechtbank Oost-Brabant behandelde de zaak tegen een buitenlandse vennootschap die werd verdacht van het opzettelijk verstrekken van valse en onvolledige gegevens aan de Belastingdienst in de periode van januari tot oktober 2019. De tenlastelegging betrof het niet opnemen van transacties en dividenduitkeringen in een overzicht van een bankrekening bij HSBC Hong Kong, waardoor te weinig belasting werd geheven.

Tijdens de terechtzitting op 19 december 2025 bracht de verdediging naar voren dat de vennootschap per 16 augustus 2024 was ontbonden en dat deze ontbinding op 10 januari 2025 officieel was gepubliceerd via de Gazette Notice van Hong Kong. De vervolging was aangevangen op 22 augustus 2025, toen de dagvaarding aan de bestuurder werd betekend, wat na de officiële ontbindingsdatum was.

De rechtbank oordeelde dat een ontbonden rechtspersoon niet kan worden vervolgd indien de vervolging na de bekendmaking van de ontbinding aanvangt. Daarom verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van de vennootschap.

Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant op 20 januari 2026.

Uitkomst: De officier van justitie is niet ontvankelijk verklaard in de vervolging van de ontbonden vennootschap.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

[82.276330.22]
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team Strafrecht
Parketnummer: 82.276330.22
Datum uitspraak: 20 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

gevestigd te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 december 2025 en 7 januari 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 augustus 2025. Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij
1.
op een of meer tijdstippen in of omstreeks 15 januari 2019 tot en met 21 oktober 2019 in Someren, in elk geval in Nederland, (telkens) als degene(n) die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan, deze (telkens) opzettelijk in valse en/of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking heeft gesteld door een overzicht van transacties voor de USD-rekening van de bankrekening van [verdachte] bij de HSBC Bank te Hong Kong (DOC-008, p. 2-10) ter beschikking te stellen aan (een ambtenaar van) de Belastingdienst, bestaande de valsheid/valsheden erin dat in dat overzicht transacties en/of dividend(uitkeringen) aan [medeverdachte] en/of aan [persoon] niet zijn opgenomen en/of zijn verwijderd, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven;
2.
op een of meer tijdstippen in of omstreeks 15 januari 2019 tot en met 21 oktober 2019 in Someren, in elk geval in Nederland, (telkens) als degene die ingevolge de belastingwet verplicht was tot het verstrekken van inlichtingen en/of gegevens en/of aanwijzingen, deze inlichtingen en/of gegevens en/of aanwijzingen (telkens) opzettelijk niet en/of onjuist en/of onvolledig heeft verstrekt en/of doen/laten verstrekken door — zakelijk weergegeven — op (het) schriftelijke verzoek van de Belastingdienst (telkens) geen en/of onjuiste en/of onvolledige inlichtingen en/of gegevens en/of aanwijzingen te verstrekken en/of doen/laten verstrekken aan (een ambtenaar van) de Belastingdienst, bestaande die onjuistheid en/of onvolledigheid hierin dat op het overzicht van transacties voor de USD-rekening van de bankrekening van [verdachte] bij de HSBC Bank te Hong Kong (DOC-008, p. 2-10) transacties en/of dividend (uitkeringen) aan [medeverdachte] en/of aan [persoon] en/of omzetboekingen niet staan opgenomen en/of zijn verwijderd, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven.

De formele voorvragen.


De geldigheid van de dagvaarding.
De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.
Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Ter terechtzitting van 19 december 2025 heeft de verdediging een tweetal stukken overgelegd waaruit blijkt dat [verdachte] per 16 augustus 2024 is ontbonden en dat deze ontbinding op 10 januari 2025 via de Gazette Notice, het officiële medium waarop de mededelingen van het Bestuur van Hong Kong worden gepubliceerd, bekend is gemaakt.
Een ontbonden rechtspersoon kan worden vervolgd als de vervolging is aangevangen vóór de datum waarop bekend is geworden dat de rechtspersoon is ontbonden. De vervolging neemt een aanvang door het betrekken van een strafrechter bij de zaak. Uit de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting van 19 december 2025 blijkt dat de vervolging van verdachte is aangevangen op 22 augustus 2025, de dag dat de dagvaarding van verdachte aan haar bestuurder [medeverdachte] in persoon is betekend. Deze datum ligt na 10 januari 2025, de datum waarop de ontbinding van [verdachte] via de officiële kanalen van het Bestuur van Hong Kong bekend is gemaakt.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in de vervolging van verdachte.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging van verdachte.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. G.M. Blanken, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. I. el Mourabit, leden,
in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,
en is uitgesproken op 20 januari 2026.