Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen
[naam],uit [vestigingsplaats],
Samenvatting
Procesverloop
1 augustus 2024.
20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eisers en het college en [naam] namens de derde-partij met de gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
- De derde-partij heeft een varkenshouderij. Zij houdt dekberen ten behoeve van kunstmatige inseminatie en een aantal honden voor haar fokkerij aan de [adres] te [vestigingsplaats].
- Op 19 juni 1978 is een Hinderwetvergunning verleend voor een veehouderij met een heel andere veebezetting op dezelfde locatie. Hierbij vond een emissie van NH3 (ammoniak) plaats van 535,2 kg per jaar en een emissie van NOx (stikstofoxiden) van 3,6 kg per jaar.
- In 2001 is een milieuvergunning verleend voor het houden van 228 dekberen met een hogere ammoniakemissie. In de praktijk worden de dekberen in ruime hokken op stro gehouden. De ammoniakemissie is daardoor ook lager. Voor dekberen is echter geen aparte categorie in de Rav opgenomen, omdat er maar enkele van dit soort bedrijven zijn in Nederland.
- De derde-partij heeft een natuurvergunning aangevraagd voor het wijzigen van de stallen 4 en 5. Deze stallen zullen worden aangesloten op een emissiearm stalsysteem (OW 2009.12.V1): een gecombineerd luchtwassysteem met een watergordijn en een biologische wasser. In de bijlage bij de Rav wordt ervan uitgegaan dat de ammoniakemissie door dit systeem met 85% wordt gereduceerd. In de aangevraagde situatie is sprake van een ammoniakemissie van 302,0 kg per jaar en een emissie van stikstofoxiden van 347,5 kg per jaar. In de aangevraagde situatie is dus sprake van een toename van emissie van stikstofoxiden en een afname van ammoniakemissie ten opzichte van de referentiesituatie.
- Voor deze stallen heeft de derde-partij ook een omgevingsvergunning (milieu) aangevraagd en gekregen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best (B&W). De derde-partij heeft het stalsysteem nog niet aangebracht.
- Uit de berekening van AERIUS Calculator blijkt dat er in de aangevraagde situatie sprake is van een afname van stikstofdepositie van 0,08 mol/hectare/jaar naar 0,05 mol/hectare/jaar op het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied (Kampina & Oisterwijkse Vennen) ten opzichte van de referentiesituatie.
De Afdeling leidt uit het WUR-rapport 2021 af dat er sterke aanwijzingen zijn dat combiluchtwassystemen het beoogde rendement van 85% kunnen halen. Maar het rapport is naar het oordeel van de Afdeling te beperkt van opzet om daaraan de zekerheid te ontlenen dat het beoogde rendement van combiluchtwassers wordt gehaald, als de aanbevelingen uit het rapport worden gevolgd. Bij dat oordeel betrekt de Afdeling dat het onderzoek betrekking heeft op slechts zes combiluchtwassers, waar verschillende maatregelen zijn toegepast. Zo is de pH-regeling die een groot positief effect liet zien maar bij twee combiluchtwassers toegepast. De metingen van de effecten van de getroffen maatregelen hebben bovendien alleen in een beperkte periode plaatsgevonden. (…) De Afdeling is verder van oordeel dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt wat het expert judgement en de resultaten van de rendementsmetingen inhouden.”
Conclusie en gevolgen
- Welke meet- of monitoringsystemen zijn of komen binnen afzienbare termijn beschikbaar voor de controle van een doelvoorschrift (een ammoniakemissiegrenswaarde) ten behoeve van varkensstallen met een meervoudig biologisch luchtwassysteem met watergordijn (LW 4.1, OW 2009.12.V1)? Hierbij wordt de StAB verzocht aan te geven wat de betrouwbaarheid is van de verschillende systemen en wat de hieraan verbonden kosten zijn.
- Welke pH-meet- en monitoringssystemen voor varkensstallen met een meervoudig biologisch luchtwassysteem met watergordijn (LW 4.1, OW 2009.12.V1) zijn of komen binnen afzienbare termijn beschikbaar?
- Welke andere factoren zijn van invloed op het ammoniakverwijderingsrendement van een meervoudig biologisch luchtwassysteem met watergordijn (LW 4.1, OW 2009.12.V1)?
Beslissing
- verzoekt het college binnen twee weken na het uit te brengen advies van de StAB aan te geven of het gebruik maakt van de gelegenheid het geconstateerde gebrek te herstellen;
- stelt het college in de gelegenheid om binnen twaalf weken na het uit te brengen advies van de StAB het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
- bepaalt dat bij het nemen van een herstelbesluit afdeling 3.4 van de Awb buiten toepassing blijft;
- houdt iedere verdere beslissing aan.