Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2720

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
25/1157 en 25/2335
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 7:3 AwbArtikel 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen WOZ-aanslagen 2023 en 2024 niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding

Eiseres maakte bezwaar tegen de WOZ-aanslagen voor de jaren 2023 en 2024, maar deed dit pas na het verstrijken van de wettelijke termijn. De heffingsambtenaar stelde dat de aanslagbiljetten correct aan eiseres waren verzonden via Data B. Mailservice B.V. en PostNL, wat door de rechtbank aannemelijk werd geacht. Eiseres ontkende ontvangst, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.

De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar niet hoefde aan te tonen dat eiseres de aanslagbiljetten daadwerkelijk had ontvangen, slechts dat deze waren verzonden. De bezwaren werden daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast werd het horen in bezwaar achterwege gelaten omdat dit geen invloed zou hebben gehad op de uitkomst.

Klachten over aanslagen van eerdere jaren konden in deze procedure niet worden behandeld. Eiseres werd veroordeeld tot het betalen van griffierecht en proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter A.F. Vink op 30 april 2026.

Uitkomst: De bezwaren tegen de WOZ-aanslagen 2023 en 2024 zijn niet-ontvankelijk verklaard en het beroep is ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/1157 en SHE 25/2335

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaken tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. drs. A.C.M. Brom),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Eersel, de heffingsambtenaar

([naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar de door eiseres gemaakte bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) met de beschikking van 25 februari 2023 vastgesteld voor het kalenderjaar 2023 op € 647.000. De WOZ [1] -beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum waarbij ook de aanslag onroerendezaakbelastingen (OZB) is bekendgemaakt.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning met de beschikking van 29 februari 2024 vastgesteld voor het kalenderjaar 2024 op € 761.000. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum waarbij ook de aanslag OZB is bekendgemaakt.
1.3.
Met de uitspraak op bezwaar van 14 april 2025 heeft de heffingsambtenaar het door eiseres gemaakte bezwaar tegen de hiervoor genoemde aanslagbiljetten niet-ontvankelijk verklaard.
1.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar.
1.5.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
Eiseres heeft een conclusie van repliek ingediend en de heffingsambtenaar een conclusie van dupliek.
1.7.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Eiseres heeft binnen de daartoe gestelde termijn verzocht om het beroep te behandelen op een zitting.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiseres deelgenomen. De heffingsambtenaar is zonder bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar procedeert digitaal. Hij is met een bericht in het digitale dossier uitgenodigd voor de zitting en dus behoorlijk opgeroepen. De rechtbank kan begrijpen dat de heffingsambtenaar het niet nodig vond om naar de zitting te komen naar aanleiding van de mededeling dat de rechtbank geen vragen meer had aan partijen. Met het oog op toekomstige zaken verzoekt de rechtbank wel aan de heffingsambtenaar – zoals ook in de uitnodiging voor de zitting staat – om zich dan (tijdig) voor de zitting af te melden.
3. De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar het door eiseres gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Voor dit oordeel is het volgende van belang.
3.1.
Eiseres heeft pas bezwaar gemaakt na het verstrijken van de daarvoor geldende wettelijke termijn. [2] De vraag die dan moet worden beantwoord is of redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eiseres in verzuim is geweest. [3]
3.2.
Eiseres ontkent dat zij de aanslagbiljetten (per post) heeft ontvangen. In het kader van een op 10 juni 2024 ingesteld hoger beroep tegen de in beroep gehandhaafde aanslag OZB/WOZ-beschikking van 2022 [4] , zag de gemachtigde van eiseres op het (online) WOZ Waardeloket dat voor 2023 en 2024 de WOZ-waarden al waren vastgesteld. Toen heeft hij daartegen namens eiseres alsnog bezwaar gemaakt.
3.3.
De heffingsambtenaar zegt dat hij de aanslagbiljetten heeft verzonden aan het adres van eiseres. Bij het verweerschrift en zijn conclusie van dupliek heeft hij informatie overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat a) de heffingsambtenaar beide aanslagbiljetten heeft overgedragen aan Data B. Mailservice B.V. en vervolgens dat b) Data B. Mailservice B.V. deze aanslagbiljetten heeft bezorgd bij PostNL. De heffingsambtenaar vindt dat hij hiermee de bezorging van beide aanslagbiljetten ter post aannemelijk heeft gemaakt. Los daarvan vindt de heffingsambtenaar dat eiseres redelijkerwijs eerder dan 10 juni 2024 op de hoogte was van de aanslagoplegging, omdat het bedrag van de aanslag in termijnen automatisch van haar rekeningnummer werd afgeschreven. De heffingsambtenaar merkt verder op dat eiseres nog wijst op een ziekenhuisopname in verband met haar gezondheidstoestand, maar dat vindt hij geen goede reden om te laat bezwaar te maken.
3.4.
De rechtbank overweegt als volgt. In een situatie als deze – waarin eiseres ontkent de aanslagbiljetten te hebben ontvangen – is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij de aanslagbiljetten heeft verzonden aan het adres van eiseres. Hij hoeft niet – zoals eiseres lijkt te veronderstellen – aannemelijk te maken dat eiseres de aanslagbiljetten ook heeft ontvangen.
3.4.1.
Met wat de heffingsambtenaar in beroep aan bewijs heeft overgelegd, is hij in zijn bewijslast geslaagd. De unieke aanslagnummers ([nummer] voor 2023 en [nummer] voor 2024) zijn opgenomen in de verzendadministratie van de gemeente Eersel en uit die administratie blijkt ook dat de totale ‘batch’ van de aanslagen in zowel 2023 als 2024 is overgedragen aan Data B. Mailservice B.V. Dit wordt door eiseres in haar conclusie van repliek in essentie ook niet langer bestreden. De rechtbank begrijpt – ook naar aanleiding van de bespreking van het beroep op de zitting – dat voor eiseres met name in geschil is dat de aanslagbiljetten vervolgens door Data B. Mailservice B.V. ter post zijn bezorgd. In haar conclusie van repliek zegt eiseres dat niet is gebleken dat Data B. Mailservice B.V. de ‘batch’ van zowel 2023 als 2024 heeft overgedragen aan PostNL. De heffingsambtenaar heeft daarop nader contact gehad met Data B. Mailservice B.V. en van dat bedrijf gegevens ontvangen waaruit blijkt dat in beide jaren de ‘batch’ is bezorgd bij PostNL. Deze bevindingen en twee screenshots uit de verzendadministratie van Data B. Mailservice B.V. heeft de heffingsambtenaar met zijn conclusie van dupliek overgelegd in aanvulling op de met het verweerschrift overgelegde stukken. Hiermee staat voor de rechtbank voldoende vast dat Data B. Mailservice B.V. de ‘batch’ van zowel 2023 als 2024 met daarin de (in overwegingen 1.1. en 1.2. genoemde) aanslagen heeft overgedragen aan PostNL. Anders dan eiseres vindt de rechtbank het (dus) niet nodig dat de heffingsambtenaar ook nog facturen van PostNL overlegt waaruit blijkt dat genoemde batches zijn verwerkt.
3.4.2.
Tegenover dit gemotiveerde en met stukken onderbouwde betoog van de heffingsambtenaar staat slechts de blote ontkenning van eiseres dat zij de aanslagbiljetten niet heeft ontvangen. Bij deze stand van zaken vindt de rechtbank dat de heffingsambtenaar de terpostbezorging van de aanslagbiljetten aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank hoeft daarom niet meer in te gaan op het argument van de heffingsambtenaar dat eiseres redelijkerwijs eerder dan 10 juni 2024 van de aanslagen op de hoogte kon zijn doordat het bedrag van die aanslagen automatisch (in termijnen) van haar bankrekening werd afgeschreven. Verder heeft eiseres in haar conclusie van repliek expliciet aangegeven dat haar gezondheidstoestand geen rol heeft gespeeld bij het te laat maken van bezwaar. Ook daarin kan dus geen aanleiding worden gevonden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
4. De rechtbank vindt verder dat de heffingsambtenaar in bezwaar terecht van het horen heeft afgezien. Voor dit oordeel is het volgende van belang. Eiseres had te laat bezwaar gemaakt en daarom lag enkel de in overweging 3.1. genoemde vraag in bezwaar ter beantwoording voor. De heffingsambtenaar heeft – zo volgt uit de uitspraak op bezwaar – in bezwaar de stelling van eiseres onderzocht dat zij de aanslagen niet heeft ontvangen en geconcludeerd dat die door Data B. Mailservice B.V. zijn verzonden. De gemachtigde van eiseres is ook in de gelegenheid gesteld om op die bevindingen te reageren (voordat uitspraak op bezwaar werd gedaan) en heeft van die mogelijkheid gebruikgemaakt. De door eiseres aangevoerde reden om te laat bezwaar te maken – de blote ontkenning van ontvangst van de aanslagbiljetten – leverde bij die stand van zaken geen grond op om te laat bezwaar te maken. Een eventuele hoorzitting in bezwaar zou daarin geen verandering brengen. De heffingsambtenaar kon daarom uitspraak op bezwaar doen zonder het houden van een hoorzitting. [5] Anders dan eiseres stelt is daarvoor niet vereist dat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar expliciet opneemt dat het bezwaar “kennelijk” niet-ontvankelijk is.
5. Eiseres brengt nog naar voren dat de in de aanslagbiljetten opgenomen aanslagen ten onrechte aan haar zijn opgelegd, maar dat kan niet meer aan de orde komen aangezien de bezwaren tegen die aanslagen niet-ontvankelijk zijn. Verder stelt eiseres aan de orde dat de waarde van de woning per 1 januari 2021 te hoog is. Die grond kan in deze procedure hoe dan ook niet aan bod komen, omdat in deze procedure alleen de aanslagen van 2023 en 2024 (per waardepeildata 1 januari 2022 respectievelijk 1 januari 2023) aan de orde zijn. Overigens is door deze rechtbank al beslist op het beroep tegen de door eiseres genoemde WOZ-waarde. Eiseres heeft aangegeven daartegen hoger beroep te hebben ingesteld. Zij zal haar grieven tegen de rechtbankuitspraak bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch naar voren moeten brengen.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.T.H. Verhagen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzending vindt plaats doordat een afschrift van de uitspraak in het online zaakdossier wordt geplaatst.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ).
2.Zoals bedoeld in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang gelezen met artikel 22j, aanhef en onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 6:9 van Pro de Awb.
3.Artikel 6:11 van Pro de Awb.
4.Rechtbank Oost-Brabant 10 mei 2024, SHE 22/3067 (niet gepubliceerd).
5.Artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb.