Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2704

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
28 april 2026
Zaaknummer
25/2144
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22.1 OwArt. 4.6 Invoeringswet OmgevingswetArt. 5.1 OwArt. 6.6.1 planregelsArt. 6.6.3 planregels
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling sloopvergunning in kader van archeologische waarden onder Omgevingswet

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best om op 7 januari 2025 een omgevingsvergunning te verlenen voor sloopwerkzaamheden aan een locatie waar voorheen een verf- en coatingfabriek was gevestigd.

Eiseres betoogt dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan milieuwetgeving en andere relevante regelgeving, zoals bodembescherming en volksgezondheid. De rechtbank stelt echter vast dat de vergunning uitsluitend is verleend op grond van het sloopvergunningstelsel in het tijdelijk omgevingsplan, dat zich richt op het behoud van archeologische waarden. Andere aspecten zoals bodemverontreiniging vallen onder aparte wetgeving en procedures die niet ter beoordeling staan.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft volstaan met toetsing aan de archeologische aspecten en dat het beroep van eiseres ongegrond is. De verleende vergunning blijft daarmee in stand, en eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de sloopvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2144

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats],

eiseres,
(gemachtigde: [naam]),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best,

het college,
(gemachtigden: [naam], [naam], [naam] en [naam]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[naam]uit [woonplaats] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de op 7 januari 2025 aan vergunninghouder verleende vergunning voor het uitvoeren van sloopwerkzaamheden aan de [adres] in [woonplaats] (de locatie). Eiseres is het niet eens met dit besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Vergunninghouder heeft op 11 oktober 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het voor het slopen van de bedrijfshallen op de locatie. Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
4. Met het bestreden besluit van 21 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij het besluit tot vergunningverlening gebleven.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en andere leden van de Stichting, de gemachtigden van het college en vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
7. Op de locatie was een verf- en coatingfabriek aanwezig, deze bedrijfsactiviteiten zijn inmiddels beëindigd. Om herontwikkeling van het perceel mogelijk te maken is het nodig dat de voormalig bedrijfshallen, inclusief funderingen, worden gesloopt.
Toetsingskader
8. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente, op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Ow in samenhang gelezen met artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet, direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden alsook de bestemmingsplannen die na 2024 zijn vastgesteld, maar waarvan het ontwerp vóór de inwerkingtreden van de Ow ter inzage is gelegd.
9. Op de locatie waren vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Salderes 2010”
(het bestemmingsplan) en het latere parapluplan “Parkeernormen en Archeologie”
(het parapluplan) van kracht. Deze plannen maken daarom nu onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente. Op grond van het parapluplan rust op een deel van de locatie de bestemming “Waarde – Archeologie 4” (gebied met een hoge archeologische verwachting) en op een deel van de locatie de bestemming “Waarde – Archeologie 5” (gebied met een middelhoge archeologische verwachting).
10. Binnen deze bestemmingen is een sloopvergunningenstelsel opgenomen met als doel de mogelijke archeologische waarden te beschermen. Op grond van de artikelen 6.6.1 en 7.6.1 van de planregels geldt in dit geval een verbod om aanwezige bouwwerken zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te slopen. Omdat in (het tijdelijk deel van) het omgevingsplan een sloopvergunningstelsel is opgenomen, is de voorgenomen activiteit vergunningplichtig op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.
Het college kan op grond van de artikelen 6.6.3 en 7.6.3 van de planregels voor de voorgenomen sloopactiviteit een omgevingsvergunning verlenen met dien verstande dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien sloop onevenredige aantasting van de archeologische waarden tot gevolg heeft.
11. De rechtbank merkt op dat het besluit een omgevingsvergunning betreft die enkel ziet op het toestaan van sloopactiviteiten in het kader van de artikelen 6 en 7 van het parapluplan. Het sloopvergunningstelsel in het parapluplan is opgezet ten behoeve van het behoud van (mogelijk) aanwezige archeologische waarden. Dit betekent dat de regels waar eiseres op wijst ten aanzien van onder andere bodembescherming en bescherming van de volksgezondheid, geen onderdeel zijn van het toetsingskader. Het college heeft namelijk alleen een vergunning verleend in het kader van de mogelijk aanwezige archeologische waarden en beoordeeld of sprake is van een onevenredige aantasting daarvan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat met de inwerkingtreding van de Omgevingswet de regeling voor de onlosmakelijke samenhang tussen activiteiten is komen te vervallen en dat het college in het bestreden besluit expliciet heeft opgenomen dat de vergunning is verleend in het kader van de archeologische waarden en dat de vergunninghouder mogelijk nog andere toestemmingen moet vragen. De mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de eventuele noodzaak van sanering en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, betreffen aspecten die zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling.
12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte niet heeft getoetst aan bepaalde wetgeving. Het feit dat bepaalde aspecten onder andere regelgeving vallen, betekent niet dat zij buiten beschouwing mogen blijven bij de beoordeling van een aanvraag. Als vooraf duidelijk is dat een activiteit mogelijk milieuschade of verspreiding van verontreiniging veroorzaakt, kan de gemeente niet volstaan met verwijzing naar toekomstige procedures. Anders zouden vergunningen worden verleend zonder zekerheid over de veiligheid en uitvoerbaarheid. Het college en de voorzieningenrechter [1] stellen dat bodemverontreiniging buiten het toetsingskader valt omdat dit door andere regelgeving wordt geregeld, en dat de aanwezigheid van een parapluregeling voor archeologie verdere toetsing overbodig maakt. Dit standpunt is echter onjuist en miskent dat bestuursorganen alle relevante omstandigheden moeten meewegen. Een parapluplan heeft namelijk een beperkte reikwijdte en ziet slechts op één specifiek onderwerp, zoals archeologie. Het vormt geen integrale beoordeling van andere milieu- of ruimtelijke aspecten en vervangt andere wettelijke toetsingskaders niet. Door aan te nemen dat verdere toetsing achterwege kan blijven, berust het besluit op een onjuiste juridische grondslag. Omdat de gemeente geen zelfstandige en voldoende gemotiveerde beoordeling heeft uitgevoerd, is het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en onvoldoende onderbouwd.
13. De rechtbank overweegt dat, ook zoals volgt uit rechtsoverweging 5 en uit de uitspraak van de voorzieningenrechter, dat het sloopvergunningstelsel is opgezet ten behoeve van het behoud van (mogelijk) aanwezige archeologische waarden. Het voorgaande betekent dat de regels die zijn gesteld in het kader van onder meer bodembescherming en bescherming van de volksgezondheid, waar eiseres een beroep op doet, geen onderdeel van het toetsingskader zijn. Het college heeft namelijk alleen een vergunning verleend in het kader van de mogelijk aanwezige archeologische waarden en beoordeeld of sprake is van een onevenredige aantasting daarvan. De rechtbank merkt daarbij op dat met de inwerkingtreding van de Ow regeling voor de onlosmakelijke samenhang tussen activiteiten is komen te vervallen en dat het college in het bestreden besluit expliciet heeft opgenomen dat de vergunning is verleend in het kader van de archeologische waarden en dat de vergunninghouder mogelijk nog andere toestemmingen moet vragen. De mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de eventuele noodzaak van sanering en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, betreffen aspecten die zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. [2] Die procedures staan nu niet ter beoordeling.
14. Wat eiseres verder heeft aangevoerd over mogelijke bodem-, lucht- en waterverontreiniging, gezondheidsrisico’s en gevaarlijke stoffen, waaronder asbest en PFAS, zal de rechtbank gelet op het hiervoor omschreven toetsingskader daarom buiten beschouwing laten.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Duin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 mei 2025, SHE 25/779
2.Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van