Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2689

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
12046893 EJ VERZ 26-11, 12156264 \ EJ VERZ 26-199
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 3 sub g BWArt. 7:670 BWArt. 7:671b lid 2 BWArt. 7:671b lid 9 onder a BWArt. 7:671b lid 9 onder c BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens verstoorde arbeidsverhouding zonder toekenning billijke vergoeding

De werkgever DAF Trucks N.V. verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, die sinds mei 2023 als Director of Credit werkzaam was, vanwege een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. De werknemer verzette zich tegen dit verzoek en stelde dat de arbeidsverhouding nog te herstellen was en dat er herplaatsingsmogelijkheden waren. Tevens verzocht hij, voor het geval de ontbinding zou worden toegewezen, om een billijke vergoeding toe te kennen wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

De kantonrechter stelde vast dat de arbeidsverhouding inderdaad ernstig en duurzaam verstoord was, waardoor ontbinding gerechtvaardigd was. Herplaatsing binnen DAF was niet mogelijk gezien de functie en het niveau van de werknemer. Er was geen sprake van een opzegverbod.

Het verzoek om een billijke vergoeding werd afgewezen omdat de kantonrechter onvoldoende bewijs zag voor ernstig verwijtbaar handelen door DAF. De managementstijl van de leidinggevende, passend binnen de organisatiecultuur van DAF en het moederbedrijf PACCAR, werd niet als verwijtbaar beoordeeld. Ook het verbetertraject en het ontbreken van een tweede mediationtraject waren niet ernstig verwijtbaar.

De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 juni 2026. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten van DAF, die werden begroot op €1.148,00 plus eventuele betekenkosten. Het zelfstandig tegenverzoek van de werknemer werd niet meer inhoudelijk behandeld omdat het ontbindingsverzoek van DAF was toegewezen.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 juni 2026 zonder toekenning van een billijke vergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummers / rekestnummers: 12046893 \ EJ VERZ 26-11 en 12156264 \ EJ VERZ 26-199
Beschikking van 29 april 2026
in de zaak van 12046893 \ EJ VERZ
DAF TRUCKS N.V.,
te Eindhoven,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: DAF,
gemachtigde: mr. P.A.L. de Jong,
tegen
[verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264],
te [plaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] ,
gemachtigde: mr. S.W.G. Wolters.
in de zaak van 12156264 \ EJ VERZ 26-199
[verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] ,
gemachtigde: mr. S.W.G. Wolters.
tegen
DAF TRUCKS N.V.,
te Eindhoven,
verwerende partij,
hierna te noemen: DAF,
gemachtigde: mr. P.A.L. de Jong,
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Het tegenverzoek van werknemer om, ingeval van ontbinding, een billijke vergoeding toe te kennen, wordt afgewezen.

1.De procedure

In de zaak met nummer 12046893 \ EJ VERZ 26-11
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 5 januari 2026 met 35 bijlagen;
- het verweerschrift, met een tegenverzoek met 20 bijlagen;
- de aanvullende bijlage 36 van DAF;
In de zaak met nummer 12156264 \ EJ VERZ 26-199
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het voorwaardelijk verzoekschrift van 24 maart 2026 met 21 bijlagen;
- de bijlagen 1 tot en met 36 van DAF;
- de aanvullende bijlage 22 van [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] ;
- het verweerschrift ;
In beide zaken:
- de mondelinge behandeling van 1 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de gemachtigden van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen, zodat deze aan het procesdossier zijn toegevoegd.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] is sinds 29 mei 2023 in dienst bij DAF. De functie van [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] is Director of Credit met een loon van € 10.521,31 bruto per maand.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
DAF verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding. DAF heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de arbeidsverhouding tussen haar en [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] ernstig en duurzaam is verstoord vanwege de (werk)houding van [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] . Zo is hij in geen enkel opzicht vatbaar voor (opbouwende) feedback, waardoor de werkrelatie niet (meer) werkbaar is en van DAF niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
3.2.
[verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] voert aan dat geen sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding die ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt. Volgens hem zijn er namelijk nog wel mogelijkheden om de arbeidsverhouding te herstellen. Bovendien is [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] van mening dat er wel herplaatsingsmogelijkheden zijn. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] om toekenning van een billijke vergoeding.
3.3.
[verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] heeft – voor het geval het verzoek van DAF wordt afgewezen – een zelfstandig verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend, met toekenning van de transitievergoeding en billijke vergoeding. [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd, samengevat, dan van hem niet langer gevergd kan worden voor DAF werkzaam te zijn vanwege omstandigheden die aan DAF te wijten zijn. Bovendien is sprake van ernstig verwijtbaar handelen door DAF.
3.4.
DAF verzet zich niet tegen het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. DAF verweert zich wel tegen toekenning van de billijke vergoeding, omdat zij betwist dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen aan haar zijde.
3.5.
Gelet op dat [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] zijn zelfstandig tegenverzoek heeft ingesteld onder de voorwaarde dat het verzoek van DAF wordt afgewezen, zal de kantonrechter eerst het verzoek van DAF beoordelen. Als namelijk het verzoek van DAF wordt toegewezen – en daarmee aan de voorwaarde waaronder [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] zijn zelfstandig tegenverzoek heeft ingediend niet is voldaan – komt de kantonrechter niet meer toe aan de beoordeling van het zelfstandig tegenverzoek van [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] .

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek van DAF toe en ontbindt de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2026. De door [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] verzochte billijke vergoeding wordt afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd. De beslissingen worden hierna toegelicht.
Verstoorde arbeidsverhouding
4.2.
Een arbeidsovereenkomst kan op verzoek van de werkgever worden ontbonden als daarvoor een redelijke grond in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub a tot Pro en met i BW aanwezig is. Op grond van artikel 7:669 lid Pro 3, sub g BW kan een arbeidsovereenkomst worden ontbonden als sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het dient te gaan om een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding.
4.3.
De kantonrechter stelt vast dat uit de door partijen – in beide procedures – overgelegde, omvangrijke processtukken met bijlagen en het debat tijdens de mondelinge behandeling genoegzaam blijkt dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding. Daarvoor is mede redengevend dat [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft ingediend, voor het geval de arbeidsovereenkomst op verzoek van DAF niet wordt ontbonden. Partijen verschillen daarbij wel van inzicht aan wie de verstoorde arbeidsverhouding te wijten is – en in dat kader wijzen partijen naar elkaar – maar voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst vanwege een verstoorde arbeidsverhouding is in zoverre niet ter zake dienend aan wie de oorzaak van deze verstoring in overwegende mate te wijten valt. [1]
4.4.
Gelet op het voorgaande, concludeert de kantonrechter dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, en dus van een redelijke grond in de zin van artikel 7:669 lid Pro 3, onder g BW.
Herplaatsing niet in de rede en geen opzegverbod
4.5.
Herplaatsing van [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] binnen een redelijke termijn is niet mogelijk en/of ligt niet in de rede. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft DAF voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat, gelet op zijn niveau en de functie van Director, er geen reële herplaatsingsmogelijkheden binnen DAF zijn.
4.6.
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:671b lid 2 BW is onderzocht of een opzegverbod als bedoeld in artikel 7:670 BW Pro of enig ander opzegverbod geldt. Dat is niet het geval.
Conclusie en datum ontbinding
4.7.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 1 juni 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure. [2]
Afwijzen billijke vergoeding
4.8.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [3] Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst niet nakomt en als er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Dat wordt als volgt toegelicht.
4.9.
[verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat DAF ernstig verwijtbaar heeft gehandeld – samengevat – naar voren gebracht dat hij meerdere malen aan HR zijn moeizame samenwerking met [A] heeft gemeld. [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] meldde [A] zijn onwenselijke manier van leidinggeven en de effecten daarvan op hemzelf en op zijn team, maar DAF heeft vervolgens niets met deze meldingen gedaan. Hierdoor heeft DAF een voor [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] ziekmakende situatie laten voortbestaan. Vervolgens is DAF met betrekking tot het functioneren van [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] een verbetertraject gestart, terwijl het in de rede had gelegen om eerst de gebrouilleerde relatie tussen [A] en [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] te herstellen. Dat heeft DAF nagelaten. Bovendien heeft [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] geen reële kans gehad om zijn functioneren te verbeteren, omdat het verbeterplan geen objectieve verbeterpunten bevatte, de evaluaties te kort op elkaar volgden en het [A] was die de verbetering van [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] moest beoordelen. Tenslotte heeft DAF geen tweede mediation voorgesteld en heeft zij geen poging gedaan om te bezien welke herplaatsingsmogelijkheden er voor [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] binnen DAF zijn. Dit alles samen maakt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door DAS, aldus [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] .
4.10.
De kantonrechter volgt [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] daarin niet. De ernstige verwijten die [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] aan het adres van DAF en [A] maakt zijn onvoldoende onderbouwd. Weliswaar verwijst [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] naar verschillende correspondentie die door DAF is overgelegd, maar uit die correspondentie concludeert de kantonrechter niet dat sprake is van een ‘denigrerende en kleinerende’ en/of ‘cynisch en passief-agressieve’ manier van communiceren door [A] , zoals [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] stelt. [A] heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat hij – in zijn rol als Director of Credit - op de hoogte moet zijn van het reilen en zeilen binnen de organisatie omdat hij op zijn beurt weer frequent, precies en tot op detailniveau dient te rapporteren aan het moederbedrijf van DAF in de Verenigde Staten, te weten PACCAR Inc. (hierna: PACCAR). Dat laatste wordt bovendien onderschreven door de verklaring van [B] – eveneens werkzaam binnen DAF als Director of Credit – die het volgende heeft verklaard over de managementstijl van [A] :

[A] sets high expectations yet is a fair supervisor. He places great importance on details and accuracy, which at times may give the impression of micromanagement. I cannot say to what extent this results from his personal management style and to what extent it stems from PACCAR’S corporate culture, which is very distinctive. A manager at PACCAR is expected to know their area of responsibility in depth, as well as to understand all significant details of the transactions being processed. This is closely related to PACCAR’S hierarchical structure: my supervisor may ask me about these matters because his own supervisor may ask him, and therefore I am expected to know them. This is part of PACCAR’s organizational culture. One may not always appreciate it, but anyone working within the PACCAR Group - especially in a managerial position - must accept it, as it is extremely difficult to change PACCAR’s
culture. PACCAR is a highly conservative organization.”
Daarbij heeft DAF toegelicht dat voor haar geen reden bestond om iets aan de managementstijl van [A] te veranderen, omdat die managementstijl past bij de organisatie en cultuur van DAF/PACCAR. Een dergelijke management- en communicatiestijl is, mits binnen redelijke grenzen, niet verwijtbaar. Dat [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] zich niet kan vinden in die managementstijl/cultuur, blijkt uit zijn toelichting in het beoordelingsformulier van 2024:

My team is empowered and that’s the reason why DAF Credit get things done and we are in control of daily business. This year I made huge steps forward but I am still not happy and need to work hard in order to get up to speed further. My relation with the Team is really good and need to build further on this foundation. As I have a total different way of management this causes a lot of frustration and irritation. I will adjust up to a certain level but reamin having my one way of doing things. My personal mission is to make Credit an example of how management wise a DAF department in the future would look like. I know this will be really difficult but a only carry out my values as a manager. To my honest opinion this will help DAF into the future”.
[verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] geeft aan dat er sprake is van conflicterende managementstijlen en dat dit tot veel frustratie en irritatie leidt. Dat DAF niet (voldoende) zou hebben ingegrepen ter zake de managementstijl van [A] maakt niet dat DAF ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De realiteit kan immers zijn dat een werknemer en werkgever – ondanks een goede start – uiteindelijk geen match of een mismatch blijken te zijn, zonder dat iemand of iets daar debet aan is. Het verwijt dat DAF een ziekmakende situatie in stand heeft gehouden – zoals door [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] gesteld – treft dan ook geen doel. Evenmin is de kantonrechter van oordeel dat DAF door het starten van het verbetertraject en de manier waarop dat is uitgevoerd, ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het verbetertraject – zo leest en begrijpt de kantonrechter – lijkt met name de managementstijl van [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] aan te willen passen aan de cultuur binnen DAF en PACCAR. In zoverre is het voor de kantonrechter invoelbaar dat het label ‘verbetertraject’ en het begrip ‘disfunctioneren’ [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] hebben geraakt. Ook het niet starten van een tweede mediationtraject acht de kantonrechter niet ernstig verwijtbaar. [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] gaat er met die stelling immers aan voorbij dat DAF via een eerder mediationtraject al heeft geprobeerd om de verhoudingen tussen partijen te herstellen, wat niet is gelukt. Waarom een tweede mediationtraject daar verandering in zou brengen, heeft [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] niet nader toegelicht.
4.11.
Gelet op het voorgaande, is de kantonrechter van oordeel dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen (of nalaten) van DAF, zodat het verzoek om toekenning van een billijke vergoeding wordt afgewezen.
Geen mogelijkheid tot intrekken verzoek
4.12.
DAF hoeft geen gelegenheid te krijgen het verzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.
Proceskosten
4.13.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] , omdat [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van DAF worden begroot op € 1.148,00 (€ 139,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beoordeling van het voorwaardelijk, zelfstandig tegenverzoek

5.1.
Hierboven is overwogen dat de arbeidsovereenkomst tussen DAF en [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] ontbonden zal worden per 1 juni 2026. Dit betekent dat aan de voorwaarde waaronder [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] zijn zelfstandig tegenverzoek heeft gedaan, niet wordt voldaan. Alsdan komt de kantonrechter niet (meer) toe aan de beoordeling van deze zelfstandige tegenverzoeken.
Proceskosten
5.2.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] , omdat [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van DAF worden in het voorwaardelijk, zelfstandig tegenverzoek begroot op nihil.
6. De beslissing
De kantonrechter
In de zaak met nummer 12046893 \ EJ VERZ 26-11
op het verzoek
6.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 juni 2026,
op het tegenverzoek
6.2.
wijst de verzoeken af,
op het verzoek en tegenverzoek
6.3.
veroordeelt [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] in de proceskosten van DAF begroot op € 1.148,00, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
In de zaak met nummer 12156264 \ EJ VERZ 26-199
6.5.
wijst de verzoeken af,
6.6.
veroordeelt [verweerder in zaaknr. 12046893 en verzoeker in zaaknr. 12156264] in de proceskosten van DAF begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Iding en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 maart 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:GHARL:2018:2279
2.Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.
3.Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.