ECLI:NL:RBOBR:2026:264
Rechtbank Oost-Brabant
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek wegens gebrek aan concrete feiten en omstandigheden
Op 16 januari 2026 heeft de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Oost-Brabant een verzoek tot wraking afgewezen. Het verzoeker, die betrokken was in een procedure met zaaknummer 25/1160, stelde dat de rechter, mr. J. Lie, partijdig was omdat deze eerder zaken van verzoeker had behandeld. Verzoeker vond dat de rechter verkeerde jurisprudentie had toegepast in die eerdere zaken, wat volgens hem een aanwijzing was voor partijdigheid. Tijdens de mondelinge behandeling op 18 december 2025 heeft verzoeker zijn wrakingsverzoek ingediend. De rechter heeft in haar reactie aangegeven dat zij niet begrijpt waarom verzoeker denkt dat er sprake is van partijdigheid en dat verzoeker regelmatig wrakingsverzoeken indient, wat de procesgang frustreert.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het vermoeden van onpartijdigheid van een rechter geldt, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die dit vermoeden weerleggen. De wrakingskamer oordeelde dat verzoeker onvoldoende concrete feiten of omstandigheden had aangedragen die zouden wijzen op partijdigheid. Het enkele feit dat de rechter ook andere zaken van verzoeker had behandeld, was niet voldoende om aan te nemen dat er sprake was van partijdigheid. Daarom werd het verzoek als kennelijk ongegrond verklaard en niet inhoudelijk behandeld.
Daarnaast heeft de rechter verzocht om een wrakingsverbod op te leggen aan verzoeker, omdat deze bekend staat om het indienen van meerdere wrakingsverzoeken. De wrakingskamer heeft dit verzoek afgewezen, omdat er onvoldoende bewijs was dat verzoeker misbruik maakte van het wrakingsmiddel. De rechtbank heeft uiteindelijk het verzoek tot wraking afgewezen, en tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.