ECLI:NL:RBOBR:2026:244

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
12021679 CV EXPL 25-7380
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot ontruiming en betaling van huurachterstand in kort geding met minderjarige kinderen

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Oost-Brabant op 15 januari 2026 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een verhuurder en een huurder. De huurder, die met twee minderjarige kinderen in de woning woont, heeft een huurachterstand van meer dan zeven maanden laten ontstaan. De verhuurder heeft de huurder herhaaldelijk verzocht om de huur tijdig te betalen, maar de huurder heeft hieraan niet voldaan. De verhuurder vordert ontruiming van de woning en betaling van de achterstallige huur. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de huurder niet is verschenen bij de mondelinge behandeling, waardoor verstek is verleend. De kantonrechter heeft de vorderingen van de verhuurder toegewezen, waarbij het belang van de kinderen is meegewogen. De kantonrechter oordeelt dat er geen noodsituatie is die ontruiming zou verhinderen, aangezien de huurder in contact staat met de gemeente voor alternatieve huisvesting. De huurder wordt veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis de woning te ontruimen en de achterstallige huur te betalen. De kantonrechter heeft ook de proceskosten toegewezen aan de verhuurder, met inachtneming van de wettelijke rente.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 12021679 \ CV EXPL 25-7380
Vonnis in kort geding van 15 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. N. Claassen,
tegen
[gedaagde],
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en [gedaagde] .
De zaak in het kort
[gedaagde] huurt een woning van [eiser] . [gedaagde] heeft een achterstand laten ontstaan bij het betalen van de huur. [eiser] wil dat [gedaagde] de woning verlaat en dat hij het bedrag aan achterstallige huur betaalt. De vorderingen tot ontruiming van de woning en betaling van de achterstallige huur worden toegewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de betekende dagvaarding van 31 december 2025 met 4 producties;
- de akte van [eiser] , ingekomen op 9 januari 2026, met 2 aanvullende producties;
- de mondelinge behandeling van 13 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Uit het door de (gemachtigde van) [eiser] overgelegde originele exploot van de dagvaarding is gebleken dat de dagvaarding, waarin gedaagde is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 13 januari 2026 om 15.00 uur, op de juiste manier is betekend. Ook de overige bij wet voorgeschreven formaliteiten zijn in acht genomen. [gedaagde] is niet verschenen bij de mondelinge behandeling. Tegen hem is daarom verstek verleend.
1.3.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] huurt sinds 15 september 2024 van [eiser] de woning aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). De huurovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd, met een minimale huurperiode van 12 maanden.
2.2.
De huurprijs bedraagt € 2.500,00 per maand en is bij vooruitbetaling, uiterlijk op de eerste dag van iedere maand, verschuldigd.
2.3.
[gedaagde] betaalt de huur niet steeds op tijd en heeft ook een deel van de huur niet betaald. [eiser] heeft [gedaagde] herhaaldelijk verzocht om tijdige betaling en aflossing van de huurachterstand. De gemachtigde van [eiser] heeft [gedaagde] op 19 november 2025 aangemaand om de huurachterstand te voldoen.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert na wijziging van eis - samengevat - ontruiming van het gehuurde binnen zeven althans veertien dagen na betekening van het vonnis. Ook vordert hij veroordeling [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 19.750,00 aan huurachterstand (gerekend tot en met januari 2026), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, en tot betaling van een bedrag aan huur € 2.500,00 voor iedere maand tot de datum van ontruiming. [eiser] wil dat de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad zijn. Verder maakt [eiser] aanspraak op een bedrag van € 1.140,42 aan buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over beide bedragen.
3.2.
[eiser] legt aan de vorderingen het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten. Hij betaalt de maandelijkse huur namelijk niet of niet op tijd en hij heeft een huurachterstand van ruim zeven maanden laten ontstaan. Deze tekortkomingen rechtvaardigen volgens [eiser] de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] is geen verweer bekend. Hij is namelijk niet in de procedure
verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de ingestelde vorderingen, gericht op het ontruimen van het gehuurde en betaling van de huurachterstand.
4.2.
De huurovereenkomst is gesloten met [gedaagde] als consument. Een consument is een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). De voor de vordering relevante bedingen in de artikelen 2 en 3 van de huurovereenkomst zijn getoetst en niet oneerlijk bevonden.
De vordering tot ontruiming is toewijsbaar
4.3.
De kantonrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet
- volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.4.
Het uitgangspunt is dat [gedaagde] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat [gedaagde] zich moet houden aan zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en de wet. Als [gedaagde] deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming) kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1]
4.5.
De vordering tot ontruiming en het ontruimd houden van het gehuurde komt de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en is dus toewijsbaar.
4.6.
[eiser] heeft voldaan aan de informatie- en meldplicht zoals bedoeld in artikel 2 van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] daarover nader toegelicht dat [gedaagde] in eerste instantie heeft aangegeven dat hij zelf contact zou opnemen met de gemeente voor schuldhulpverlening, maar dat hij dat niet heeft gedaan. Vervolgens heeft [eiser] , in onderling overleg, [gedaagde] eind september 2025 bij de gemeente aangemeld in het kader van de vroegsignalering.
4.7.
Meegewogen is ook dat [gedaagde] met twee minderjarige kinderen in het gehuurde woont. De kantonrechter stelt voorop dat de belangen van de kinderen een eerste overweging moeten vormen op grond van artikel 3 van het Internationaal verdrag voor de rechten van het kind. Toch betekent dit niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden (in een bodemprocedure). De ouder van het minderjarige kind is namelijk in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die kunnen leiden tot (een ontbinding en daaropvolgend) ontruiming van een woning.
4.8.
Op basis van de stukken en dat wat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht is voldoende aannemelijk geworden dat dat [gedaagde] niet, althans niet tijdig heeft gereageerd op de uitgestoken hand voor hulp bij het beheren van zijn financiën. Daarbij zijn er geen aanwijzingen dat de financiële situatie [gedaagde] op korte termijn zal veranderen. Het gevolg hiervan is dat [eiser] niet het vooruitzicht heeft dat de verschuldigde huur zal worden betaald en ook niet dat zal (kunnen) worden ingelopen op de huurachterstand.
4.9.
Van een noodsituatie, in die zin dat de minderjarige kinderen [gedaagde] bij een ontruiming letterlijk op straat komen te staan, is niet gebleken. [gedaagde] heeft namelijk, zo blijkt uit zijn e-mails van 2 en 8 januari 2026 aan de gemachtigde van [eiser] (overlegd bij productie 6 aan de kant van [eiser] ) het volgende verklaard. Hij heeft contact met de gemeente om te kijken naar passende woonruimte; de gemeente is actief bezig om voor hem en zijn kinderen een sociale huurwoning te regelen en hij heeft ongeveer 30 dagen of meer nodig om andere woonruimte te vinden. Ook heeft [gedaagde] , naar eigen zeggen, verschillende organisaties geaccepteerd die hem ondersteunen bij zijn psychische situatie, de zorg voor zijn kinderen en zijn financiële omstandigheden.
4.10.
Naar het oordeel van de kantonrechter kunnen de nadelige gevolgen van een ontruiming voor [gedaagde] en zijn kinderen in de gegeven omstandigheden niet worden tegengeworpen aan [eiser] . De belangen van [gedaagde] en zijn kinderen bij behoud van de woning wegen niet zo zwaar dat ontruiming het gehuurde niet gerechtvaardigd zou zijn.
4.11.
[gedaagde] wordt veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
De vorderingen tot betaling van huurachterstand, huur en buitengerechtelijke incassokosten
4.12.
Naast ontruiming heeft [eiser] gevorderd om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van: de huurachterstand, vermeerderd met de wettelijke rente daarover; de maandelijkse huur tot de datum van ontruiming en een bedrag aan buitengerechtelijke kosten.
4.13.
Vorderingen in kort geding die strekken tot betaling van een geldsom moeten met terughoudendheid worden beoordeeld. Hierbij geldt dat hoe meer aannemelijk de vordering is, des te eerder het belang van de schuldeiser bij toewijzing van die vordering wordt aangenomen.
4.14.
Bij gebreke van verweer daartegen moet in rechte worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [eiser] . De voorliggende vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zijn toewijsbaar, een en ander voor zover hierna niet anders blijkt.
4.15.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat [gedaagde] een consument is, moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De gemachtigde van [eiser] heeft op 19 november 2025 aan [gedaagde] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld. De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.
Proceskosten en wettelijke rente daarover
4.16.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,14
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
543,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening
zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.556,14
4.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.18.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. [eiser] heeft dit namelijk gevorderd en [gedaagde] heeft hier niets tegenin gebracht. Voor de motivering hiervan verwijst de kantonrechter naar dat wat is overwogen bij de motivering van de toewijzing van de vorderingen. Dat de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad zijn betekent dat deze beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter, recht doende in kort geding,
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het pand aan het adres [adres] te [plaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiser] te stellen;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiser] :
a. a) € 19.750,00 aan achterstallige huur tot en met 31 januari 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf 31 december 2025 tot de dag van voldoening;
b) € 2.500,00 per maand vanaf 1 februari 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de kant van [eiser] tot vandaag vastgesteld op € 1.556,14, te vermeerderen met explootkosten van betekening van het vonnis;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten, gerekend vanaf de 15e dag na betekening van het vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.5.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW.