Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2365

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
82.226234.25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewezenverklaring en strafoplegging voor het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk

Verdachte werd verdacht van het opzettelijk voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk in een berging behorende bij een woonadres te Oss. Het vuurwerk bestond uit 1.182 stuks knalvuurwerk, 3 enkelschotsbuizen en 148 mortierbommen, met een totaalgewicht van circa 125 kilo. De politie kreeg een melding en trof het vuurwerk aan in de berging van verdachte, die de sleutel bezat en op de hoogte was van de aanwezigheid.

De verdediging voerde aan dat het vuurwerk was opgedrongen door vrienden en verdachte er niet vrij over kon beschikken. Dit verweer werd verworpen omdat verdachte uit chatgesprekken blijk gaf van interesse in vuurwerk en het bezit van de bergingssleutel. De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte het vuurwerk opzettelijk voorhanden had.

De economische politierechter hield rekening met de ernst van het feit, de grote hoeveelheid en het gevaar voor de omgeving, en met het feit dat verdachte niet eerder was veroordeeld. De straf bestaat uit een taakstraf van 240 uur (omgezet in 120 dagen hechtenis met aftrek voorarrest), een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar, en een maatregel kostenverhaal van €1.500 te voldoen in 12 termijnen.

Daarnaast werd het inbeslaggenomen vuurwerk onttrokken aan het verkeer. De rechtbank wees een geldboete af omdat deze onvoldoende recht deed aan de ernst van het feit. De maatregel kostenverhaal werd beperkt vanwege de beperkte rol van verdachte en zijn financiële situatie.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een maatregel kostenverhaal van €1.500.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82.226234.25
Datum uitspraak: 13 maart 2026
Vonnis van de economische politierechter Oost-Brabant, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak (zoals bedoeld in artikel 279 Sv Pro) gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 november 2025 en 13 maart 2026.
De economische politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 oktober 2025.
hij op of omstreeks 15 oktober 2024 te Oss, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk,
professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten
- 1.182, althans één of meer stuks knalvuurwerk (Dumbum 5g, COBRA 8 en GLADIATOR), en/of
- 3, althans één of meer stuks enkelschotsbuizen, althans een hoeveelheid enkelschotsbuizen (Batterij of shots tubes en onbekend), en/of
- 148, althans één of meer stuks, althans een hoeveelheid, mortierbom(men) (Diverse shells 3 a 4 inch, Diverse shells 5, onbekend en Bomba Diverse shells),

heeft opgeslagen en/of voorhanden heeft gehad in een berging behorende bij perceel [adres 1] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De economische politierechter is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Gebruikte bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring.

De inhoud van het procesdossier voor zover hierna is aangeduid. [1]
  • een proces-verbaal van bevindingen, van 15 oktober 2024, opgemaakt en digitaal ondertekend door verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] , pag. 6-7;
  • een proces-verbaal van bevindingen, van 16 oktober 2024, opgemaakt en digitaal ondertekend door verbalisant [verbalisant 4] pag. 10;
  • een proces-verbaal van verhoor verdachte, van 16 oktober 2024, opgemaakt en digitaal ondertekend door verbalisant [verbalisant 5] , pag. 23-29;
  • een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, van 2 december 2024, opgemaakt en digitaal ondertekend door verbalisant [verbalisant 6] , pag. 71-107.
Nadere bewijsoverwegingen.
De verdediging heeft de economische politierechter verzocht om verdachte vrij te spreken. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat het opslaan van het vuurwerk in zijn berging aan hem was opgedrongen door vrienden, waardoor hij hierover niet vrij kon beschikken.
De economische politierechter verwerpt het verweer en overweegt daartoe dat de tenlastelegging ziet op het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk. Het vuurwerk is in de berging van verdachte aangetroffen, verdachte had een sleutel van de berging en wist ook van de aanwezigheid van het vuurwerk. Bovendien blijkt naar het oordeel van de economische politierechter uit chatgesprekken dat verdachte zelf ook interesse had in vuurwerk. Voorts overweegt de economische politierechter dat voor het voorhanden hebben van professioneel vuurwerk het niet van belang is wie de eigenaar daarvan is.

De bewezenverklaring.

De economische politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
op 15 oktober 2024 te Oss, opzettelijk, professioneel vuurwerk, bestemd voor particulier gebruik, te weten
- 1.182 stuks knalvuurwerk (Dumbum 5g, COBRA 8 en GLADIATOR), en
- 3 stuks enkelschotsbuizen (Batterij of shots tubes en onbekend), en
- 148 stuks mortierbomme) (Diverse shells 3 a 4 inch, Diverse shells 5, onbekend en Bomba Diverse shells),

heeft opgeslagen en voorhanden heeft gehad in een berging behorende bij perceel [adres 1] .

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de economische politierechter gevorderd om aan verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om de maatregel kostenverhaal in zijn geheel toe te wijzen. Tot slot heeft de officier van justitie de economische politierechter verzocht de inbeslaggenomen goederen te onttrekken aan het verkeer.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de economische politierechter verzocht om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf of geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen met daarnaast een geldboete. Ten aanzien van de maatregel kostenverhaal heeft de verdediging verzocht deze te beperken tot € 500,00. Voorts heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de economische politierechter gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de economische politierechter het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de economische politierechter bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De economische politierechter heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een grote hoeveelheid professioneel vuurwerk. De politie kreeg een melding dat er vermoedelijk illegaal vuurwerk werd opgeslagen in een berging. In totaal bleek het om 125 kilo vuurwerk te gaan. Verdachte had dit vuurwerk opgeslagen in zijn berging, midden in een woonwijk, waarbij geen enkele veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Verdachte heeft hiermee enorme risico’s genomen. Professioneel vuurwerk bevat een zwaardere en explosievere lading dan consumentenvuurwerk, waardoor de gevaren van het voorhanden hebben van dergelijk vuurwerk veel groter zijn. Het handelen van verdachte had desastreuse gevolgen kunnen hebben. De ervaring leert dat bij een ontploffing van een dergelijk grote hoeveelheid professioneel vuurwerk er tot op enkele tientallen meters gevaar kan zijn voor lichamelijk letsel. Verdachte heeft met zijn handelen de veiligheid van anderen ernstig in gevaar gebracht. Dit rekent de economische politierechter verdachte aan.
De economische politierechter heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 15 februari 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Alles overwegend acht de economische politierechter de oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden. De oplegging van een geldboete, zoals door de verdediging verzocht, brengt de ernst van de feiten naar het oordeel van de economische politierechter onvoldoende tot uitdrukking.
Ten aanzien van de maatregel kostenverhaal overweegt de economische politierechter als volgt. Uit de rapportage volgt dat de totale kosten met betrekking tot de inzet van personeel voor de inbeslagname, het transport en de vernietiging van het in beslag genomen vuurwerk in dit onderzoek bedragen ten minste € 3.914,00. Het doel van de maatregel is dat de Staat niet verantwoordelijk is voor deze kosten, maar dat deze kunnen worden verhaald op daders. Voorts overweegt de economische politierechter dat rekening gehouden kan worden met de rol van de verdachte bij het plegen van het feit. De economische politierechter stelt vast dat verdachte zijn berging ter beschikking heeft gesteld voor het opslaan van het vuurwerk. Niet is gebleken dat verdachte ook handelde in vuurwerk. Daarmee stelt de economische politierechter vast dat verdachte een enigszins beperkte rol had in het geheel. De economische politierechter zal de maatregel daarom beperken tot een bedrag van € 1.500,00. Voorts houdt de economische politierechter rekening met het feit dat verdachte momenteel geen baan heeft, en zal bevelen dat de maatregel kostenverhaal dient te worden voldaan in 12 termijnen van € 125,00.

Beslag.

De economische politierechter is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn waarmee de feiten zijn gepleegd en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wetsartikelen.

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b en 36c van het Wetboek van Strafrecht
1a, 2, 6, 8 en 8A van de Wet op de economische delicten
9.2.2.1 van de Wet milieubeheer
1.2.2 van het Vuurwerkbesluit.

DE UITSPRAAK

De economische politierechter:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezenverklaarde levert op het
misdrijf:
overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer (artikel 1.2.2 eerste lid van het Vuurwerkbesluit), opzettelijk begaan;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende
straffen:
* een
taakstrafvoor de duur van
240 urensubsidiair
120 dagen hechtenis;
bepaalt dat de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering dient te worden gebracht bij deze taakstraf;
De economische politierechter waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.
* een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 maandenvoorwaardelijk met een
proeftijd van 2 jaren;
voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
legt op de volgende
maatregelen:
*
onttrekking aan het verkeervan de inbeslaggenomen goederen, te weten:
75 KG Vuurwerk;
50 KG Vuurwerk;

* de maatregel kostenverhaal

legt aan verdachte de verplichting op tot het vergoeden van de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en stelt het te betalen bedrag van die kosten vast op een bedrag van
€ 1.500,00 te voldoen in 12 termijnen van € 125,00.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. S.H.C. Merkx, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is uitgesproken op 13 maart 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, van Politie Eenheid Oost Brabant, met BVH-nummer PL2100-2024228108, afgesloten op 25 juni 2025, aantal doorgenummerde bladzijden: 107.