Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2340

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
7 april 2026
Publicatiedatum
14 april 2026
Zaaknummer
25/2670
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:3 WajongArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet-ontvankelijkheid bezwaar Wajong door ontbreken machtiging

Eiser diende een aanvraag voor een Wajong-uitkering in die door het UWV werd afgewezen. Tegen deze afwijzing maakte de gemachtigde van eiser bezwaar, maar zonder een machtiging. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de machtiging ondanks herhaald verzoek niet werd overgelegd.

Eiser stelde in beroep dat de machtiging wel was toegestuurd en verwees naar het UWV-beleid dat machtigingen tot tien dagen voor de hoorzitting kunnen worden ingediend. De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de machtiging was verzonden en dat de reden van afwezigheid van de gemachtigde geen geldige reden was voor het niet reageren op verzoeken.

Belangrijk was dat het UWV niet conform het Reglement behandeling bezwaarschriften 2024 contact met eiser zelf had opgenomen om alsnog een machtiging te verkrijgen. Gezien het belang van de zaak voor eiser, namelijk de aanvraag van een Wajong-uitkering, woog dit mee in het voordeel van eiser.

De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en droeg het UWV op binnen zeventien weken opnieuw op het bezwaar te beslissen. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed. De inhoudelijke gronden van eiser tegen de afwijzing van de Wajong-uitkering zullen in de nieuwe bezwaarfase worden behandeld.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV moet opnieuw op het bezwaar beslissen binnen zeventien weken.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2670

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

7 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. B. Kaya),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: [naam]).

Zitting

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de het UWV deelgenomen.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank na onderbreking voor raadkameroverleg mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 12 september 2025;
  • draagt het UWV op om binnen zeventien weken na verzending van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiser te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 53 aan eiser te vergoeden.

Motivering

1. Het UWV heeft met het besluit van 5 juni 2025 de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering afgewezen. De gemachtigde van eiser heeft daartegen met een brief van 16 juni 2025 bezwaar gemaakt. De gemachtigde van eiser is geen advocaat en verder was bij het bezwaarschrift geen machtiging gevoegd. Het UWV heeft het bezwaar met het besluit van 12 september 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de gemachtigde na herhaald verzoek geen machtiging heeft overgelegd.
2. Eiser is het niet eens met het besluit van 12 september 2025 en heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Eisers gemachtigde zegt dat hij in reactie op een brief van het UWV van 27 juni 2025 per post een machtiging heeft toegestuurd. Verder zegt de gemachtigde dat op zijn adres een herinneringsbrief van het UWV van 25 juli 2025 is ontvangen, maar dat hij op dat moment met vakantie was en daardoor niet kon reageren. Verder staat volgens eiser in de beleidsregels van het UWV dat het mogelijk is om tot tien dagen voor de hoorzitting een machtiging in te dienen.
3. Het UWV blijft bij het besluit van 12 september 2025 en wijst daartoe op het volgende. Een medewerker van het UWV heeft op 25 juni 2025 telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde en daarin onder andere aangegeven dat een machtiging ontbrak. Dit staat ook in de schriftelijke ontvangstbevestiging van het UWV van 27 juni 2025. Daarin staat ook dat de gemachtigde tot en met 25 juli 2025 de tijd kreeg om een machtiging te overleggen. Omdat het UWV geen reactie ontving, heeft het op 25 juli 2025 per brief een herinnering gestuurd en is de gemachtigde de gelegenheid gegeven om tot 18 augustus 2025 een machtiging te overleggen. In de brief staat ook dat het niet overleggen van een machtiging ertoe kan leiden dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Op deze brief heeft het UWV ook geen reactie ontvangen. Na nog een kleine maand wachten heeft het UWV vervolgens het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard met het besluit van 12 september 2025. Op 15 september 2025 heeft de gemachtigde van eiser na ontvangst van dit besluit telefonisch contact opgenomen met het klantcontactcentrum van het UWV. De behandelaar van het bezwaar heeft daarop de gemachtigde teruggebeld, maar kreeg geen gehoor. Op een door de behandelaar ingesproken voicemailbericht is geen reactie meer ontvangen van de gemachtigde.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
Eisers gemachtigde – die in de beroepsfase een machtiging heeft overgelegd – zegt dat hij in reactie op de brief van het UWV van 27 juni 2025 per post een machtiging heeft toegestuurd. Het UWV zegt dat het die machtiging niet heeft gekregen. In een dergelijk geval is het aan eiser om de verzending van de machtiging aannemelijk te maken. Eiser is daarin niet geslaagd. Op de zitting heeft eiser een schriftelijke verklaring van I. Kaya overgelegd die de terpostbezorging zou hebben gezien, maar daarmee is dat bewijs niet geleverd. Een dergelijke verklaring is in essentie niets anders dan dat eiser of zijn gemachtigde zou hebben verklaard de machtiging ter post te hebben bezorgd.
4.2.
Het UWV heeft eisers gemachtigde er met de brief van 25 juli 2025 op gewezen dat nog altijd geen machtiging was ontvangen. Het UWV heeft er in die brief op gewezen dat als geen machtiging voor 18 augustus 2025 werd overgelegd, het bezwaar niet-ontvankelijk kon worden verklaard. Eisers gemachtigde heeft hierop niet gereageerd. De daarvoor door hem gegeven reden – afwezigheid in verband met vakantie – vindt de rechtbank geen goede reden. Eisers gemachtigde heeft een juridisch adviesbureau. Het is inherent aan de juridische adviespraktijk dat post wordt ontvangen waarop binnen bepaalde (soms korte) termijnen moet worden gereageerd. Daarbij past het – zeker bij een langere afwezigheid – dat voor een adequate waarneming wordt zorggedragen. Het niet treffen van een dergelijke voorziening kan niet worden afgewenteld op anderen, in dit geval het UWV.
4.3.
Eiser doet nog een beroep op – zo begrijpt de rechtbank – het Reglement behandeling bezwaarschriften UWV 2024 (Reglement). [1] Volgens eiser staat daarin dat tot tien dagen voor de hoorzitting een machtiging kan worden ingediend. De rechtbank heeft een bepaling met deze inhoud niet aangetroffen. Wel staat in het Reglement (in artikel 3, vierde lid) dat als een gesteld gemachtigde niet op tijd een machtiging verstrekt, het UWV een machtiging opvraagt bij degene namens wie het bezwaar is gemaakt (in dit geval: eiser). In het besluit van 12 september 2025 staat weliswaar dat (ook) eiser geen machtiging aan het UWV heeft toegestuurd. Maar de rechtbank kan aan de hand van het dossier niet vaststellen dat het UWV (overeenkomstig artikel 3, vierde lid, van het Reglement) hierover ook met eiser zelf contact heeft opgenomen. Het Reglement is een beleidsregel en geen wet, maar het UWV is in beginsel wel verplicht om overeenkomstig het eigen beleid te handelen. [2] Bij deze stand van zaken moet ervan worden uitgegaan dat het UWV dat niet heeft gedaan.
4.4.
De vraag is vervolgens welk gevolg dit moet hebben. Aan de ene kant heeft de gemachtigde van eiser diverse kansen gehad om orde op zaken te stellen, maar dat heeft hij niet gedaan. Tegelijkertijd kunnen de gevolgen voor eiser groot zijn. De zaak gaat om de aanvraag van een Wajong-uitkering en daarmee om bestaanszekerheid. En ondanks dat het UWV zich de nodige moeite heeft getroost om een machtiging te krijgen, heeft het wel in strijd met het eigen beleid gehandeld door hierover niet ook met eiser zelf contact op te nemen. Althans, niet is gebleken dat dit wel is gebeurd. Alles afwegend vindt de rechtbank – met name vanwege het belang bij een inhoudelijke beslissing op de aanvraag voor een Wajong-uitkering – dat de weegschaal in het voordeel van eiser moet uitslaan.
4.5.
Dit betekent dat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en het besluit van 12 september 2025 zal vernietigen. Het UWV moet dan alsnog opnieuw op het bezwaar van eiser beslissen. Voor de bezwaarfase in deze zaken geldt op grond van artikel 6:3, tweede lid, van de Wajong een beslistermijn van zeventien weken. Aangezien de bezwaarfase voorafgaand aan het besluit van 12 september 2025 door het niet overleggen van een machtiging niet betekenisvol is benut, zal de rechtbank bepalen dat het UWV dezelfde termijn krijgt om opnieuw op het bezwaar te beslissen. Het stellen van deze termijn laat de wettelijke bevoegdheden van het UWV onverlet om deze termijn zo nodig te verlengen.
4.6.
Eiser heeft nog een aantal inhoudelijke gronden naar voren gebracht tegen de beslissing om hem geen Wajong-uitkering toe te kennen. Die zullen eerst bij de inhoudelijke behandeling van het bezwaar aan bod moeten komen.
4.7.
Eiser heeft geen verzoek om proceskostenvergoeding gedaan. De rechtbank zal het UWV daar dan ook niet in veroordelen. Verder staat in de wet dat bij een gegrond beroep het verwerend bestuursorgaan het griffierecht moet vergoeden. Om die reden moet het UWV het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. F.C. Meulemans, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Voetnoten

1.Stcrt. 2023, 31588.
2.Artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.