Uitspraak
1.De procedure
2.De beoordeling
“(…)16.1 De Leningsovereenkomst wordt beheerst door de wetgeving van de Republiek Estland, tenzij anders vereist door Nederlands dwingend toepasselijk recht (…)”De kantonrechter is voorshands van oordeel dat dit beding niet voldoet aan de vereisten die gelden voor een rechtskeuzebeding. [1] Dit geldt te meer nu de eisende partij zelf stelt dat een rechtskeuze is gemaakt voor de wetgeving van Estland, zodat het beding blijkbaar zo uitgelegd wordt door de eisende partij zelf. Het gevolg is dat het beding niet geldig is, omdat het beding onvoldoende duidelijk maakt dat de gedaagde partij eveneens bescherming geniet op grond van de dwingende bepalingen van het Nederlands recht. Dan is niet het Ests recht, maar (alleen) het Nederlands recht van toepassing op de overeenkomst en de vordering van de eisende partij. Dat de eisende partij toepasselijkheid van het Nederlands recht aanvaardt, maakt het voorgaande niet anders. Of enkel het Nederlands recht van toepassing is, is afhankelijk van de geldigheid van de rechtskeuze die de eisende partij zelf in haar voorwaarden heeft opgenomen.