Deze uitspraak betreft het beroep tegen de gefaseerde omgevingsvergunning voor het wijzigen van een varkenshouderij en de bouw van een nieuwe stal aan de Lagedijk 1a in Beek en Donk. Eiseres betwist de vergunningen, met name vanwege onvoldoende beoordeling van gevoelige objecten en de motivering van het college.
De rechtbank verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin het college werd opgedragen om de gebreken in de vergunningen te herstellen, met name de beoordeling of de werkplaats en het kantoor als gevoelige objecten kunnen worden aangemerkt. Het college heeft dit nader gemotiveerd door te stellen dat deze gebouwen niet als gevoelige objecten gelden binnen het endotoxinetoetsingskader en dat de richtlijn luchtkwaliteit hierop geen beoordeling vereist.
Eiseres betoogt dat de gemiddelde verblijfsduur in deze gebouwen had moeten worden beoordeeld, maar de rechtbank oordeelt dat dit niet was voorgeschreven en dat het college binnen haar beoordelingsruimte heeft gehandeld. De rechtbank vernietigt het eerste bestreden besluit wegens onvoldoende motivering, maar laat de rechtsgevolgen daarvan in stand zodat vergunninghoudster de vergunning kan gebruiken. Het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard.
De rechtbank veroordeelt het college tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Oost-Brabant op 14 april 2026.