Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De vordering van de officier van justitie.
De beoordeling.
Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht d.d. 28 juli 2020, rapportnummer 170.
- [bedrijf 3] (afdeling Dordrecht) voor een bedrag van € 543.136,89 aan facturen heeft gefactureerd aan de [gemeente] aangaande de ingehuurde personen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] . [naam 4] , [naam 5] en [naam 6]
- [bedrijf 3] (afdeling Dordrecht) voor een bedrag van € 116.770,50 kosten (fee) heeft opgevoerd ten behoeve van [bedrijf 1] aangaande vier personen.
5.3.2.2 Verrichte betalingen aan [bedrijf 1]
54.750,50. Het betreft betalingen van de volgende facturen voor commissievergoedingen:
54.750,50daadwerkelijk is betaald aan [bedrijf 1] .
62.020,00.
116.770,50,gespecificeerd:
€ 62.020,00 als wederrechtelijk verkregen voordeel worden aangemerkt, nu ter terechtzitting is gebleken dat deze vorderingen niet zijn voldaan en niet aannemelijk is geworden dat deze vorderingen nog een reële vermogenswaarde vertegenwoordigen. De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom vast, conform de vordering van de officier van justitie, op € 54.750,50.
Toepasselijke wetsartikelen.De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
- legt aan [verdachte] de hoofdelijke verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van € 54.750,50 (vierenvijftigduizend zevenhonderdvijftig euro en vijftig cent), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel met dien verstande dat veroordeelde in zoverre is bevrijd indien en voor zover de medeveroordeelde [medeveroordeelde] aan de opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan;
- bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 574 dagen.