ECLI:NL:RBOBR:2026:230

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/1174
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over de afwijzing van een aanvraag voor een verkoopstandplaats bij het PSV-stadion

In deze zaak heeft eiser, die sinds 2001 een vergunning heeft voor een standplaats bij het PSV-stadion, een ontheffing aangevraagd voor het innemen van een verkoopstandplaats tijdens alle PSV-gebeurtenissen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven heeft deze aanvraag afgewezen, met als argument dat eiser geen uitzonderlijk geval is in de zin van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 2024. De rechtbank heeft het beroep van eiser gegrond verklaard, omdat het college niet voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen uitzonderlijk geval is. De rechtbank wijst erop dat het college op de zitting heeft verklaard dat in 2023 een vaste standplaatsvergunning voor vijf jaar aan PSV is verleend op dezelfde plek die eiser altijd heeft ingenomen. Dit maakt de motivering van het college dat eiser geen uitzonderlijk geval is nog minder inzichtelijk. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens moet het college het griffierecht vergoeden en de proceskosten van eiser betalen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1174
uitspraak van de enkelvoudige kamer van uiterlijk 16 januari 2025 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M. Görsültürk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college
(gemachtigde: mr. G.D. van Leeuwen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om ontheffing voor een verkoopstandplaats bij het PSV-stadion voor verkoop tijdens alle PSV-gebeurtenissen. Eiser is het hier niet mee eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van die beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een onjuiste beslissing heeft genomen. Het college heeft namelijk niet goed gemotiveerd waarom de aanvraag van eiser is afgewezen. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 25 juni 2024 een ontheffing aangevraagd voor een verkoopstandplaats bij het PSV-stadion voor verkoop tijdens alle PSV-gebeurtenissen. Op 9 oktober 2024 heeft het college de aanvraag afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.1.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
Eiser heeft op het verweerschrift gereageerd.
2.3.
Het college heeft nadere stukken overgelegd.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Feiten en omstandigheden

3. Eiser is sinds 2001 in het bezit geweest van een vergunning voor een standplaats bij het PSV-stadion. Hij verkoopt daar PSV-merchandise.
3.1.
Op 15 mei 2024 heeft eiser om verlenging van zijn vergunning (voor een verkoopstandplaats bij het PSV-stadion tijdens alle PSV-gebeurtenissen) verzocht, omdat de geldigheidsduur op 31 juni 2024 zou aflopen.
3.2.
Met een besluit van 17 juni 2024 heeft het college die aanvraag afgewezen. Door de wijziging van regelgeving was het volgens het college op grond van artikel 5:18, eerste lid van de Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven (APV 2024) [1] niet langer mogelijk om in aanmerking te komen voor een vaste standplaats. Het college heeft eiser in dit besluit gewezen op de mogelijkheid om een ontheffing aan te vragen van het verbod (artikel 5:18, vierde lid van de APV 2024).
3.3.
Op 25 juni 2024 heeft eiser zo’n ontheffing aangevraagd.
3.4.
Het college heeft aan eiser het voornemen tot afwijzing verzonden en hem in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Van die gelegenheid heeft eiser ook gebruikt gemaakt.
3.5.
Met het besluit van 9 oktober 2024 heeft het college de door eiser aangevraagde ontheffing afgewezen op grond van artikel 5:18, vierde lid van de APV 2024. Eiser is volgens het college geen uitzonderlijk geval en de gevolgen van het besluit benadelen eiser niet onevenredig in verhouding met het besluit te dienen doelen.
3.6.
In de bezwaarprocedure heeft er een hoorzitting plaatsgevonden.
3.7.
Met het bestreden besluit van 7 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag om ontheffing gebleven.

Beoordeling door de rechtbank

Verslag van de ambtelijke hoorzitting
4. Eiser voert in de eerste plaats aan dat het verslag van de ambtelijke hoorzitting ontbreekt in het dossier, waardoor sprake is van een procedureel gebrek.
4.1.
In artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat:
“Van het horen wordt een verslag gemaakt.”
4.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 7:7 van de Awb dat met een verslag een schriftelijk verslag wordt bedoeld. De plicht tot schriftelijke verslaglegging kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Zo kan ook uit de beslissing op bezwaar blijken wat op de hoorzitting is verhandeld. [2] De gemachtigde van het college heeft op de zitting toegelicht dat er geen verslag van de hoorzitting is gemaakt, wel een geluidsopname. De rechtbank stelt vast dat uit (met name pagina 2 van) het bestreden besluit volgt dat eiser tijdens de hoorzitting zijn gronden van bezwaar heeft aangevuld en dat die gronden ook door het college zijn besproken. Uit het bestreden besluit blijkt dan ook voldoende duidelijk wat er tijdens de hoorzitting is verhandeld. Naar het oordeel van de rechtbank is van een procedureel gebrek daarom geen sprake.
Incompleet procesdossier
5. Eiser voert aan dat het procesdossier incompleet is, omdat het college alle stukken vanaf 2001 tot op heden niet heeft overgelegd.
5.1.
In artikel 8:42, eerste lid van de Awb staat:
“Binnen vier weken na de dag van verzending van de gronden van het beroepschrift aan het bestuursorgaan zendt dit de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de bestuursrechter en kan het een verweerschrift indienen. (…)”
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college alle op de zaak betrekking hebbende stukken toegevoegd aan het procesdossier. Het ligt niet op de weg van het college om bijvoorbeeld, zoals door eiser gevraagd, raads- en collegevoorstelling en (interne) communicatie gericht op de wijziging van de APV 2024 aan het procesdossier toe te voegen, omdat dit geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn. Als eiser wel in het bezit wenst te komen van deze stukken, staat het hem vrij om een verzoek op grond van de Wet open overheid bij het college in te dienen.
Vertrouwensbeginsel
6. Eiser voert vervolgens aan dat aan hem een vergunning is verleend die van kracht blijft zolang hij leeft. Hij wijst naar de vergunning verleend op 23 juli 2012, waarin is opgenomen:
“Gevolgen voor uw verkoopstand plaats nabij het stadion tijdens voetbalwedstrijden:
- de standplaats wordt gezien als een vaste standplaats, niet als een tijdelijke
(…)”
Eiser beroept zich daarmee op het vertrouwensbeginsel.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het college een toezegging of andere uitlating of gedraging heeft verricht waaruit eiser kon afleiden dat het college een vergunning aan hem heeft verleend voor het leven. Het college heeft toegelicht dat met de ‘vaste’ standplaatsvergunning die aan eiser is verleend op 23 juli 2012 niet is bedoeld dat deze vergunning is verleend voor het leven, maar dat dit een standplaatsvergunning voor een vaste
plaatsbetrof. In de destijds geldende Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven 2012 (APV 2012) was namelijk sprake van een onderscheid tussen wat in artikel 5.2.3, eerste lid ‘Standplaatsen: uitstallingen op de weg’ was opgenomen:
“In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aanbieden, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.”
en wat in artikel 5.2.2, eerste lid ‘Begripsbepaling’ van de APV 2012 over venten was opgenomen:
“In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis.”
De door het college verleende ‘vaste’ standplaatsvergunning zag dus niet op de
tijdsduur, maar op een vaste
plaats. Bovendien is in de vergunning die destijds op 23 juli 2012 is verleend, opgenomen:
“Gevolgen voor uw verkoopstand plaats nabij het stadion tijdens voetbalwedstrijden:
(…)
- het vergunnen blijft plaatsvinden op jaarlijkse basis na ontvangst aanvraag, onder jaarlijkse legeskosten en doorberekening van precario conform een bestendige door ons gehanteerde gedragslijn; (…)”
Uit deze voorwaarde heeft eiser ook kunnen afleiden dat het vergunnen op jaarlijkse basis bleef plaatsvinden en dus niet voor het leven is gebeurd. Eiser heeft op zitting nog verklaard dat het toenmalige hoofd van de afdeling Vergunningen de mondelinge toezegging heeft gedaan dat aan hem een vergunning voor het leven is verleend, maar heeft daarbij ook gezegd dat hij van die beweerdelijke toezegging geen onderbouwing of bewijs heeft.
Artikel 5:18, vierde lid van de APV 2024
7. Eiser voert aan dat hij een uitzonderingspositie heeft. De rechtbank begrijpt dit als een beroep op artikel 5:18, vierde lid van de APV 2024, waarin staat dat in uitzonderlijke gevallen een ontheffing kan worden verleend. Eiser stelt dat hij sinds 2001 altijd een standplaats heeft gehad. Hij heeft naast zijn AOW een klein pensioen en de inkomsten die hij sinds jaar en dag met de verkoopstandplaats verdient, zijn daarom zeer welkom. Hij ziet de verkoopactiviteiten niet als werk, maar als hobby en vrijetijdsbesteding, en haalt er – als gepensioneerde fan van PSV – ook veel plezier uit. Daarnaast is aan PSV wel een evenementenvergunning verleend voor het seizoen 2024/2025, waarmee exact dezelfde bedrijfsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd zoals eiser die altijd heeft uitgevoerd, op exact dezelfde plaats. Eiser vindt dat oneerlijk. De evenementenvergunning komt de facto neer op een standplaatsvergunning dan wel standplaatsontheffing.
7.1.
In artikel 5:18, eerste en vierde lid van de APV 2024 staat:
“1.Het is verboden een standplaats in te nemen of te hebben.
(…)
4. Burgemeester en wethouders kunnen in uitzonderlijke gevallen van dit verbod ontheffing verlenen;
(…)”
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende kenbaar heeft gemotiveerd waarom er in het geval van eiser geen sprake is van een ‘uitzonderlijk geval’ in de zin van artikel 5:18, vierde lid van de APV 2024. In het bestreden besluit is daarover alleen door het college opgenomen:
“(…) Het feit dat aan eiser eerder een uitzonderingspositie is toegekend voor het innemen van een vaste standplaats betreft niet een zodanige omstandigheid dat op basis daarvan ontheffing van het verbod zou moeten worden verleend.”
Een toelichting waarom het college dit vindt en hoe de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, in die afweging zijn meegenomen, ontbreekt in het bestreden besluit. Verder stelt de rechtbank vast dat in de eerder geldende APV [3] stond dat als iemand een standplaats in wilde nemen, er een vergunning moest worden aangevraagd. In afwachting van het nieuwe beleid (APV 2024) is het rapport ‘Ambulante handel in Eindhoven – Een gedeelte visie op markten en standplaatsen’ (rapport) in maart 2021 opgesteld. In dit rapport (dat het college heeft overgelegd) is het volgende opgenomen:

“2.3 Verkoopstandplaatsen

(…) Momenteel verlenen we, in afwachting van dit nieuwe beleid, geen standplaatsvergunningen meer. Uitzondering hierop is de vergunning voor oliebollenkramen in november en december. (…)”
Het is dan ook opmerkelijk dat het college op de zitting heeft gezegd dat in 2023 (dus twee jaar nadat de bovenstaande passage in een rapport werd opgenomen) wel een vaste standplaatsvergunning voor de duur van vijf jaar aan PSV is verleend op (onder andere) de plek die eiser tot voor kort sinds jaar en dag innam. Het college heeft op de zitting geen verdere toelichting kunnen geven waarom deze vergunning aan PSV is verleend. Dit maakt de toch al summiere motivering van het college dat eiser geen ‘uitzonderlijk geval’ is volgens de rechtbank nog minder inzichtelijk.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit gelet op wat is overwogen onder 7.2 onvoldoende kenbaar is gemotiveerd. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt.
8.1.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Redengevend daarvoor is dat een tussenuitspraak niet zou bijdragen aan een doelmatige en efficiënte afdoeningswijze. Het college moet daarom een nieuw besluit op het bezwaar van eiser nemen, met inachtneming van wat in deze uitspraak onder 7.2 is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
8.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,– (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,– en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het college het betaalde griffierecht van € 194,– aan eiser vergoedt;
  • bepaalt dat het college de proceskosten van in totaal € 1.868,– aan eiser moet betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, rechter, in aanwezigheid van mr. F.M. van den Assem, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Geldend van 16 januari 2024 tot en met 4 januari 2025.
2.Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:679.
3.Algemene Plaatselijke Verordening geldend van 1 mei 2015 tot en met 15 januari 2024.