Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2294

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
9 april 2026
Zaaknummer
10388064
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gelasten deskundigenonderzoek inzake kosteloze voetzorg en eigen bijdrage

In deze civiele procedure tussen eiser en ONVZ Ziektekostenverzekeraar N.V. staat centraal of eiser onterecht eigen bijdragen heeft moeten betalen voor voetzorg waarop hij kosteloos aanspraak kan maken op grond van zijn zorgindicatie (Zorgprofiel 4).

De kantonrechter bevestigt het tussenvonnis van 15 januari 2026 en gelast een deskundigenonderzoek. Dit onderzoek moet onder meer vaststellen welke voetzorg eiser vanaf 2020 tot heden kosteloos toekomt, of deze zorg daadwerkelijk is verstrekt en kosteloos is geleverd, en hoe dit in contracten tussen ONVZ, podotherapeuten en pedicures is gewaarborgd.

Beide partijen hebben zich kunnen uitlaten over de benoeming van de deskundige en de te stellen vragen. De kantonrechter wijst juridische vragen af als niet ter zake dienend voor het deskundigenonderzoek en schrapping van enkele vragen volgt. De kosten van het deskundigenonderzoek komen volledig voor rekening van eiser, omdat de bewijslast bij hem ligt.

De deskundige zal bij afzonderlijk vonnis worden benoemd na vaststelling van een kostenbegroting. Het onderzoek zal zelfstandig worden uitgevoerd met inachtneming van de Leidraad deskundigen in civiele zaken. Partijen krijgen gelegenheid om op het concept-rapport te reageren. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor benoeming van de deskundige en vaststelling van het voorschot op 28 mei 2026.

Uitkomst: De kantonrechter gelast een deskundigenonderzoek naar de kosteloze voetzorg en eigen bijdragen van eiser en bepaalt de procedure voor benoeming en kosten.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 10388064 \ CV EXPL 23-1100
Vonnis van 16 april 2026
in de zaak van
[eiser],
wondende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. E.H.J. van Gerven,
tegen
ONVZ ZIEKTEKOSTENVERZEKERAAR N.V.,
gevestigd te Houten,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ONVZ,
gemachtigde: mr J.J. Doornbos en J. van der Linden - Koraichi (voorheen
mr. K.J.W. Rinsma).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende stukken:
  • het tussenvonnis van 15 januari 2026, waarin is bepaald dat partijen zich mogen uitlaten over het voornemen van de kantonrechter om een deskundige te benoemen;
  • de akte uitlating van [eiser] ;
  • de akte uitlating van ONVZ.
1.2.
Vervolgens heeft de kantonrechter wederom een datum voor vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De kantonrechter volhardt in hetgeen dat in het tussenvonnis van 15 januari 2026 (hierna: het tussenvonnis) is overwogen en beslist.
2.2.
Beide partijen hebben zich kunnen uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage.
De noodzaak van een deskundigenbericht
2.3.
[eiser] heeft zich niet uitgesproken tegen het gelasten van een deskundigenbericht.
2.4.
ONVZ heeft aangevoerd verbaasd te zijn over het gelasten van het deskundigenonderzoek en benadrukt dat er geen reden is te twijfelen aan de medische indicatie, zoals die blijkt uit de overgelegde verklaringen van de indicerend podotherapeut en behandelend medisch pedicure.
2.5.
Zoals de kantonrechter in het tussenvonnis heeft overwogen heeft [eiser] de verklaringen van de indicerend podotherapeut en behandelend medisch pedicure – die er overigens beiden belang bij (kunnen) hebben om te verklaren zoals zij hebben gedaan – gemotiveerd en met objectieve stukken (waaronder de Zorgmodule Preventie Voetulcera 2024) weersproken. Om die reden acht de kantonrechter een deskundigenonderzoek aangewezen. Hetgeen ONVZ aanvullend heeft aangevoerd in haar akte uitlating maakt dit niet anders.
De persoon van de deskundige
2.6.
De kantonrechter stelt vast dat beide partijen geen bezwaar hebben gemaakt tegen de persoon van de beoogd deskundige.
De aan de deskundige voor te leggen vragen
2.7.1.
[eiser] heeft verzocht naast de in het tussenvonnis voorgestelde vragen tevens de volgende vragen aan de te benoemen deskundige voor te leggen:
1. Is er iets veranderd aan de wettelijke regelgeving met betrekking tot de preventieve
voetzorg bij diabetes mellitus en nierfalen in de periode gelegen tussen eind 2019 en 28 januari 2020?
2. De NZa heeft in 2023 onderzoek gedaan naar meerdere meldingen over zorgaanbieders die bij patiënten een eigen bijdrage per behandeling in rekening brengen (zie productie 33).
A. Kunt u aangeven wat de uitkomsten van dat onderzoek zijn geweest?
B. Zijn er in dit kader door de NZa (formele) maatregelen opgelegd en/of richtlijnen of adviezen opgesteld, en zo ja welke zijn dat geweest?
C. Is deze problematiek nog steeds actueel, en zo ja, hoe gaat de NZa daar nu mee om?
3. Klopt de stelling dat - vanwege de beperkingen die i.v.m. Corona van toepassing waren vanaf omstreeks maart 2020 - het voor pedicures in die tijd alléén was toegestaan om medisch noodzakelijke behandelingen uit te voeren (en dus geen cosmetische behandelingen)?
4. Voor pedicures heeft ProVoet in samenspraak met de Belastingdienst de meest voorkomende behandelingen geanalyseerd en geconcludeerd dat die behandelingen tevens de behandelingen zijn die vallen onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (kortweg Wkkgz) en om die reden van BTW zijn vrijgesteld. Het gaat om voetbehandelingen die noodzakelijk zijn als het niet behandelen van huid- en nagelaandoeningen een risico vormt op complicaties. Kunt u dan de stelling onderschrijven dat wanneer uit de factuur van een pedicure blijkt dat er geen BTW in rekening is gebracht, er sprake moet zijn geweest van een noodzakelijke behandeling (en dus niet een cosmetische behandeling)? En zo nee, waarom niet?
5. Als aanvullingen op de vragen nr. 5, 6 en 7 in het tussenvonnis:
A. Door ONVZ is eerder aangevoerd dat zij bekend zijn met het feit dat sommige
pedicures de tarieven die podotherapeuten hanteren te laag vinden, waardoor zij de klant een deel laten bijbetalen, maar dat zij daar als zorgverzekeraar niets aan kunnen doen. Wat is uw mening hierover en wilt u dat gemotiveerd toelichten?
B. Speelt de hoogte van de vergoeding die de podotherapeut aan de pedicure betaald hierin een rol, en zo ja, welke?
C. In hoeverre sluiten de Richtlijnen - die door podotherapeuten worden gehanteerd ten aanzien van medisch noodzakelijk voetzorg - aan bij de uitgangspunten die in de Zorgmodule Preventie Voetulcera 2024 als medisch noodzakelijke voetzorg staan gedefinieerd?
2.7.2.
De kantonrechter overweegt als volgt over de voorgestelde aanvullende vragen.
Vraag 1 betreft een juridische vraag, reden waarom deze zich niet leent voor beantwoording door de te benoemen deskundige. Een deskundige wordt benoemd om specifieke kennis toe te passen op de feiten van een zaak en niet om juridische vragen te beantwoorden, dit is voorbehouden aan de kantonrechter.
Ten aanzien van vraag 2 geldt dat de in deze procedure te benoemen deskundige van de NZa niet in diens rol als toezichthoudende instantie zal worden benoemd maar als onafhankelijke deskundige vanwege diens expertise op medisch en verzekeringstechnisch gebied. Beantwoording van de door [eiser] voorgestelde vraag is dan ook niet ter zake dienend voor deze procedure.
Ook vraag 3 en vraag 4 (die in het verlengde ligt van vraag 3) betreffen juridische vragen.
Ten aanzien van alle onderdelen van vraag 5 geldt dat sprake is van algemene vragen die niet specifiek op deze zaak betrekking hebben. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn de antwoorden op deze vragen niet ter zake dienend voor de beoordeling van de vorderingen die in deze procedure voorliggen.
2.7.3.
Verder is door [eiser] aangevoerd dat reeds uit de door ONVZ overgelegde gegevens is gebleken dat zij het wettelijk maximumtarief heeft uitbetaald. Aangezien [eiser] dit standpunt van ONVZ niet meer betwist ziet de kantonrechter aanleiding om vragen 3 en 4, zoals geformuleerd in het tussenvonnis, te schrappen.
2.8.
Ten aanzien van de door ONVZ naar voren gebrachte bezwaren tegen de in het tussenvonnis voorgestelde vragen overweegt de kantonrechter als volgt.
De opmerking dat vraag 1 uit het tussenvonnis geen medisch inhoudelijke vraag betreft wordt gepasseerd aangezien de kantonrechter, zoals ook in het tussenvonnis is overwogen, de beoogd deskundige, niet alleen vanwege diens medische kennis maar tevens voor zijn verzekeringstechnische kennis wenst in te schakelen.
Voor zover de vragen in het tussenvonnis onder 2. geen zorginhoudelijke vragen betreffen geldt dat de kantonrechter de beantwoording daarvan relevant acht voor de beoordeling van de voorliggende vorderingen en zelf niet in staat is deze te beantwoorden met de in de procedure overgelegde stukken. De beoogde deskundige heeft inzage in de hiervoor relevante documenten en is vanwege zijn dubbele expertise (zowel op medisch gebied als op verzekeringstechnisch gebied) in staat de desbetreffende documenten te beoordelen en deze vragen te beantwoorden.
Het door ONVZ gevoerde verweer tegen vraag 4 in het tussenvonnis behoeft geen bespreking meer aangezien hiervoor onder 2.7.3. is overwogen dat deze vraag zal worden geschrapt.
Met betrekking tot vragen 5, 6 en 7 in het tussenvonnis stelt ONVZ zich op het standpunt dat het gaat om juridisch inhoudelijke vragen. Naar aanleiding van dit verweer ziet de kantonrechter reden deze vragen te herformuleren zoals hierna te melden onder de beslissing.
Kosten deskundige
2.9.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat het voorschot op de kosten van de deskundige door beide partijen (ieder 50%) moet worden gedeponeerd omdat niet alle vragen in het tussenvonnis (waaronder vragen 4, 5 en 7) betrekking hebben op rechtsgevolgen van door [eiser] gestelde feiten of rechten.
2.10.
De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet. De vraag die in deze procedure centraal staat is of [eiser] , zoals hij stelt, onterecht eigen bijdrages heeft moeten betalen, voor de zorg waarop hij kosteloos aanspraak kan maken vanwege zijn zorgindicatie (Zorgprofiel 4). De bewijslast hiervan ligt bij [eiser] . Voor zover de aan de te benoemen deskundige te stellen vragen betrekking hebben op door ONVZ naar voren gebrachte feiten, geldt dat deze eveneens betrekking hebben op door [eiser] gestelde feiten. [eiser] stelt immers dat ONVZ tekort is geschoten in haar zorgplicht om hem kosteloos toegang te verschaffen tot de zorg waarop hij op grond van zijn zorgindicatie recht heeft, waarop de vragen 5 en 7 in het tussenvonnis betrekking hebben. Daar ONVZ geen bevrijdend verweer heeft gevoerd ligt de bewijslast volledig bij [eiser] , zodat hij, zoals in het tussenvonnis is overwogen, het (gehele) voorschot op de kosten van de deskundige zal dienen te voldoen.
Het vervolg
2.11.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter overgaan tot het gelasten van een deskundigenbericht. De beoogde deskundige zal bij afzonderlijk vonnis worden benoemd aangezien allereerst een kostenbegroting zal worden opgevraagd, waarover partijen zich mogen uitlaten. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Op welke voetzorg kan [eiser] vanaf 2020 tot heden gelet op zijn zorgindicatie op grond van de wet/basisverzekering kosteloos aanspraak maken?
2. Is die zorg vanaf 2020 tot heden aan [eiser] verstrekt?
Is die zorg vanaf 2020 tot heden kosteloos aan [eiser] verstrekt?
Zo nee, voor welke zorg heeft [eiser] moeten betalen?
Zo ja, voor welke zorg heeft [eiser] betaald en op basis van welke overeenkomst met welke zorgverlener?
3. Hoe is in het contract tussen ONVZ en de betrokken podotherapeut gewaarborgd dat [eiser] de voetzorg waarop hij vanaf 2020 tot heden gelet op zijn zorgindicatie op grond van de wet/basisverzekering kosteloos aanspraak kan maken, ontvangt?
4. Hoe is in het contract tussen de gecontracteerde podotherapeut en de pedicure gewaarborgd dat [eiser] de voetzorg waarop hij vanaf 2020 tot heden gelet op zijn zorgindicatie op grond van de wet/basisverzekering kosteloos aanspraak kan maken, ontvangt?
5. Op welke wijze ziet ONVZ erop toe dat de door haar gecontracteerde zorgaanbieders, in casu podotherapeuten, de gecontracteerde zorg waarop haar verzekerden, in casu [eiser] , op de grond van de wet/ basisverzekering kosteloos, aanspraak kunnen maken hebben, ook daadwerkelijk kosteloos wordt verleend?
6. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de kantonrechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
3.2.
bepaalt dat de deskundige bij afzonderlijk vonnis zal worden benoemd,
het voorschot
3.3.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:
- de nog te benaderen deskundige zal een begroting van de kosten opgeven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten,
- de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen,
- partijen kunnen desgewenst
binnen twee wekenna dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting,
- indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag,
- indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,
3.4.
bepaalt dat [eiser] het voorschot ter griffie dient te deponeren en wel binnen
twee wekenna een daartoe strekkend betalingsverzoek van het Landelijk dienstencentrum voor de Rechtspraak,
3.5.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot.
het onderzoek
3.6.
bepaalt dat [eiser] zijn procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen.
3.7.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats.
3.8.
wijst de deskundige er op dat:
- de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
- de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,
- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
- de deskundige partijen bij een onderzoek van een object ter plaatse gelegenheid dient te bieden dit onderzoek bij te wonen; indien slechts één partij, althans niet alle partijen, bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig is of zijn, de deskundige dit onderzoek niet mag uitvoeren, tenzij alle partijen zijn uitgenodigd om bij dat onderzoek aanwezig te zijn, en dat uit het rapport moet blijken dat hieraan is voldaan,
- indien partijen bij het onderzoek van objecten ter plaatse aanwezig zijn geweest, uit het rapport moet blijken welke opmerkingen zij hebben gemaakt en welke verzoeken zij hebben gedaan, en hoe de deskundige hierop heeft gereageerd,
3.9.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
3.10.
draagt de deskundige op om binnen de in de volgende beslissing vast te stellen termijn een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
3.11.
wijst de deskundige er op dat:
- uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
3.12.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
3.13.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
donderdag 28 mei 2026 te 09:00 uurvoor benoeming van de deskundige en voor de vaststelling van de hoogte van het voorschot;
3.14.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op
16 april 2026.