Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2151

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
11976275
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:673 lid 1 BWArt. 7:681 lid 1 onderdeel a BWArt. 7:653 BWArt. 7:686a lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig; toekenning billijke vergoeding en bewijsopdracht transitievergoeding

De werknemer was jarenlang eigenaar en tandarts van een tandartspraktijk die hij in 2023 deels verkocht aan twee andere aandeelhouders, waarna hij in dienst trad als werknemer. Na conflicten en waarschuwingen over het niet nakomen van arbeidsverplichtingen en het betreden van de praktijk buiten openingstijden, werd de werknemer op 28 augustus 2025 op staande voet ontslagen wegens het betreden van de behandelruimte buiten openingstijden en het uitschakelen van camera's.

De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is omdat de gedragingen van de werknemer, hoewel verwijtbaar, niet zodanig ernstig zijn dat van de werkgever niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. De bijzondere arbeidsrelatie en omstandigheden, waaronder het feit dat de werknemer zijn broer behandelde die terminaal ziek was, spelen hierbij een rol.

De werknemer krijgt een bewijsopdracht om aan te tonen dat hij sinds 1994 onafgebroken in dienst is geweest, wat relevant is voor de berekening van de transitievergoeding. Daarnaast wordt een billijke vergoeding van € 60.000 toegekend wegens het ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever door het onterecht ontslag op staande voet.

Verdere verzoeken van partijen, zoals over aandelenoverdracht, concurrentiebeding, en het plaatsen van verborgen camera's, worden niet-ontvankelijk verklaard omdat deze niet direct verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst. Ook verzoeken tot betaling van gefixeerde schadevergoedingen worden afgewezen. De bewijslevering over arbeidsomvang en dienstverband wordt aangehouden en zal in een nader getuigenverhoor worden behandeld.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig; werknemer krijgt een billijke vergoeding van € 60.000 en een bewijsopdracht voor de transitievergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Beschikking van 26 maart 2026
In de zaak met zaaknummer / rekestnummer: 11976275 \ EJ VERZ 25-523
[verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] ,
gemachtigde: mr. S.J.M. Peters,
tegen
[verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] B.V.,
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] ,
gemachtigde: mr. T. van Liempd.
In de zaak met zaaknummer / rekestnummer: 11976274 \ EJ VERZ 25-522
[verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] B.V.,
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] ,
gemachtigde: mr. T. van Liempd,
tegen
[verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522],
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] ,
gemachtigde: mr. S.J.M. Peters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure inzake 11976275 \ EJ VERZ 25-523 blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] met 24 bijlagen,
- het verweerschrift van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] met 19 producties,
- de brief met bijlagen 26 tot en met 41 van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] ,
1.2.
Het verloop van de procedure inzake11976273 \ EJ VERZ 25-522 blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] met 7 producties,
- het verweerschrift van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] met 25 bijlagen,
- de brief met bijlagen 26 tot en met 41 van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] ,
1.3.
De hiervoor onder 1.1. en 1.2. genoemde stukken worden geacht onderdeel uit te maken van beide procedures.
1.4.
Op 2 maart 2026 heeft in beide procedures tezamen de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De gemachtigden van partijen hebben pleitaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt.
1.5.
Na het sluiten van de mondelinge behandeling is beschikking in beide procedures bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , geboren [geboortedatum] 1967, was tot 17 februari 2023 via zijn vennootschap [A] B.V. enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [B] B.V. (en haar rechtsvoorganger [C] N.V.), een tandartspraktijk in [plaats] .
2.2.
Per 17 februari 2023 hebben [D] (hierna: [D] ), enig aandeelhouder van de besloten vennootschap Mue Dent B.V., en [E] (hierna: [E] ) enig aandeelhouder van de besloten vennootschap Degrodent B.V., respectievelijk 74% en 24% van de aandelen van de tandartspraktijk overgekocht. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft 2% van de aandelen behouden. [D] en [E] waren beiden voorheen werkzaam bij [B] , respectievelijk in de functie van tandarts en preventie-assistente.
Vanaf 17 februari 2023 vormen [D] en [E] gezamenlijk het bestuur van de tandartspraktijk die ‘ [F] B.V.’ (hierna ook: [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] ) is gaan heten.
2.3.
Ten behoeve van de praktijkovername is een aantal overeenkomsten gesloten:
  • een aandelenovereenkomst tussen enerzijds [A] B.V. en anderzijds Mue Dent B.V. en Degrodent B.V.
  • een overeenkomst van geldlening tussen [A] B.V. en Degrodent B.V.
  • een aandeelhoudersovereenkomst die is gesloten door zowel [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , [D] en [E] in persoon, als in hoedanigheid van bestuurder van hun persoonlijke holdings en in hoedanigheid van bestuurders van [F] B.V.
  • een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] en [F] B.V.
  • een huurovereenkomst tussen enerzijds [A] B.V. als verhuurder en anderzijds [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] B.V. en Degrodent B.V. als huurder.
2.4.
In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] met ingang van 1 januari 2023 voor onbepaalde tijd in dienst treedt bij [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] . De functie van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is tandarts met een loon van € 9.240,00 bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag.
2.5.
In de huurovereenkomst staat, voor zover in deze procedure van belang, het volgende:
Het gehuurde, bestemming
1.1
Verhuurder verhuurt aan Huurder en Huurder huurt van Verhuurder het navolgende gedeelte van de onroerende zaak gelegen te [postcode] [plaats] , aan de [adres] , kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding] ter grootte van in totaal circa 218 m2, nader te noemen “het gehuurde”:
a. Het gebruik van de wachtkamer en twee behandelingskamers op de begane grond, zoals geel gearceerd op de plattegrond (Bijlage 1), welke aan deze overeenkomst is vastgehecht en door partijen is geparafeerd,
b. Het gemeenschappelijk gebruik van de inkomhal, het portaal van het trappenhuis, toilet en de tuin op de begane grond zoals blauw gearceerd op de plattegrond welke aan deze overeenkomst is vastgehecht;
c. Het gemeenschappelijk gebruik van de keuken en toilet op de eerste verdieping, zoals blauw gearceerd op de plattegrond welke aan deze overeenkomst is vastgehecht en door partijen is geparafeerd,
d. Het gemeenschappelijk gebruik van de kelder;
e. Het gebruik van één kamer op de zolder, alwaar thans de kleedruimte ten behoeve van de tandartspraktijk, partijen genoegzaam bekend
(…)
10.2
Zolang de heer [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] de bovenwoning in gebruik heeft, is hij vrijelijk gerechtigd de behandelingsruimte op de begane grond op zowel openingstijden als buiten openingstijden te betreden om te komen en te gaan naar de tuin, hierbij mede begrepen om met zijn fiets via de praktijk zich naar de openbare weg, dan wel de tuin te begeven en vice versa.”
2.6.
In 2024 heeft [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] meerdere waarschuwingen aan [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] gegeven. Op 1 augustus 2024 is een brief aan [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] verstuurd waarin het volgende is opgenomen:
“Zoals via mail aangekondigd, ontvangt u de tweede officiële waarschuwing.
Wat betreft de eerste waarschuwing op 12 maart 2024: u heeft nog steeds niet uw arbeidscontractuele verplichtingen vervuld.
Opnieuw: volgens uw arbeidscontract 36 uur per week met 26 vakantiedagen. U ontvangt een bruto salaris van € 9.240,-.
Sinds de eerste waarschuwing in maart 2024 heeft u de volgende dagen gewerkt:
April 2024: 9.4./10.4./23.4./24.4./30.4. = 5 dagen
Mei 2024: 15.5./28.5./30.5 (halve dag) = 2,5 dagen
Juni 2024: 3.6./4.6./12.6./14.6./18.6./19.6. = 6 dagen
Juli 2024: l,7./2,7. (halve dag) 16.7. (halve dag) 17.7./18.7. (halve dag) = 3,5 dagen
Door dit oneconomisch wangedrag krijgt u in de toekomst alleen nog
betaald voor de uren die u daadwerkelijk in de praktijk werkt. Uw
huidige salaris is niet langer economisch haalbaar voor de praktijk.
Bovendien zal, door uw ongeoorloofd handelen als bestuurder: u heeft
uw arbeidsovereenkomst in uw voordeel gewijzigd zonder mijn
toestemming en ondertekening als werkgever (zie contract).
Uw rol als bestuurder zal op de volgende algemene vergadering in
twijfel worden getrokken. De redenen zijn: geen plichtsbesef, vertrouwensbreuk en oncollegialiteit. (…)”
2.7.
Op 3 december 2024 is een e-mailbericht aan [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] verstuurd waarin het volgende staat vermeld:
“(…)Praktijk betreden buiten openingstijden
Cliënte heeft geconstateerd dat uw cliënt gisteren de praktijk s ’nachts / laat in de avond betreedt. Hij heeft de camera’s weggedraaid en de balie computer gebruikt (deze stond aan toen cliënte wegging en die is uitgezet). Het behoeft geen betoog dat dit niet toegestaan is . Uw cliënt is vanwege ziekte niet aan het werk, dan hoort hij ook niet na openingstijd in de praktijk te verblijven. Indien dit nog eens voorvalt, dan zal cliënte hier gevolgen aan verbinden. Ik vernam overigens van cliënte dat zij uw cliënt al vaker op de camera van de zaak heeft gezien/gehoord (buiten openingstijden). Nogmaals: dit is niet toegestaan!(…)”
2.8.
Op 28 augustus 2025 is [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief, die per e-mail aan de gemachtigde van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is verstuurd, staat het volgende:

(…) [D] heelt vastgesteld dat uw cliënt buiten openingstijden de praktijk heeft betreden. Dit handelen is expliciet als niet toegestaan aangemerkt en is aan uw cliënt medegedeeld.
Voorts is na terugkeer van [D] gebleken dat uw cliënt behandelingen heeft uitgevoerd bij patiënten, althans de behandelruimte heeft betreden en slangen heeft meegenomen of uit de ruimte heeft gehaald, en dat uw cliënt de camera in de behandelruimte heeft uitgezet. Dit gebeurde terwijl uw cliënt eerder per e-mail was verboden om de gehuurde ruimte zonder toestemming te betreden en om met de camera’s te manipuleren en hiervoor reeds een officiële waarschuwing heeft ontvangen.
Daar komt bij dat uw cliënt de compressor heeft aangezet en aangelaten waardoor het afzuigsysteem in werking trad. Volgens [D] kan de compressor voor geen andere legitieme handeling worden gebruikt, zodat dit een duidelijke indicatie vormt dat uw
cliënt de behandelstoel buiten openingstijden heeft gebruikt waartoe geen toestemming bestond. Deze omstandigheid verzwaart de ernst van het handelen van uw cliënt.
In uw e-mail van 28 augustus 2025 geeft u namens uw cliënt uitleg. Kort samengevat komt het op het volgende neer:
1. Uw cliënt zou het recht hebben om de ruimte te betreden zonder toestemming van [D] , omdat uw cliënt verhuurder is;
2. Uw cliënt zou zijn broer hebben behandeld;
3. De camera vindt uw cliënt onwenselijk en in strijd met privacy.
De hiervoor beschreven gedragingen, afzonderlijk en in onderlinge samenhang beschouwd, leveren een dringende reden op om de arbeidsovereenkomst van uw cliënt met onmiddellijke ingang op 28 augustus 2025 te beëindigen. De eerdere schriftelijke waarschuwing van 3 december 2024, waarin onder meer Is aangegeven dat het betreden van de praktijk builen openingstijden en het manipuleren van camera's verboden is, maakt dit ontslag gerechtvaardigd. Uw cliënt lijkt het verschil tussen zijn rol als verhuurder en zijn rol als werknemer te verwarren. Het Is [D] toegestaan, zeker gezien de ernstig en duurzaam verstoorde verhouding die niet is opgelost door mediation, uw cliënt te instrueren dat hij de ruimte niet betreedt. Daarnaast is uw cliënt geïnstrueerd en gewaarschuwd dat hij geen behandelingen mag uitvoeren, als [D] niet aanwezig Is. Ook aan die instructie heeft uw cliënt lak gehad. Last but not least, het is [D] toegestaan in het kader van veiligheid en controle om een camera op te hangen. Dat uw cliënt lak heeft aan de redelijke instructie, maakt het ontslag op slaande voel des te gerechtvaardigder.
De opmerking dat het ontslag is ingegeven door de aankondiging dat uw cliënt zich beter wil melden, kan [D] niet plaatsen. In dat geval had [D] namelijk een ontbindingsverzoek ingediend, vanwege de ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, alsmede (ernstig) verwijtbaar handelen aan de zijde van uw cliënt.
Bij het nemen van deze beslissing heeft [D] rekening gehouden met alle omstandigheden en de verstrekkende gevolgen voor uw cliënt, waaronder de financiële gevolgen. De voorgeschiedenis van uitschelden en intimideren heeft uiteraard ook een rol gespeeld.
Doordat uw cliënt [D] in een positie heeft gebracht waarin beëindiging op staande voet onvermijdelijk is, is uw cliënt aan [D] de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd. Met de eindafrekening zal deze schadevergoeding worden verrekend voor-zover
toereikend en zo nodig separaat worden nagefactureerd. Voorts kwalificeren de dringende redenen als ernstig verwijtbaar, zodat geen aanspraak bestaat op de transitlevergoeding.(…)”

3.Het verzoek en het verweer inzake 11976275 \ EJ VERZ 25-523

3.1.
[verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding van € 1.171.158,91 bruto toe te kennen en verzoekt om [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 105.313,98. Daarnaast verzoekt [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] om voor recht te verklaren dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] niet verplicht is zijn resterende aandelenbelang van 2% over te dragen (op grond van de bad leaver bepaling) en dat [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] geen rechten (meer) kan ontlenen aan het met [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] overeengekomen concurrentie- en relatiebeding. Ten slotte verzoekt hij om [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] te verbieden om één of meer verborgen camera’s te plaatsen en/of intact te houden in of aan het pand aan de [adres] te [plaats] , op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,- per overtreding.
3.2.
Volgens [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] voert het volgende aan. Er is geen sprake van een dringende reden die het ontslag op slaande voet rechtvaardigt, althans de gedragingen van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] zijn niet zodanig verwijtbaar dat hem geen transitievergoeding toekomt.
3.3.
[verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] voert ‑ samengevat ‑ aan dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend.

4.Het verzoek en het verweer inzake 11976273 \ EJ VERZ 25-522

4.1.
[verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] verzoekt de kantonrechter om voor recht te verklaren dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] op 28 augustus 2025 terecht op staande voet is ontslagen en dat [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] € 31.217,36 bruto onverschuldigd aan [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft betaald. Daarnaast verzoekt zij [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding van € 11.266,84 en tot terugbetaling van € 31.217,36 bruto inclusief vakantiegeld, beide te vermeerderen met de wettelijke rente. Verder verzoekt zij [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] te verbieden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming de bedrijfslocatie te betreden – uitgezonderd de uitzonderingen op basis van de huurovereenkomst – op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-. Ten slotte verzoekt zij [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] te verbieden om op enigerlei wijze contact op te nemen met [D] en [E] , met uitzondering van contact dat uitsluitend plaatsvindt via advocaat of gemachtigde of andere professioneel adviseur voor zover dit noodzakelijk is in het kader van de juridische en financiële afwikkeling van de tussen [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] en [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] bestaande rechtsverhoudingen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag met een maximum van € 50.000,-.
4.2.
[verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de verzoeken c.q. vorderingen van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] , met veroordeling van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] in de kosten van de procedure.

5.De beoordeling

5.1.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de (tegen)verzoeken van partijen in beide procedures zullen de (tegen)verzoeken hierna gezamenlijk worden besproken.
Het ontslag op staande voet is niet rechtsgeldig
5.2.
Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.
5.3.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
5.4.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet er onverwijld worden opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werkgever moet de dringende reden bewijzen.
5.5.
In de ontslagbrief van 28 augustus 2025 wordt [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] verweten dat hij behandelingen heeft uitgevoerd bij patiënten, althans de behandelruimte heeft betreden en slangen heeft meegenomen of uit de ruimte heeft gehaald, en dat hij de camera in de behandelruimte heeft uitgezet. Deze verwijten hebben betrekking op dat wat zich medio augustus 2025 heeft afgespeeld. Tussen partijen staat niet ter discussie dat in de vakantieperiode waarin de tandartspraktijk gesloten was, [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] zijn broer heeft behandeld en daarvoor de behandelruimte heeft betreden en de daarin aanwezige camera heeft uitgeschakeld. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] stelt dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] daarmee in strijd met eerdere mondelinge en schriftelijke waarschuwingen en duidelijke instructies heeft gehandeld. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft daar tegen ingebracht dat aan de eerdere waarschuwing van 3 december 2024 geen gewicht toekomt omdat hij woonachtig is boven de praktijk en op basis van de huurovereenkomst het recht heeft om buiten openingstijden de behandelruimte te betreden om te komen en gaan naar de tuin en deze waarschuwing daarom is gepareerd bij schrijven van 22 april 2025. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] niet in dat betoog kan worden gevolgd. Vast staat immers dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] de behandelruimte niet heeft betreden om te komen en gaan naar de tuin maar om een behandeling uit te voeren en vast staat ook dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] een gewaarschuwd man was, ook als hij zich niet met de inhoud van de waarschuwing in de brief van 3 december 2024 kon verenigen. Bovendien heeft [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] ter zitting erkend dat hij zich ervan bewust was dat hij fout handelde, maar dat hij de behandeling toch heeft uitgevoerd omdat hij wilde dat er “schot in de zaak kwam”, waarmee [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] doelt op de ernstig verstoorde arbeidsrelatie die tussen partijen was ontstaan. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [F] terecht verwijt dat hij ondanks de eerdere waarschuwing in strijd heeft gehandeld met de instructie van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] . De kantonrechter is evenwel van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of het verwijtbare handelen van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] een dringende reden voor ontslag op staande voet oplevert, niet kan worden voorbijgegaan aan de bijzondere (arbeids)relatie tussen partijen en de bijzondere omstandigheden van het geval. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is ruim 30 jaar eigenaar geweest van de tandartspraktijk, die hij via een aandelenoverdracht (als beschreven in r.ov. 2.2. en 2.3) aan [D] en [E] heeft verkocht. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft onweersproken gesteld dat hij de praktijk wilde verkopen omdat hij minder wilde werken en het de bedoeling van partijen was dat hij nog enkele jaren aan de praktijk verbonden bleef om aan hem verknochte patiënten te behandelen. Door [E] is erkend dat het [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] was toegestaan om maandelijks in Spanje te verblijven en dat aan die afspraak ook uitvoering is gegeven. Daarnaast is [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] , via zijn holding, eigenaar van het pand waarin de tandartspraktijk is gevestigd en heeft hij het (mede)gebruik aan [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] verhuurd. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is in de bovenwoning boven de praktijk blijven wonen. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] en [D] en [E] zijn dus via diverse rechtsverhoudingen met elkaar verbonden en tot 2024 werd [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] een grote vrijheid gegeven met betrekking tot het bepalen van zijn agenda en werktijden. Medio 2023 zijn er spanningen tussen [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] en [D] en [E] ontstaan en in de loop van 2024 hebben zich steeds meer conflicten voorgedaan. Uit de stukken blijkt dat [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] vanaf dat moment haar formele gezag als werkgever doet gelden. Hoewel [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] dat gezag op grond van de arbeidsovereenkomst dient te aanvaarden en hij de instructies van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] dient op te volgen, is het gelet op de hiervoor geschetste voorgeschiedenis evengoed voorstelbaar dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] daarmee in strijd handelt wanneer zijn broer, die ruim 30 jaar zijn patiënt is, in augustus 2025 om een behandeling verzoekt. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft onweersproken gesteld dat zijn broer terminaal ziek is en hij acuut een behandeling nodig had omdat een tand was afgebroken, terwijl [D] en [E] op vakantie waren. Hoewel [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] op zichzelf genomen terecht een punt maakt van het feit dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] toestemming had kunnen en moeten vragen, is de kantonrechter van oordeel dat het gelet op de voortdurende conflictsituatie tussen partijen begrijpelijk is dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] die toestemming niet heeft gevraagd. De kantonrechter is van oordeel dat onder de hiervoor besproken omstandigheden het [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] weliswaar verwijtbaar heeft gehandeld, maar dat dit handelen niet zodanig ernstig is dat van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
Aan [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] wordt een bewijsopdracht gegeven m.b.t. de hoogte van de transitievergoeding
5.6.
Het verzoek om [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding zal worden toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Een dringende reden valt niet zonder meer samen met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werknemer. Maar bij gebreke van een dringende reden en gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is er geen grond om te oordelen dat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] . Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [1]
5.7.
Voor de berekening van de transitievergoeding is van belang dat komt vast te staan hoelang de arbeidsovereenkomst heeft geduurd. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft gesteld dat daarbij moet worden uitgegaan van een anciënniteitsdatum van 1 januari 1994, omdat hij toen in dienst is getreden bij de tandartspraktijk, die daarna van rechtsvorm is gewijzigd. Volgens [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is er sprake geweest van een overgang van onderneming, althans van opvolgend werkgeverschap, waardoor als uitgangspunt zijn indiensttreding per 1 januari 1994 heeft te gelden en de transitievergoeding € 105.313,98 bruto bedraagt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] een e-mailbericht van zijn boekhouder overgelegd, waarin de boekhouder verklaart dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] van 1996 tot en met 2022 in loondienst is geweest bij eerst [C] N.V. en later [A] B.V. als directeur-grootaandeelhouder. Ook heeft [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] de jaaropgaaf 2008 van [C] N.V. overgelegd waarop 01-01-1995 als ‘datum in dienst’ is vermeld. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] heeft hier gemotiveerd verweer tegen gevoerd. Volgens [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] was [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] (slechts) directeur-groot aandeelhouder van de vennootschappen en was hij niet in loondienst. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] voert aan dat er geen sprake is van overgang van onderneming althans opvolgend werkgeverschap en dat de transitievergoeding daarom dient te worden berekend op basis van een indiensttreding per 1 januari 2023, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 8.843,38 bruto.
5.8.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] zal [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] worden toegelaten te bewijzen dat hij vanaf 1 januari 1994, althans 1 januari 1995, onafgebroken in dienst is geweest bij (de rechtsvoorganger) van [F] B.V.
Aan [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] wordt een billijke vergoeding van € 60.000,- toegekend
5.9.
Het verzoek van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] tot toekenning van een billijke vergoeding zal eveneens worden toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [2] Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. [3]
5.10.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [4] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
5.11.
Bij het vaststellen van de hoogte van de billijke vergoeding neemt de kantonrechter het volgende in aanmerking. Ter zitting hebben partijen erkend dat hun arbeidsrelatie ernstig en duurzaam is verstoord. Gelet daarop acht de kantonrechter het redelijk om als uitgangspunt te nemen dat, als het ontslag op staande voet zou worden weggedacht, de arbeidsovereenkomst op korte termijn zou zijn geëindigd. Uitgaande van een ontbindingsprocedure, zou de arbeidsovereenkomst hooguit zes maanden hebben voortgeduurd. Bij het bepalen van de billijke vergoeding neemt de kantonrechter ook mee dat [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] weliswaar ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] op staande voet te ontslaan, maar dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] ook verwijtbaar heeft gehandeld door zich niet te houden aan de instructie van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] met betrekking tot het betreden van de behandelruimte. Ook weegt de kantonrechter mee dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] zijn werkzaamheden aan het afbouwen was door enkel nog te werken ‘voor de lol’ en voor verknochte patiënten. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] heeft erop gewezen dat de arbeidsmarkt voor tandartsen gunstig is en [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft dat niet weersproken. Verwacht wordt dan ook dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] op korte termijn elders een functie zal kunnen vervullen. Al met al vindt de kantonrechter een billijke vergoeding van € 60.000,- billijk.
[verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is niet ontvankelijk in zijn overige verzoeken
5.12.
Op grond van artikel 7:686a lid 3 BW kunnen in verzoekschriftprocedures over het einde van de arbeidsovereenkomst ook daarmee verband houdende (tegen)vorderingen worden ingediend. Het verzoek van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] om voor recht te verklaren dat hij niet verplicht is zijn resterende aandelenbelang van 2% over te dragen op grond van de bad leaver bepaling, houdt naar het oordeel van de kantonrechter geen verband met het einde van de arbeidsovereenkomst, nu deze bepaling is opgenomen in de aandeelhoudersovereenkomst, waarbij [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] partij is in zijn hoedanigheid van aandeelhouder en niet van werknemer. Deze vordering moet in een aparte (dagvaardings)procedure worden beoordeeld.
5.13.
Ook de verzochte verklaring voor recht dat [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding zal worden afgewezen. De kantonrechter stelt vast dat in de arbeidsovereenkomst geen concurrentie- of relatiebeding is opgenomen. Voor zover [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] met zijn verzoek het in de aandeelhoudersovereenkomst opgenomen concurrentie- en relatiebeding heeft bedoeld, geldt dat dat geen krachtens artikel 7:653 BW Pro afdwingbaar concurrentie- en relatiebeding is, zodat artikel 7:653 lid 4 BW Pro, waar [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] een beroep op doet, toepassing mist. Partijen zullen de vraag of [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding eveneens in een aparte (dagvaardings)procedure aan de orde moeten stellen.
5.14.
Ten slotte verzoekt [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] om [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] te verbieden om één of meer verborgen camera’s te plaatsen en/of intact te houden in of aan het pand aan de [adres] te [plaats] , op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,- per overtreding. Ook deze vordering voldoet niet aan het criterium van artikel 7:686a lid 3 BW als hiervoor beschreven.
5.15.
Gelet op het voorgaande zal [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] met betrekking tot de hiervoor genoemde verzoeken niet-ontvankelijk worden verklaard.
Het verzoek van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen
5.16.
Het verzoek van [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] om [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde vergoeding wordt afgewezen. Hiervoor is immers geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is.
Aan [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] wordt een bewijsopdracht gegeven met betrekking tot de overeengekomen arbeidsomvang
5.17.
[verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] heeft verzocht voor recht te verklaren dat zij een bedrag van € 31.217,36 bruto onverschuldigd aan [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft betaald. Daarnaast heeft zij verzocht [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] te veroordelen tot terugbetaling van dit bedrag.
5.18.
[verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] niet de overeengekomen arbeidsduur heeft gewerkt en dat het niet verrichten daarvan voor rekening van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] behoort te komen. Ter onderbouwing van haar verzoek heeft [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] gewezen op artikel 3 van Pro de arbeidsovereenkomst waarin een arbeidsomvang van 36 uur is bepaald. Vervolgens heeft [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] gesteld dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] in april 2024 5 dagen, in mei 2024 2,5 dag, in juni 2024 6 dagen en in juli 2024 3,5 dag heeft gewerkt.
5.19.
[verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] heeft het aantal uren dat hij in de maanden april tot en met juli 2024 heeft gewerkt, niet betwist. Wel stelt hij dat er in afwijking van de in artikel 3 opgenomen Pro arbeidsomvang tussen partijen andere afspraken zijn gemaakt. Volgens [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] is op advies van de boekhouder in zowel de arbeidsovereenkomst van [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] als in de arbeidsovereenkomst van [D] een arbeidsomvang van 36 uur overeengekomen, maar werkten zij beiden minder uren terwijl het bruto maandloon ongewijzigd bleef en werkte [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] voor de overname ook al minder dan 36 uur. [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] stelt dat hij alleen in dienst was om verknochte patiënten te blijven behandelen en het de bedoeling van partijen was dat na overname van de praktijk [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] twee weken op, twee weken af, zou werken. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] weerspreekt dat niet, maar voert aan dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] ondanks deze afspraak maandelijks wel gemiddeld 36 uur per week moest werken. Daarnaast stelt [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] dat vanwege de verstoorde arbeidsrelatie partijen begin augustus 2024 zijn overeengekomen dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] iedere twee weken anderhalve dag (van 07.30 tot 17.00) zou werken, zodat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] en [D] elkaar niet tegen zouden komen, eveneens tegen een ongewijzigd bruto maandloon. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] gewezen op de handgeschreven notitie op de arbeidsovereenkomst, die volgens hem door [E] zou zijn geaccordeerd in opdracht althans met volmacht van [D] . [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] weerspreekt dat er afwijkende afspraken zijn gemaakt en houdt vast aan de in artikel 3 van Pro de arbeidsovereenkomst vermelde arbeidsomvang.
5.20.
Aangezien [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] zich beroept op de rechtsgevolgen van zijn stelling dat er in afwijking van de in artikel 3 opgenomen Pro arbeidsomvang, andere afspraken zijn gemaakt, en [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] dit gemotiveerd heeft weersproken, zal de kantonrechter [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] toelaten tot het leveren van bewijs van zijn stelling.
[verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] is niet ontvankelijk in haar overige verzoeken
5.21.
[verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] heeft verzocht [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] te verbieden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming de bedrijfslocatie te betreden – uitgezonderd de uitzonderingen op basis van de huurovereenkomst – en hem te verbieden om op enigerlei wijze contact op te nemen met [D] en [E] , met uitzondering van contact dat uitsluitend plaatsvindt via advocaat of gemachtigde of andere professioneel adviseur voor zover dit noodzakelijk is in het kader van de juridische en financiële afwikkeling van de tussen [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] en [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] bestaande rechtsverhoudingen. De kantonrechter is van oordeel dat ook deze vorderingen geen verband houden met het einde van de arbeidsovereenkomst, als bedoeld in artikel 7:686a lid 3 BW. [verweerder in 25-523 en verzoeker in 25-522] zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar verzoeken.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden
5.22.
In afwachting van de bewijslevering door [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] houdt de kantonrechter iedere verdere beslissing aan.

6.De beslissing

De kantonrechter
in de zaak met zaaknummer 11976275 \ EJ VERZ 25-523
6.1.
draagt [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] op te bewijzen dat hij sinds 1 januari 1994 onafgebroken in loondienst is geweest bij (de rechtsvoorganger van) [F] B.V.
6.2.
bepaalt dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] zich uiterlijk 23 april 2026 kan uitlaten of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
6.3.
bepaalt dat, als [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
6.4.
bepaalt dat, als [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden mei tot en met september 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
6.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. J.A.M. van den Berk, in het gerechtsgebouw te ’s-Hertogenbosch, Leeghwaterlaan 8,
6.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
6.7.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in de zaak met zaaknummer 11976273 \ EJ VERZ 25-522
6.8.
draagt [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] op te bewijzen dat in afwijking van artikel 3 van Pro de arbeidsovereenkomst een arbeidsomvang is overeengekomen waarbij [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] aanvankelijk twee weken op, twee weken af, werkte, zonder dat hij zijn afwezigheid hoefde te compenseren, en vanaf begin augustus 2024 anderhalve dag per week voor twee weken per maand tegen een (ongewijzigd) brutoloon van € 9.240,00 per maand exclusief 8% vakantietoeslag,
6.9.
bepaalt dat [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] zich uiterlijk 23 april 2026 kan uitlaten of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
6.10.
bepaalt dat, als [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, hij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
6.11.
bepaalt dat, als [verzoeker in 25-523 en verweerder in 25-522] getuigen wil laten horen, hij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden mei tot en met september 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
6.12.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. J.A.M. van den Berk, in het gerechtsgebouw te ’s-Hertogenbosch, Leeghwaterlaan 8,
6.13.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen,
6.14.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro.
2.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
4.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (