ECLI:NL:RBOBR:2026:215
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning met vergelijkingsmethode bevestigd door rechtbank
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 16 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de WOZ-waarde van een woning in [woonplaats]. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €555.000 voor het kalenderjaar 2025, welke waarde door eiser werd bestreden met een eigen lagere taxatie.
De heffingsambtenaar onderbouwde zijn vaststelling met een waardematrix gebaseerd op vier vergelijkingsobjecten, terwijl eiser een lagere waarde van €508.000 onderbouwde met drie andere vergelijkingsobjecten. De heffingsambtenaar reageerde met een tweede waardematrix waarin alle zeven vergelijkingsobjecten waren opgenomen, wat resulteerde in een getaxeerde waarde van circa €569.000.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was. Eiser bracht geen inhoudelijke argumenten tegen de tweede waardematrix in. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de vastgestelde WOZ-waarde bleef staan en eiser geen proceskostenvergoeding kreeg.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €555.000 wordt ongegrond verklaard.