Uitspraak
RECHTBANK Oost-Brabant
1.[verzoeker 1] ,
2.
[verzoeker 2] B.V.,
1.De procedure
2.Het verzoek
alle gerechtigden tot de pensioenaanspraak, dus naar de rechtbank begrijpt [verzoeker 1] en [verweerder] ,
verklaren schriftelijk akkoord te zijn met deze afwikkeling van het pensioen.
17 augustus 2025 meerdere malen per e-mail tot [verweerder] gewend met het verzoek haar schriftelijke akkoord te geven. Op 5 en op 12 mei 2025 heeft [verweerder] ook op deze verzoeken gereageerd, maar daarbij (nog) geen schriftelijk akkoord gegeven. Ze gaf aan dat ze bezig is om een en ander uit te laten zoeken en dat dit tijd kost. Op de daaropvolgende verzoeken heeft zij niet meer gereageerd. Om die reden hebben verzoekers zich tot hun advocaat gewend met het verzoek hen bij te staan. In eerste instantie heeft deze een aangetekende brief gestuurd naar het op dat moment bij verzoekers bekende woonadres van [verweerder] . Deze brief is ook verzonden naar het e-mailadres dat [verweerder] in haar contacten met [verzoeker 1] gebruikt.
14 november 2025 aangetekend aan [verweerder] toegezonden en deze brief is bij haar bezorgd, getuige de bezorgbevestiging van PostNL. Op 12 januari 2026 heeft de advocaat van verzoekers zich nogmaals per e-mail tot [verweerder] gewend met het verzoek om te reageren op de eerdere berichten van verzoekers, maar [verweerder] heeft na 12 mei 2025 op geen enkele wijze (instemmend noch afwijzend) meer gereageerd op de verzoeken van verzoekers.
3.De beoordeling
4.De beslissing
6 mei 2026te 10.00 uur teneinde [verweerder] de gelegenheid te bieden haar stellingen zo nodig aan de op de dagvaardings-procedure toepasselijke procesregels aan te passen,