Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2126

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
423142 EX RK 26-16
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 RvArt. 3:300 lid 1 BWWet Verevening Pensioenrechten bij scheiding
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot vervangende toestemming voor prijsgeven pensioenaanspraken afgewezen wegens verkeerde procedure

Partijen zijn in het verleden gehuwd geweest en hebben bij echtscheiding een convenant gesloten waarin pensioenverevening is geregeld. Verzoekers willen vervangende toestemming van de rechtbank om namens de ex-partner in te stemmen met het prijsgeven van pensioenaanspraken opgebouwd bij een pensioenfonds in eigen beheer.

De belastingdienst heeft onder voorwaarden ingestemd met het onbelast vrijgeven van deze pensioenaanspraken, waaronder dat alle gerechtigden schriftelijk akkoord moeten gaan. Verweerder heeft na meerdere verzoeken geen schriftelijke instemming gegeven.

De rechtbank stelt vast dat een vordering tot vervangende toestemming op grond van artikel 3:300 lid 1 BW Pro met een dagvaarding moet worden ingeleid en niet met een verzoekschrift. Op grond van artikel 69 Rv Pro zet de rechtbank de procedure om naar de juiste procedure en beveelt voortzetting volgens de dagvaardingsregels, met een rolzitting gepland op 7 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank beveelt voortzetting van de procedure volgens de dagvaardingsregels en wijst het verzoek tot vervangende toestemming via verzoekschrift af.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer / rekestnummer: C/01/423142 / EX RK 26-16
Beschikking van 2 april 2026
in de zaak van

1.[verzoeker 1] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,
hierna te noemen: “ [verzoeker 1] ”
2.
[verzoeker 2] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: “verzoekers”,
advocaat: mr. J.T. Gommer,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
verwerende partij,
hierna te noemen: “ [verweerder] ”.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties (genummerd 1 t/m 6).
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1.
De rechtbank begrijpt uit het verzoek dat partijen in het verleden gehuwd zijn geweest en dat de echtscheiding is uitgesproken bij beschikking van 15 juni 2017 van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch.
2.2.
In het tussen partijen gesloten echtscheidingsconvenant is in artikel 5 opgenomen Pro dat de door hen opgebouwde pensioenrechten volgens de standaardverevening op grond van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding verdeeld worden. Hierbij is opgenomen dat [verzoeker 1] onder andere pensioen heeft bij [verzoeker 2] B.V.
Verder is in artikel 8.4 opgenomen dat partijen zijn overeengekomen dat bij een geschil het Nederlands recht van toepassing is en dat rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch bevoegd is.
2.3.
[verzoeker 2] B.V. betreft een pensioentoezegging aan een directeur-grootaandeelhouder, die in eigen beheer is ondergebracht. Voor pensioen in eigen beheer gelden specifieke (fiscale) bepalingen.
Op 14 oktober 2024 heeft [verzoeker 2] B.V. de belastingdienst om goedkeuring gevraagd voor het onbelast vrijgeven van de niet voor verwezenlijking vatbare pensioenaanspraken ten behoeve van [verzoeker 1] .
De belastingdienst heeft daarmee bij brief van 9 april 2025 onder voorwaarden ingestemd.
Eén van deze voorwaarden betreft dat
alle gerechtigden tot de pensioenaanspraak, dus naar de rechtbank begrijpt [verzoeker 1] en [verweerder] ,
verklaren schriftelijk akkoord te zijn met deze afwikkeling van het pensioen.
2.4.
[verzoeker 1] heeft zich vervolgens in de periode van 22 april 2025 tot en met
17 augustus 2025 meerdere malen per e-mail tot [verweerder] gewend met het verzoek haar schriftelijke akkoord te geven. Op 5 en op 12 mei 2025 heeft [verweerder] ook op deze verzoeken gereageerd, maar daarbij (nog) geen schriftelijk akkoord gegeven. Ze gaf aan dat ze bezig is om een en ander uit te laten zoeken en dat dit tijd kost. Op de daaropvolgende verzoeken heeft zij niet meer gereageerd. Om die reden hebben verzoekers zich tot hun advocaat gewend met het verzoek hen bij te staan. In eerste instantie heeft deze een aangetekende brief gestuurd naar het op dat moment bij verzoekers bekende woonadres van [verweerder] . Deze brief is ook verzonden naar het e-mailadres dat [verweerder] in haar contacten met [verzoeker 1] gebruikt.
De aangetekende brief is retour gekomen, vanwege een foutief adres.
Op de e-mail is niet gereageerd.
Daarna heeft de advocaat van verzoekers via een [land] deurwaarder alsnog het correcte adres van [verweerder] achterhaald. Op 11 december 2025 is dezelfde brief als die van
14 november 2025 aangetekend aan [verweerder] toegezonden en deze brief is bij haar bezorgd, getuige de bezorgbevestiging van PostNL. Op 12 januari 2026 heeft de advocaat van verzoekers zich nogmaals per e-mail tot [verweerder] gewend met het verzoek om te reageren op de eerdere berichten van verzoekers, maar [verweerder] heeft na 12 mei 2025 op geen enkele wijze (instemmend noch afwijzend) meer gereageerd op de verzoeken van verzoekers.
Gelet hierop zien verzoekers zich genoodzaakt om de rechtbank te verzoeken vervangende instemming te verlenen namens [verweerder] , waarmee zij geacht wordt in te stemmen met het prijsgeven van de pensioenaanspraken van [verzoeker 1] , opgebouwd bij [verzoeker 2] B.V.

3.De beoordeling

3.1.
Vooropgesteld wordt dat ingevolge artikel 69 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechtbank verplicht is om, ook zonder een daartoe strekkend verweer, te onderzoeken of de procedure met het juiste proces inleidend stuk aanhangig is gemaakt. Indien hij vervolgens constateert dat de zaak op het verkeerde ‘spoor’ zit, dient hij ‘de wissel om te zetten’ en ervoor zorg te dragen dat de procedure wordt doorgeleid naar het juiste ‘spoor’.
3.2.
In beginsel dient een procedure te worden ingeleid met een dagvaarding, tenzij uit de wet voortvloeit dat dit met een verzoekschrift moet worden gedaan. Verzoekers verzoeken vervangende toestemming te verlenen namens [verweerder] , waarmee zij geacht wordt in te stemmen met het prijsgeven van pensioenaanspraken van [verzoeker 1] , opgebouwd bij [verzoeker 2] B.V. onder de door de Belastingdienst gestelde voorwaarden in haar brief van 9 april 2025.
Dit is een vordering op grond van artikel 3:300 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), die naar het oordeel van de rechtbank met een dagvaarding moet worden ingeleid.
3.3.
Gelet op het bepaalde in artikel 69 Rv Pro zal de rechtbank bevelen dat onderhavige zaak wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, een en ander zoals in de beslissing vermeld. Daartoe zal de zaak worden verwezen naar de rol van 7 mei 2026, aangezien voor personen woonachtig in het buitenland (zoals [land] ) een betekeningstermijn geldt van minimaal 4 weken (28 dagen) vóór de roldatum.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt, zal worden voortgezet, volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure,
4.2.
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag
6 mei 2026te 10.00 uur teneinde [verweerder] de gelegenheid te bieden haar stellingen zo nodig aan de op de dagvaardings-procedure toepasselijke procesregels aan te passen,
4.3.
beveelt verzoekers om [verweerder] , met in achtneming van de wettelijke termijnen en de voor dagvaarding geldende vormvoorschriften, tegen de hiervoor genoemde datum en tijd op te roepen onder betekening van het verzoekschrift en deze beslissing,
4.4.
bepaalt dat verzoekers het exploot van de oproeping uiterlijk één dag voor voornoemde roldatum ter inschrijving op de rol aan de griffie dient aan te bieden.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026.