Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:2075

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 april 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
25/1914
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 11 InvorderingswetArt. 12 Invorderingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen aanmaning- en dwangbevelkosten lokale heffingen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen de aanmaning- en dwangbevelkosten die de invorderingsambtenaar van de gemeente Eindhoven aan hem in rekening bracht wegens het niet tijdig en volledig betalen van gemeentelijke belastingen over 2025.

De rechtbank stelt vast dat eiser de aanslag niet vóór de vervaldatum heeft voldaan en dat de invorderingsambtenaar terecht een aanmaning en vervolgens een dwangbevel heeft verzonden. Eiser voerde aan dat hij ondanks persoonlijke omstandigheden en een schuldsaneringstraject heeft geprobeerd te betalen en dat de mogelijkheid tot betaling in termijnen onvoldoende kenbaar was gemaakt.

De rechtbank oordeelt dat de gemeente voldoende duidelijkheid heeft verschaft over de betalingsverplichtingen en dat eiser meerdere malen de gelegenheid heeft gekregen om te betalen of een regeling te treffen, welke hij niet is nagekomen. De rechtbank wijst het beroep af en veroordeelt eiser tot het betalen van de kosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de aanmaning- en dwangbevelkosten wordt ongegrond verklaard en de kosten worden aan eiser opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/1914

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en

de invorderingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de invorderingsambtenaar

(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 8 juli 2025.
1.1.
De heffingsambtenaar heeft aan eiser op 22 februari 2025 een aanslag gemeentelijke belastingen opgelegd met aanslagnummer 9793029 (de aanslag).
1.2.
Omdat eiser niet binnen de daartoe gestelde termijn heeft betaald, is eiser bij brief met dagtekening 1 mei 2025 aangemaand. Daarbij is een bedrag van € 21,- aan aanmaningskosten in rekening gebracht.
1.3.
Omdat eiser de aanslag ook niet heeft betaald binnen de in de aanmaning gestelde termijn, is aan hem op 22 mei 2025 een dwangbevel gegeven. Daarbij is aan eiser een bedrag van € 123,- aan betekeningskosten van het dwangbevel in rekening gebracht.
1.4.
Met de uitspraak op bezwaar van 8 juli 2025 heeft de invorderingsambtenaar de in rekening gebrachte aanmaning- en betekeningskosten aan eiser gehandhaafd.
1.5.
De invorderingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Feiten

2. Aan eiser is een aanslag lokale belastingen voor het belastingjaar 2025 opgelegd. Op het aanslagbiljet staat vermeld dat de aanslag voor 31 mei 2025 moet worden betaald. Eiser heeft de aanslag niet vóór de vervaldag betaald. Als gevolg van het uitblijven van de betaling van de aanslag heeft de invorderingsambtenaar een aanmaning met aanmaningskosten naar eiser verzonden. Omdat de aanslag niet volledig was betaald en verdere betaling uitbleef, heeft de invorderingsambtenaar aan eiser een dwangbevel laten betekenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de invorderingskosten terecht aan eiser in rekening zijn gebracht. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Het beroep is ongegrond
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
5. De rechtbank stelt voorop dat in de Invorderingswet is bepaald dat een aanmaning mag worden verzonden indien de belastingschuldige een belastingaanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt. [2] Verder kan de invordering van een belastingaanslag geschieden bij een door de ontvanger uit te vaardigen dwangbevel. [3]
6. Eiser stelt dat de aanmaning- en dwangbevelkosten ten onrechte in rekening zijn gebracht. In dat kader stelt eiser dat hij ondanks zijn omstandigheden – een schuldsaneringstraject van 2017 tot en met november 2024 en een relatiebreuk – heeft geprobeerd om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Volgens eiser is op het aanslagbiljet niet voldoende kenbaar gemaakt dat een mogelijkheid bestaat om de betaling in 10 maandtermijnen te voldoen, zoals in 2024 wel door de medewerker telefonisch aan hem werd meegedeeld. Deze optie is ook niet terug te vinden op de website van de gemeente. Gelet op het voorgaande betwijfelt eiser of deze regeling door de gemeente voldoende toegankelijk en kenbaar is gemaakt. Daarom verzoekt eiser om de in rekening gebrachte aanmaning- en dwangbevelkosten te laten vervallen en de alternatieve betalingsregeling met terugwerkende kracht zonder bijkomende kosten toe te passen.
7. De invorderingsambtenaar vindt dat de aanmaning- en dwangbevelkosten terecht in rekening zijn gebracht en voert aan dat eiser meerdere malen de mogelijkheid is geboden om de gemeentelijke belastingen te voldoen of om daarover nadere afspraken te maken. De invorderingsambtenaar vindt dat de gemeente Eindhoven in het geval van eiser zorgvuldig heeft gehandeld waarbij een hoge mate van coulance is toegepast. Dit blijkt onder andere uit het feit dat tot drie keer toe een betalingsregeling met eiser is getroffen.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Op het aanslagbiljet van 22 februari 2025 staat vermeld dat vóór 31 maart 2025 moet worden betaald. De betaling kan volgens het aanslagbiljet in één keer worden voldaan of in 10 termijnen via automatische incasso waarvoor een belanghebbende toestemming moet verlenen. Eiser heeft op 1 april 2025 een eerste gedeeltelijke betaling ter hoogte van € 87,46 voldaan van de in totaal verschuldigde gemeentelijke belastingen (2025) van € 874,58. Daarmee staat volgens de rechtbank vast dat eiser de aanslag niet op tijd heeft betaald. De invorderingsambtenaar heeft daarom terecht aan eiser een aanmaning gestuurd en terecht twee weken later aan hem een dwangbevel betekend.
9. Het betoog van eiser dat volgens hem een derde betaaloptie – de rechtbank begrijpt dat eiser een betalingsregeling bedoelt – onvoldoende kenbaar is gemaakt door de gemeente volgt de rechtbank niet. De invorderingsambtenaar heeft eiser met de betalingsherinnering van 17 april 2025, de aanmaning van 1 mei 2025, het dwangbevel van 22 mei 2025 en de brief van 5 juli 2025 met de mededeling van de eerste loonvordering, ruimschoots de gelegenheid geboden om het openstaande bedrag te voldoen of in contact te treden met de invorderingsafdeling. Naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar van
8 juli 2025 wordt er meermaals een betalingsregeling met eiser getroffen. Daaraan voldoet eiser telkens niet. Verder overweegt de rechtbank dat uit de dossierstukken blijkt dat eiser al bekend was met de mogelijkheid van een betalingsregeling voor het voldoen van de gemeentelijke belastingen in 2023 en 2024. Tot slot heeft eiser op 8 mei 2025 telefonisch contact opgenomen met het klantencontactcentrum van de gemeente Eindhoven. Tijdens dat gesprek is eiser erop gewezen om online een betalingsregeling te treffen. Dat eiser dat vervolgens niet heeft gedaan dient voor zijn rekening en risico te komen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2026.
griffier
rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Artikel 11 van Pro de Invorderingswet.
3.Artikel 12 van Pro de Invorderingswet.