ECLI:NL:RBOBR:2026:2074
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en rechtszekerheid bij late indiening verweerschrift
Eiseres betwist de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning voor het kalenderjaar 2025, die door de heffingsambtenaar is vastgesteld op € 990.000. De rechtbank beoordeelt of deze waarde te hoog is vastgesteld en of de procedurele gang van zaken, waaronder de late indiening van het verweerschrift door de heffingsambtenaar, de goede procesorde heeft geschonden.
De rechtbank constateert dat de heffingsambtenaar de waarde heeft bepaald met de vergelijkingsmethode, waarbij drie vergelijkbare woningen zijn gebruikt. Hoewel de oppervlakte van de woning aanvankelijk onjuist was geregistreerd, is dit gecorrigeerd en leidt deze aanpassing niet tot een lagere waarde. De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar voldoende rekening heeft gehouden met verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten.
De late indiening van het verweerschrift door de heffingsambtenaar wordt erkend, maar de rechtbank oordeelt dat dit geen schending van de goede procesorde oplevert, mede omdat eiseres de gelegenheid heeft gehad om te reageren en niet in haar belangen is geschaad. Daarnaast wordt geoordeeld dat de heffingsambtenaar geen onterechte registratie van een slechte toestand van de woning bij de taxatie in beroep buiten beschouwing mag laten, wat de rechtszekerheid niet schaadt.
De rechtbank concludeert dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog is en verklaart het beroep ongegrond. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. De uitspraak is gedaan door rechter A.F. Vink op 3 april 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 990.000 wordt ongegrond verklaard.