ECLI:NL:RBOBR:2026:2028

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
26/617
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet BibobWet minimumloon en minimumvakantiebijslagWet arbeid vreemdelingenBurgerlijk WetboekAlgemene wet inzake rijksbelastingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen intrekking exploitatievergunning na Bibob-onderzoek

De burgemeester heeft op 27 februari 2026 de exploitatievergunning van verzoekster per direct ingetrokken op basis van een Bibob-onderzoek dat ernstige risico’s op crimineel gebruik van de vergunning signaleerde. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om haar restaurant te mogen blijven exploiteren tijdens de bezwaarprocedure.

De voorzieningenrechter weegt het belang van de burgemeester om misbruik van de vergunning te voorkomen af tegen het belang van verzoekster om niet in een onomkeerbare financiële situatie te geraken, waaronder faillissement. Verzoekster heeft aannemelijk gemaakt dat zij zonder exploitatie van haar restaurant niet aan haar financiële verplichtingen kan voldoen en dat ontslagen van personeel dreigen.

De rechter constateert dat het Bibob-advies ruim vier maanden voor de intrekking bekend was en dat verzoekster in die periode haar onderneming kon voortzetten. Er is geen sprake van een acuut gevaar dat onmiddellijke sluiting vereist. De ernst van de verwijten aan verzoekster weegt niet zwaarder dan het belang om faillissement te voorkomen.

Daarom wordt het besluit van de burgemeester geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar, waardoor de exploitatievergunning tijdelijk herleeft. De burgemeester wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de intrekking van de exploitatievergunning geschorst tot zes weken na beslissing op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/617

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

30 maart 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R.P. Adneij),
en

de burgemeester van de gemeente Eindhoven, de burgemeester

(gemachtigden: mr. B. Timmermans en R. Rietrae).

Zitting

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, de bestuurder van verzoekster [naam] en de gemachtigden van de burgemeester.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter na een onderbreking voor raadkameroverleg mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
  • schorst het besluit van 27 februari 2026 tot en met zes weken nadat door de burgemeester op het daartegen door verzoekster gemaakte bezwaar is beslist;
  • bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 397 aan verzoekster moet vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan verzoekster.

Motivering

1. De burgemeester heeft met zijn besluit van 27 februari 2026 de exploitatievergunning van verzoekster voor haar restaurant aan de [adres] in [vestigingsplaats] per direct ingetrokken. De burgemeester baseert zich hierbij op een door het Landelijk bureau Bibob [1] op 21 oktober 2025 afgegeven advies waarin staat dat er een ernstige mate van gevaar bestaat dat de exploitatievergunning mede zal worden gebruikt om:
  • uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet Bibob);
  • strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob).
2. Verzoekster is het niet eens met het besluit van 27 februari 2026. Zij heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Met het verzoek om voorlopige voorziening wil verzoekster bereiken dat het besluit van 27 februari 2026 wordt geschorst voor de duur van de bezwaarprocedure zodat zij haar restaurant (weer) kan exploiteren. Als verzoekster daarmee moet wachten totdat op haar bezwaar is beslist, vreest zij voor die tijd (veel van) haar personeelsleden te moeten ontslaan terwijl ook dan een faillissement een reëel risico blijft. Inhoudelijk voert verzoekster aan dat het besluit van 27 februari 2026 in hoofdzaak berust op toerekening via een verondersteld zakelijk samenwerkingsverband met de heer [naam] en via een (verbroken) concern zakelijk samenwerkingsverband, terwijl de feitelijke governance/rolverdeling binnen verzoekster onvoldoende concreet door de burgemeester is vastgesteld. De heer [naam] is slechts een werknemer van verzoekster en vervult geen leidinggevende positie binnen haar onderneming. Wat beide intrekkingsgronden betreft vindt verzoekster het besluit van 27 februari 2026 onzorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd. Ook is het besluit niet evenredig; zo de vrees van de burgemeester met betrekking tot de heer [naam] terecht is, kunnen de door de burgemeester aanwezig geachte risico’s ook worden weggenomen met concrete maatregelen/voorschriften.
3. De burgemeester vindt dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen, omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Voor de burgemeester is – in navolging van het advies van het Landelijk bureau Bibob – de relatie tussen verzoekster en de heer [naam] een steen des aanstoots. Hij zou als leidinggevende van [naam] – die voor verzoekster het restaurant exploiteerde – zich schuldig hebben gemaakt aan fiscale delicten en faillissementsfraude. Via genoemde relatie bestaat volgens de burgemeester ernstig gevaar dat de exploitatievergunning wordt gebruikt om de uit genoemde strafbare feiten afkomstige voordelen te benutten (a-grond). Verder handelt volgens de burgemeester verzoekster zelf in strijd met de Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag en de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) door vreemdelingen arbeid te laten verrichten zonder vergunning. Zij handelt verder in strijd met het Burgerlijk Wetboek door het niet tijdig deponeren van de jaarrekening en in strijd met de Algemene wet inzake rijksbelastingen door het niet tijdig betalen van omzetbelasting. Ook wordt het vermoeden van faillissementsfraude door [naam] meegenomen en het door hem meermaals handelen in strijd met de Opiumwet. Aldus bestaat volgens de burgemeester ernstige vrees dat de exploitatievergunning wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten (b-grond). Intrekking van de exploitatievergunning is volgens de burgemeester noodzakelijk om deze gevaren weg te nemen. Op de zitting heeft de burgemeester benadrukt dat ook de betrokkenheid van de huidige bestuurder van verzoekster de heer [naam] problematisch is, omdat ook hij betrokken was bij [naam]
4. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
4.1.
De voorzieningenrechter vindt dat de belangen die op het spel staan groot zijn en de juridische discussie tussen partijen is niet eenvoudig. Dat laatste komt er met name door dat partijen het niet eens zijn over de feitelijke gang van zaken binnen de onderneming van verzoekster en met name de betrokkenheid van de heer [naam] daarin, en vervolgens hoe dat moet worden geduid in het kader van het al dan niet intrekken van de exploitatievergunning van verzoekster. Dit betekent dat de uitkomst van de procedure nu nog niet zeker is. Daarom doet de voorzieningenrechter geen voorspellingen over de uitkomst van de procedure (wat ook wel een ‘voorlopig rechtmatigheidsoordeel’ wordt genoemd). De voorzieningenrechter beperkt zich tot een belangenafweging om te kijken of er maatregelen moeten worden getroffen in de periode tot en met de beslissing op bezwaar door de burgemeester. De voorzieningenrechter weegt de belangen van partijen op basis van wat zij hebben aangevoerd in deze procedure als volgt.
4.2.
De burgemeester behartigt het algemeen belang van de handhaving van de openbare orde, wat in dit geval wordt geconcretiseerd door het niet laten gebruiken van door hem afgegeven vergunningen voor illegale activiteiten. Dat belang weegt zwaar, zeker als het zou kloppen wat de burgemeester (in navolging van het Landelijk bureau Bibob) zegt over verzoekster. Daar staat tegenover dat er sinds het uitbrengen van het Bibob-advies op 21 oktober 2025 ruim vier maanden zijn verstreken voordat de burgemeester tot intrekking van de vergunning is overgegaan. De burgemeester heeft een punt dat een zorgvuldige voorbereiding en een deugdelijke motivering van het besluit van 27 februari 2026 tijd vraagt. Ook is deze periode benut om verzoekster in de gelegenheid te stellen om schriftelijk en mondeling haar zienswijze te geven op de toen nog voorgenomen intrekking van de exploitatievergunning. Dit tijdsverloop is dan ook geen verwijt richting de burgemeester, maar simpelweg een constatering. In deze periode heeft verzoekster wel gewoon van haar exploitatievergunning gebruik kunnen maken en haar onderneming kunnen exploiteren.
4.3.
Verzoekster behartigt haar belang om haar onderneming te kunnen blijven drijven en – voor zover het deze procedure over een voorlopige voorziening betreft – wil voorkomen dat zij in een onomkeerbare financiële noodsituatie terechtkomt waarin zij (veel van) haar personeel moet ontslaan of zelfs failliet gaat. Dat die laatste situatie reëel is, heeft verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende onderbouwd. Dit betekent dat ook de belangen van verzoekster zwaar wegen. Daarbij past wel een bemerking. Zo biedt zij in deze procedure aan om (door haar voorbereide) maatregelen te treffen, zoals governance-/bankbevoegdheden beperken tot de bestuurders van verzoekster, geen volmachten afgeven, Wav/ID-check van personeel, kasprotocol, en periodieke compliance-rapportages. De burgemeester wijst er echter op dat deze maatregelen al genomen hadden kunnen worden bij aanvang van de exploitatie en dat het grotendeels zaken betreft die normaal gesproken behoren plaats te vinden binnen de exploitatie van een horecagelegenheid.
4.4.
Bij deze stand van zaken kent de voorzieningenrechter doorslaggevend gewicht toe aan het belang van verzoekster om niet in een onomkeerbare financiële situatie terecht te komen voordat op haar bezwaar tegen het besluit van 27 februari 2026 is beslist.
4.4.1.
Uit de door verzoekster overgelegde financiële gegevens volgt dat zij zeer beperkte eigen financiële reserves heeft afgezet tegen haar structurele verplichtingen (zoals het betalen van de huur en loonkosten voor 18 werknemers). Op de zitting heeft verzoekster gezegd dat een personeelslid – die er al over nadacht om terug te gaan naar zijn vaderland – inmiddels ontslag heeft genomen. De overige personeelsleden van verzoekster verkeren in onzekerheid over loondoorbetaling en verzoekster vreest als zij niet op korte termijn tot betaling overgaat, dat meerdere personeelsleden vertrekken. De voorzieningenrechter acht die vrees reëel. De voorzieningenrechter acht het verder reëel dat verzoekster op korte termijn niet meer aan haar financiële verplichtingen kan voldoen als zij niet in staat is om (weer) omzet te genereren. De door verzoekster overgelegde stukken tonen op dit moment voldoende aan dat het aannemelijk is dat een faillissement dan onafwendbaar zal zijn.
4.4.2.
Ook kijkt de voorzieningenrechter naar het tijdsverloop tussen ontvangst van het Bibob-advies op 21 oktober 2025 en het besluit van 27 februari 2026 waarbij de exploitatievergunning van verzoekster is ingetrokken. Zoals gezegd verwijt de voorzieningenrechter de burgemeester in dit opzicht niets, maar stelt hij wel vast dat dit tijdsverloop er is. Voor de voorzieningenrechter is het onvoldoende duidelijk geworden waarom met het besluit van 27 februari 2026 tot onmiddellijke intrekking is overgegaan en waarom de intrekking niet pas is geëffectueerd na de beslissing op (het redelijkerwijs te verwachten) bezwaar. Dit omdat het zich dus laat aanzien dat verzoekster onvoldoende financiële middelen heeft om zonder de exploitatie van haar onderneming het hoofd boven water te houden totdat op het bezwaar is beslist.
4.4.3.
Daarbij heeft de voorzieningenrechter ook gekeken naar de ernst van de verwijten aan verzoekster en de noodzaak om tot onmiddellijke beëindiging van de exploitatie te gaan. Als het zou gaan om een situatie waarin bijvoorbeeld structureel en doorgaand geld uit ernstige strafbare feiten worden witgewassen, dan ligt het voor de hand dat daar zo snel mogelijk een eind aan wordt gemaakt. Dit omdat in een dergelijk geval elke dag dat een vergunning voor dat doel kan worden gebruikt betekent dat er nieuwe criminele gelden kunnen worden gegenereerd die dan worden witgewassen. Ervan uitgaande dat het verwijt van de burgemeester richting verzoekster klopt – waarbij het zwaartepunt ligt bij faillissementsfraude en fiscale delicten omtrent het faillissement van [naam] – is van zo’n ‘tikkend tijdbom-scenario’ eigenlijk geen sprake. De burgemeester wijst erop dat volgens hem ook verzoekster zich aan strafbare feiten schuldig maakt, zoals het overtreden van wetgeving die werknemers moet beschermen. Gesteld dat dit verwijt terecht is, dan weegt de relatief beperkte ernst daarvan niet voldoende zwaar om nu de onderneming van verzoekster gesloten te houden met een mogelijk faillissement tot gevolg. Ook vreest de burgemeester dat er nog financiële middelen zijn uit de volgens hem gepleegde fraude bij het faillissement van [naam] en dat verzoekster die middelen mogelijk in haar onderneming kan laten verdwijnen. Gesteld dat de burgemeester hier terechte vrees over heeft, blijft die mogelijkheid bestaan ook als de onderneming niet wordt geëxploiteerd.
4.4.4.
Dit neemt overigens niet weg dat de voorzieningenrechter met de burgemeester vindt dat faillissementsfraude, fiscale delicten en overtreding van wetgeving die werknemers moet beschermen niet toelaatbaar is. Overtreding van die wetgeving door verzoekster kan – mits dat voldoende aannemelijk is – dus uiteindelijk tot gevolg hebben dat het besluit van 27 februari 2026 stand zal houden. Het oordeel daarover is eerst aan de burgemeester in het kader van het tegen dat besluit door verzoekster gemaakte bezwaar en mogelijk nadien aan de rechter als verzoekster de nu nog te nemen beslissing op bezwaar van de burgemeester ter discussie wil stellen.
4.5.
De voorzieningenrechter zal dus het besluit van 27 februari 2026 per direct schorsen tot en met zes weken nadat door de burgemeester op het bezwaar van verzoekster is beslist. Het gevolg hiervan is dat de (op 4 oktober 2023 afgegeven) exploitatievergunning van verzoekster weer herleeft en zij voor de duur van de schorsing van het besluit van 27 februari 20206 haar restaurant kan exploiteren.
4.6.
Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen, moet de burgemeester het door verzoekster betaalde griffierecht vergoeden en wordt hij veroordeeld in de proceskosten van verzoekster voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868 voor het indienen van het verzoekschrift (1 punt) en het verschijnen op de zitting (1 punt) met een waarde per punt van € 934.
De voorzieningenrechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De voorzieningenrechter wijst erop dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026 door mr. A.F. Vink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. van der Wijngaart, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen per Veilig Mailen op 30 maart 2026.

Voetnoten

1.Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob).