ECLI:NL:RBOBR:2026:1964

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
25/2396, 25/2397 en 25/2398
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:37 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling invordering verbeurde dwangsommen wegens strijdige bewoning vakantiepark

Eisers exploiteren een vakantiepark waar strijdige bewoning van recreatiewoningen plaatsvond. Het college legde op 12 maart 2024 lasten onder dwangsom op om deze bewoning te beëindigen vóór 16 september 2024, met een dwangsom van € 50.000 per maand bij overtreding. Op 16 september 2024 constateerde het college dat de overtreding voortduurde en verbeurde dwangsommen werden opgelegd en later ingevorderd.

Eisers voerden aan dat zij alles redelijkerwijs mogelijk hadden gedaan om de overtreding te beëindigen, waaronder sommatiebrieven, afsluiten nutsvoorzieningen, inschakeling politie en een kort geding na afloop van de begunstigingstermijn. Zij stelden dat invordering onevenredig was omdat het park inmiddels was ontruimd.

De rechtbank overwoog dat het doel van de last onder dwangsom juist is om onder dreiging van dwangsommen overtredingen te beëindigen. Hoewel eisers inspanningen hadden verricht, was er geen bijzondere omstandigheid die invordering in de weg stond. Eisers hadden eerder een kort geding kunnen starten en hadden ook de mogelijkheid om verlenging van de begunstigingstermijn te vragen, wat zij niet deden.

De rechtbank concludeerde dat het college terecht tot invordering mocht overgaan en wees de beroepen ongegrond. Eisers kregen geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter Maarschalkerweerd op 30 maart 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt dat het college terecht tot invordering van de verbeurde dwangsommen mocht overgaan.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 25/2396, SHE 25/2397 en SHE 25/2398

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[eisers]
,
eisers,
(gemachtigden: mr. F. van Hal en mr. J.L. Baar),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Asten,

het college,
(gemachtigden: D.T.N. Huisman en mr. R. Visser).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afzonderlijke besluiten van het college tot invordering van een bedrag van € 50.000,- aan verbeurde dwangsommen (hierna: de invorderingsbesluiten) bij eisers. Eisers zijn het niet eens met de invorderingsbesluiten. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college tot invordering van de verbeurde dwangsommen mocht overgaan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college tot invordering mocht overgaan. Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft bij drie afzonderlijke besluiten allen van 12 maart 2024 aan eisers een last onder dwangsom opgelegd vanwege strijdige bewoning van recreatiewoningen op het vakantiepark [naam] (hierna: het vakantiepark). Met de drie afzonderlijke besluiten van 15 april 2025 aan eisers is het college overgegaan tot invordering van verbeurde dwangsommen. Met de drie afzonderlijke bestreden besluiten allen van 26 augustus 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij die besluiten gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers mr. J.L. Baar, namens eisers [naam] en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Vooraf
3. Eisers exploiteren het vakantiepark of zijn bestuurder / feitelijk leidinggevende van de vennootschap waar de exploitatie van het vakantiepark in zit. Met de lasten onder dwangsom van 12 maart 2024 zijn eisers gelast de strijdige bewoning op het vakantiepark voor 16 september 2024 te beëindigen en beëindigd te houden. Doen zij dat niet, dan verbeuren zij een dwangsom van € 50.000,- per maand dat de overtreding voortduurt of een gedeelte daarvan tot een maximum van € 100.000,-.
4. Op 16 september 2024 hebben toezichthouders van het college geconstateerd dat er nog steeds werd gewoond op het vakantiepark, zodat volgens het college een dwangsom van € 50.000,- is verbeurd. Het college heeft bij brieven van 23 september 2024 eisers verzocht tot betaling van de verbeurde dwangsom. Bij brieven van 3 december 2024 heeft het college eisers laten weten voornemens te zijn over te gaan tot invordering van verbeurde dwangsommen. Eisers hebben daartegen zienswijzen ingediend. Het college heeft daarna de invorderingsbesluiten van 15 april 2025 genomen.
Het toetsingskader
5. Bij een besluit tot invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gaat hiervan uit. [1] Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [2] Verder kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen als evident is dat er geen overtreding is gepleegd of betrokkene geen overtreder is. [3]
Wat zeggen eisers?
6. Eisers voeren aan dat de invordering onevenredig is. Eisers hebben namelijk alles gedaan wat van hen redelijkerwijs verwacht kon worden om de overtreding binnen de begunstigingstermijn ongedaan te maken. Op 18 mei 2024 hebben eisers bewoners herhaaldelijk mondeling en schriftelijk gesommeerd om het vakantiepark te verlaten en niet meer te betreden. Op 10 september 2024 is aan elke resterende bewoner een laatste sommatiebrief geschreven. Eisers hebben ook de hulp van de politie en het college geprobeerd in te schakelen om de bewoners te doen vertrekken. Vervolgens hebben eisers op 14 september 2024 de nutsvoorzieningen afgesloten en hekken geplaatst op de nabijgelegen parkeerplaats. Ondanks deze inspanningen gaf een deel van de bewoners aan niet te willen vertrekken. Eisers hebben toen op 18 september 2024 de kantonrechter verzocht om het vakantiepark met de negen bewoners die nog op het vakantiepark verbleven via kort geding te ontruimen. De eerstvolgende zittingsdatum was 25 september 2024. De kantonrechter heeft de vorderingen van eisers op 27 september 2024 toegewezen. Het kort geding was voor eisers het ultimum remedium voor het beëindigen van de overtreding. Het college kon redelijkerwijs niet van eisers verwachten dat zij eerder een kort geding hadden moeten aanspannen. Mede omdat de begunstigingstermijn was verstreken, was namelijk een kort geding mogelijk. Zonder dreigende verbeuring van dwangsommen was een kort geding niet mogelijk. Uit rechtsoverweging 4.5 van het kortgedingvonnis van 27 september 2024 volgt dat in de belangenafweging van de vordering om de bewoners de het park te laten verlaten, de verbeurde last onder dwangsom zwaar meeweegt. Ten tijde van het invorderingsbesluit was het park al zeven maanden ontruimd. Invordering is ook daarom onevenredig. De last was namelijk al geëffectueerd.
Wat zegt het college?
7. Het college vindt de invordering niet onevenredig. Eisers hadden het namelijk wel degelijk in hun macht om de overtreding voor het einde van de begunstigingstermijn te beëindigen. De kortgedingprocedure had namelijk ook ruimschoots voor het einde van de begunstigingstermijn doorlopen kunnen worden. [4] Er zijn geen bijzondere omstandigheden aanwezig die de invordering onevenredig maakt. Het voldoen aan de last ziet op het beëindigen van de overtreding en staat los van de effectuering van de verbeurde dwangsom. De invordering strekt tot effectuering van het rechtsgevolg die voortvloeit uit de opgelegde last onder dwangsom. Dat eisers ten tijde van het invorderingsbesluit aan de last hadden voldaan, vormt op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. Niet in geschil is dat eisers niet binnen de begunstigingstermijn aan de lasten onder dwangsom van 12 maart 2024 hebben voldaan. Eisers hebben ook geen rechtsmiddelen aangewend tegen die besluiten. De besluiten zijn daarom onherroepelijk. Dit betekent dat de opgelegde dwangsom van rechtswege is verbeurd en beoordeeld dient te worden of er bijzondere omstandigheden zijn die aan invordering in de weg staan. De rechtbank verwijst voor het toetsingskader naar hetgeen zij heeft overwogen in rechtsoverweging 5.
9. De rechtbank overweegt als volgt. Aan eisers kan worden toegegeven dat zij inderdaad de nodige inspanningen hebben verricht om binnen de begunstigingstermijn de overtreding te beëindigen. Dat is echter ook het doel van een last onder dwangsom, namelijk om onder dreiging van het verbeuren van een dwangsom een overtreder te bewegen tot beëindiging van de overtreding. De lasten onder dwangsom hebben terecht dit effect bij eisers gesorteerd, maar dat zij zich hebben ingespannen maakt nog niet dat sprake is van een bijzondere omstandigheid om van invordering af te zien. Het risico dat ondanks de inspanningen de overtreding niet tijdig, binnen de begunstigingstermijn, beëindigd wordt, ligt ook in de onderhavige situatie bij eisers.
10. Eisers wijzen er verder op dat zij pas na afloop van de begunstigingstermijn in een kort geding bij de kantonrechter een beslissing hebben verkregen over het afdwingen van de medewerking van de bewoners om het park te verlaten. Eisers hebben er echter zelf voor gekozen om pas na afloop van de begunstigingstermijn deze civiele procedure te starten. Het is de rechtbank niet gebleken dat eisers die procedure niet al eerder hadden kunnen starten, en zoveel volgt ook niet uit het kortgedingvonnis van 27 september 2024. Zoals eisers zelf betogen weegt de dreiging van verbeurte van een dwangsom mee in de beoordeling of sprake is van een spoedeisend belang in kort geding. Niet valt in te zien waarom die dreiging er niet al was voor het verstrijken van de begunstigingstermijn.
11. Daarnaast geldt dat de betreffende bewoners, zoals de kantonrechter ook heeft overwogen: “(…) ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst [wisten] dat permanente bewoning niet was toegestaan. Zij hebben daarom een welbewust risico genomen door dit wel te doen. Dat het altijd aanwezige risico dat zij weg zouden moeten van de kampeerplaats zich nu heeft verwezenlijkt, behoort - hoe vervelend de gevolgen hiervan ook zijn - voor hun rekening en risico te komen.” Voor zover eisers stellen dat bewoners het recht hadden om gedurende de gehele begunstigingstermijn te blijven wonen op het park, klopt dat dus, ook volgens de kantonrechter, niet. Eisers hebben de bewoners dus kunnen sommeren om op een eerdere datum dan de einddatum van de begunstigingstermijn te vertrekken. Na constatering dat de bewoners niet waren vertrokken op die eerdere datum hadden eisers toen al een kort geding kunnen starten. Gelet op de genoemde overwegingen van de kantonrechter, moet het ervoor gehouden worden dat eisers in de gegeven omstandigheden, als zij adequaat hadden gehandeld, het einde van de begunstigingstermijn niet hoefden af te wachten alvorens een kort geding procedure te starten. Dat bij adequaat handelen van eisers een kort geding voor het einde van de begunstigingstermijn kansrijk was geweest, blijkt ook uit de uitspraak van de rechtbank Overijssel waar het college naar heeft verwezen. Dat eisers niet al op een eerder moment een civiele procedure zijn gestart, komt voor hun rekening en risico.
12. Zolang de begunstigingstermijn nog niet was verstreken hadden zij bovendien het college gemotiveerd kunnen verzoeken om de begunstigingstermijn te verlengen, als zij vonden dat het aanspannen van het kortgeding pas na afloop van de begunstigingstermijn kon. Maar ook dat hebben zij niet gedaan. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die het college ertoe hadden moeten nopen van de (gehele) invordering af te zien. Daarbij weegt de rechtbank mee dat, zoals zij al heeft overwogen, bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van die invordering veel gewicht moet worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Dat ten tijde van de invorderingsbesluiten de overtreding al geruime tijd was beëindigd, vormt dus evenmin een bijzondere omstandigheid.

Conclusie en gevolgen

13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het college tot invordering mocht overgaan. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.A. Maarschalkerweerd, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.A.B. Elsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:466) en de uitspraak van 15 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4257).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1968) en de uitspraak van 15 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4257).
4.Het college verwijst als voorbeeld naar een vonnis in een kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 15 mei 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:2018.