Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
[verdachte] ,
De tenlastelegging.
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;
De formele voorvragen.
Bewijs
De verdachte heeft naar eigen zeggen het slachtoffer op de Hal in Esch op haar bromfiets zien rijden in tegengestelde richting. Op dat moment was zij nog een behoorlijk stuk van hem verwijderd en reed zij nog – vanuit haar bezien – op de rechter rijhelft. De verdachte heeft zijn rijgedrag toen niet aangepast, bijvoorbeeld door het gas al los te laten; dit was onder de voormelde omstandigheden wel geboden. Zeker omdat de verdachte een substantieel zwaarder voertuig bestuurde dan de bromfiets die met de snelheid waarmee die reed een stuk minder wendbaar was en werd, en omdat verdachte toen aanzienlijk harder reed dan de toegestane maximumsnelheid.
Door met deze hoge snelheid te rijden heeft de verdachte onaanvaardbare risico’s genomen. Hij heeft zichzelf in de positie gebracht dat hij de verkeersfout van het slachtoffer niet meer kon opvangen, ontwijken of de gevolgen daarvan beperken. Hij was ten gevolge van deze hoge snelheid niet meer bij machte een uitwijkmanoeuvre te maken richting de berm, terwijl dat de meest logische uitwijkmogelijkheid is op wegen zoals de Hal. Ook kon hij de auto niet meer op tijd tot stilstand brengen. Door het met een dermate hoge snelheid te rijden op voornoemde weg met het slachtoffer al geruime tijd in zicht, en het blijven rijden met die snelheid zonder voorafgaand te anticiperen op de omgeving of een tegenligger, heeft de verdachte het risico gecreëerd dat zijn auto - op het moment dat hij gedwongen werd tot handelen – goeddeels onbestuurbaar werd waardoor het dodelijke ongeval niet (meer) kon worden voorkomen. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat de auto van verdachte ruimschoots voor het botspunt tot stilstand zou zijn gekomen als verdachte zich aan de maximumsnelheid had gehouden.
De bewezenverklaring.
waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.
De strafbaarheid van het feit.
De strafbaarheid van de verdachte.
Oplegging van straf en bijkomende straf.
Toepasselijke wetsartikelen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
taakstrafvoor de duur van
240 urensubsidiair 120 dagen hechtenis;
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
365 dagenmet aftrek overeenkomstig artikel 179 Wegenverkeerswet 1994 waarvan
186 dagen voorwaardelijkmet een proeftijd van 3 jaren.