ECLI:NL:RBOBR:2026:1952

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
11705967
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:625 BWArt. 6:119 BWArt. 4.3 arbeidsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling achterstallig loon en eindejaarsuitkering na niet-ondertekende vaststellingsovereenkomst

De werknemer trad op 23 oktober 2023 in dienst bij de werkgever als accountmanager. Er was een afspraak dat bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst een vaststellingsovereenkomst (VSO) zou worden gesloten. In december 2024 wilde de werknemer de arbeidsovereenkomst beëindigen, maar bleef na een aanbod van de werkgever werkzaam met thuiswerkmogelijkheid.

In maart 2025 gaf de werknemer opnieuw aan te willen stoppen en verwees naar de VSO uit december 2024, die echter niet was ondertekend. De werkgever stelde dat de arbeidsovereenkomst per 31 maart 2025 was geëindigd en betaalde geen loon over april 2025. De werknemer leverde bedrijfseigendommen in, maar tekende de VSO niet vanwege afwijkingen.

De kantonrechter oordeelde dat de werknemer ontvankelijk was omdat niet was komen vast te staan dat zij voor een andere werkgever werkte. Omdat de VSO niet was ondertekend, was er geen overeenstemming over beëindiging en had de werknemer recht op loon over april 2025, inclusief een eindejaarsuitkering. Tevens werd de wettelijke verhoging en buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van het loon, bijtelling, incassokosten en proceskosten.

Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon, eindejaarsuitkering, wettelijke verhoging, incassokosten en proceskosten wegens niet-ondertekende vaststellingsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKOOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11705967 \ CV EXPL 25-2695
Vonnis van 8 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C.J. Tijman,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.J.M. van der Heijden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties (genummerd 1 tot en met 15),
- de conclusie van antwoord met producties (genummerd 1 tot en met 9),
- de aanvullende producties 16 en 17 aan de zijde van [eiser] ,
- de mondelinge behandeling van 8 december 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 23 oktober 2023 is [eiser] in dienst getreden bij [gedaagde] in de functie van accountant manager.
2.2.
[eiser] en de bestuurder van [gedaagde] , [A] , zijn kennissen en voorafgaand aan het sluiten van de arbeidsovereenkomst hebben zij de afspraak gemaakt dat in het geval de werkzaamheden bij [gedaagde] niet bevallen, partijen middels een vaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) afscheid van elkaar nemen.
2.3.
Begin december 2024 heeft [eiser] kenbaar gemaakt de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. [gedaagde] heeft hiervoor een VSO opgesteld en aangereikt.
2.4.
In december 2024 heeft [eiser] een gesprek gehad met [A] en heeft [eiser] , na een aanbod van de werkgever, besloten werkzaam te blijven in de functie van accountmanager, maar met de mogelijkheid om vier (4) dagen vanuit huis te werken.
2.5.
Op 17 maart 2025 heeft [eiser] aangegeven de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen.
2.6.
[eiser] stuurt op 17 maart 2025 aan [gedaagde] om 09:31 uur het volgende bericht:

Hey [A] ,
Ik pas me aan, kijken jij maar wanneer ik weg kan of mischien iemand inwerken? Verder heb ik nogal wat dagen over dus ff daar naar kijken denk ik ? En dan jha ik heb de vaststellingsovereenkomst nog ff data aanpassen
En om 10:38 uur het volgende bericht:
“Hey [A] met inachtneming van een maand opzegtermijn, stopt de samenwerking per eind April. Dus kan en wil ik graag nog het NK voor jullie doen!
Ik hoor het wel. En jha ik kon je ook bellen maar dit moet toch ook ff op papier.”
2.7.
Op 18 maart om 09:09 uur reageert [A] als volgt:
“Van: [A] Roijakkers < [e-mailadres 1] >
Datum: dinsdag 18 maart 2025 09:09
Aan: [eiser] < [e-mailadres 2] >
Onderwerp: RE:
“Goedemorgen [eiser] ,
Het moet zeker op papier, omdat je al eerder weg wilde hadden we daardoor toen al een
vaststellingsovereenkomst gemaakt en hoeven wij je niet aan de maand opzegtermijn te houden. Deze vrijdag is dan je laatste werkdag zoals ik al telefonisch met je besprak en draag je alles aan mij over. Voor het NK weten wij toch nog niet of we een stand nemen, lief dat je hier aan dacht maar dat hoeft niet, ik ga liever voor een fijne vriendschap en dat we daar samen gezellig wat kunnen drinken. Je hebt nog genoeg vakantiedagen, die kun je dan opnemen tot en met 31 maart, dat is dan je laatste dag dienstverband en wat er dan nog over is wordt uitbetaald.”
2.8.
Op vrijdag 21 maart 2025 is [eiser] naar [plaats] gereden om haar computer en overige bedrijfseigendommen in te leveren. Op die dag zou ook de VSO worden ondertekend.
2.9.
In de middag van 21 maart 2025 is [eiser] door familie omstandigheden niet in staat geweest de VSO te ondertekenen. De VSO is naar [eiser] verstuurd.
2.10.
[eiser] heeft de VSO niet ondertekend, omdat deze VSO afwijkt van de tussen partijen gemaakte afspraken.
2.11.
Op 31 maart 2025 om 15:24 uur heeft [gedaagde] [eiser] gesommeerd om de Skoda Fabia ( [kenteken] ) voor 16:00 uur in te leveren op de kantoorlocatie in [plaats] . De auto is door [eiser] niet ingeleverd. Op 9 april 2025 heeft [gedaagde] de auto zelf opgehaald.
2.12.
In april 2025 heeft [eiser] zich ziekgemeld.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - kortgezegd - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het achterstallige loon ter hoogte van € 5.162,72 bruto te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging vanaf het moment van aanzegging, 16 april 2025, tot aan de dag van volledige betaling. En om aan [eiser] een deugdelijke loonspecificatie te verstrekken op straffe van een dwangsom. Een en ander met veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
3.2.
Kortgezegd heeft [eiser] hier aan ten grondslag gelegd dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, omdat er geen nieuwe VSO, conform de afspraken uit de VSO van december 2024, is verstrekt en ondertekend. In tegenstelling tot het standpunt van [gedaagde] heeft dit tot gevolg dat het salaris over de maand april 2025 is verschuldigd, te weten € 4.100,00 bruto. Daarbij komt dat [eiser] ook geen eindejaarsuitkering heeft ontvangen terwijl zij hier op grond van haar arbeidsovereenkomst wel recht op heeft, te weten 2% van het in 2024 genoten vaste bruto jaarloon zijnde een bedrag van € 1.062,72.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Haar meest verstrekkende verweer ziet op de ontvankelijkheid van [eiser] in deze procedure. [gedaagde] heeft uitgelegd dat zij tot 31 december 2024 de werkgever was van [eiser] , maar dat [eiser] vanaf 1 januari 2025 als accountmanager bij [B] B.V. werkzaam is geweest. Daarnaast stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat [eiser] op eigen initiatief haar arbeidsovereenkomst heeft opgezegd, waardoor deze op 31 maart 2025 ten einde is gekomen en zij geen aanspraak kan maken op salaris over de maand april 2025. Ook heeft [eiser] geen recht op een eindejaarsuitkering, omdat in de arbeidsovereenkomst met [B] B.V. hier enige grondslag voor ontbreekt en dat niet duidelijk is of door [gedaagde] winst is gemaakt in 2024. De ingestelde vorderingen dienen dan ook te worden afgewezen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid
4.1.
[gedaagde] heeft in deze procedure naar voren gebracht dat zij niet meer de werkgever van [eiser] is. Om die reden dient [eiser] in deze procedure niet ontvankelijk te worden verklaard. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiser] op 1 januari 2025 een arbeidsovereenkomst heeft ondertekend met [B] B.V. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] dit standpunt verder aangevuld en toegelicht dat [eiser] er mee bekend moet zijn geweest dat [B] B.V. haar nieuwe werkgever is, omdat alle personeelsleden vanaf 1 januari 2025 werkzaam zijn voor [B] B.V. en dat dit ook is besproken tussen [eiser] en [A] in december 2024.
4.2.
[eiser] heeft betwist dat zij voor een andere werkgever heeft gewerkt. Haar werkzaamheden zijn ongewijzigd gebleven en ook tijdens het gesprek in december 2024 is dit niet besproken. [eiser] heeft uitgelegd dat in december 2024 alleen is afgesproken dat zij haar werkzaamheden als accountmanager ging voortzetten, maar dat zij grotendeels thuis, haar werkzaamheden mocht uitvoeren. Daarbij komt dat [eiser] op 1 januari 2025 de arbeidsovereenkomst ook niet kan hebben ondertekend, omdat zij op dat moment op vakantie was in de Maldiven. Ter ondersteuning heeft zij de factuur van deze reis als productie 16 overgelegd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] uitgelegd dat zij gedurende de procedure bekend is geworden met [B] B.V. en zich kan herinneren dat zij op 21 maart 2025 een velletje papier heeft ondertekend waarvan in deze procedure is gebleken dat dit de laatste pagina was van de arbeidsovereenkomst die is overgelegd door [gedaagde] als productie 3 bij de Conclusie van Antwoord.
4.3.
Alvorens inhoudelijk naar de zaak te kijken dient de kantonrechter de ontvankelijkheid van [eiser] in deze procedure te beoordelen. Hiervoor dient de kantonrechter te beslissen of [eiser] in deze procedure de juiste partij, namelijk haar werkgever, heeft gedagvaard. Op de eerste plaats brengt de kantonrechter naar voren dat het de plicht van de werkgever betreft om haar identiteit voldoende duidelijk te maken en indien sprake is van een opvolgend/andere werkgever ook dit kenbaar te maken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [A] uitgelegd dat zij zowel bestuurder is van [gedaagde] als ook van [B] B.V. In het e-mailbericht van 18 maart 2025 schrijft zij aan [eiser] (zie rechtsoverweging 2.7):
“Het moet zeker op papier, omdat je al eerder weg wilde haddenwedaardoor toen al een
vaststellingsovereenkomst gemaakt en hoevenwijje niet aan de maand opzegtermijn te houden.”
In dit e-mailbericht wordt verwezen naar de VSO die [gedaagde] in december 2024 heeft opgesteld, maar die niet is ondertekend door partijen. Het gebruik van de woorden ‘we’ en ‘wij’ doet veronderstellen dat ook hier wordt gesproken vanuit de entiteit [gedaagde] . Het is uit dit e-mailbericht in elk geval niet af te leiden dat de bestuurder hier spreekt vanuit [B] B.V., omdat deze entiteit nimmer betrokken was bij de VSO uit december 2024. De onduidelijkheid die hierover is ontstaan komt voor rekening en risico van de werkgever.
4.4.
Daarbij komt dat de kantonrechter verdere aanknopingspunten opmerkt die ertoe leiden dat [eiser] ontvankelijk is in deze procedure. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] vanaf december 2024 dezelfde werkzaamheden is blijven verrichten. Er heeft hier geen wijziging in plaatsgevonden, behoudens de locatie waar de werkzaamheden werden uitgevoerd. Verder heeft [gedaagde] geen producties overgelegd waaruit blijkt dat zij niet meer de werkgever was van [eiser] . Hoewel tijdens de mondelinge behandeling de gemachtigde van [gedaagde] heeft opgemerkt dat de salaris betalingen werden verricht vanuit het account van [B] B.V., heeft zij haar stelling (bijvoorbeeld door het overleggen van salarisstroken) niet verder onderbouwd. De door [gedaagde] overgelegde arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [B] B.V. vermeldt dat deze overeenkomst op 1 januari 2025 te [plaats] is ondertekend. [eiser] heeft voldoende gemotiveerd betwist dat zij deze overeenkomst heeft kunnen ondertekenen op die dag, omdat zij op dat moment op reis was. Dit is niet weersproken door [gedaagde] . Dat [eiser] mogelijk op een later moment een handtekening heeft gezet, bijvoorbeeld in maart 2025, maakt dit niet anders.
4.5.
De kantonrechter komt dan ook tot het oordeel dat niet is vast komen te staan dat [eiser] haar werkzaamheden voor een andere werkgever, te weten [B] B.V., heeft verricht. [eiser] is ontvankelijk in deze procedure.
[gedaagde] dient € 4.100,00 te betalen
4.6.
Op 17 maart 2025 heeft [eiser] kenbaar gemaakt de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. Vervolgens hebben partijen gesproken over het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. In de mail van 17 maart 2025 verwijst [eiser] naar de VSO die in december 2024 is opgesteld, maar niet is uitgevoerd. Zij schrijft (zie rechtsoverweging 2.6 en 2.7):
“En dan jha ik heb de vaststellingsovereenkomst nog ff data aanpassen
en
“Hey [A] met inachtneming van een maand opzegtermijn, stopt de samenwerking per eind April.
In reactie hierop schrijft [gedaagde] op 18 maart 2025:
“Het moet zeker op papier, omdat je al eerder weg wilde hadden we daardoor toen al een
vaststellingsovereenkomst gemaakt en hoeven wij je niet aan de maand opzegtermijn te houden”
4.7.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst op 31 maart 2025 ten einde is gekomen. [eiser] stelt zich op het standpunt dat partijen de bedoeling hebben gehad om de arbeidsovereenkomst te beëindigen middels een VSO en nu deze niet tot stand is gekomen de overeenkomst niet ten einde is gekomen op 31 maart 2025.
4.8.
De kantonrechter merkt op dat in het geval een werknemer het initiatief neemt tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, een werkgever niet te snel kan aannemen dat de verklaring van een werknemer op de vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst is gericht. Volgens vaste rechtspraak geldt dat voor de opzegging door een werknemer is vereist een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Deze strenge maatstaf dient ertoe de werknemer te behouden voor de ernstige (financiële) gevolgen die vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor haar kan hebben. Onder omstandigheden rust op de werkgever een plicht om te onderzoeken of de werknemer de beëindiging daadwerkelijk wilde en om de werknemer voor te lichten over de gevolgen van de opzegging.
4.9.
Op 17 maart 2025 heeft [eiser] kenbaar gemaakt de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. Door [eiser] wordt verwezen naar de eerder opgestelde VSO uit december en uit de verder overgelegde e-mailberichten kan worden afgeleid dat [eiser] de bedoeling heeft gehad om deze eerder opgestelde VSO, na aanpassing van de data, te gebruiken om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vorm te geven. In het mailbericht van 18 maart 2025 verwijst [gedaagde] ook naar dezelfde VSO, want zij schrijft immers: “
we daardoor toen al een vaststellingsovereenkomst gemaakt”.Hieruit begrijpt de kantonrechter dat ook [gedaagde] de bedoeling heeft gehad de opgestelde VSO uit december als uitgangspunt te nemen en in reactie op het emailbericht van [eiser] waarin zij schrijft
‘ff data aanpassen’het voorstel heeft gedaan om de maand opzegtermijn niet in acht te nemen. Partijen zijn het er immers ook over eens dat zij voorafgaand aan het aangaan van de arbeidsovereenkomst samen de afspraak hadden gemaakt dat, in het geval zij afscheid van elkaar zouden nemen, dit middels een VSO zouden doen.
4.10.
Als [gedaagde] op het moment van het sturen van deze e-mails iets anders voor ogen had, dan lag het op haar weg om [eiser] hierover te informeren. Op een werkgever rust immers de verplichting om bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst de werknemer ervan op de hoogte te stellen wat hier de consequenties van zijn. Het is niet gebleken dat [gedaagde] , indien zij een andere wijze van beëindiging voor ogen had, dit aan [eiser] kenbaar heeft gemaakt. Het is in dit kader dan ook onbegrijpelijk dat [eiser] een aantal dagen later werd geconfronteerd met een inhoudelijk afwijkende VSO.
4.11.
Dat partijen de VSO in maart 2025 niet hebben ondertekend staat vast. Dat heeft dan ook tot consequentie dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat [eiser] recht heeft op de gevorderde loonbetaling over de maand april 2025. Het komt voor rekening en risico van [gedaagde] dat [eiser] haar werkzaamheden in deze laatste maand niet heeft kunnen uitvoeren. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen het door [eiser] berekende maandloon, ter hoogte van € 4.100,00 bruto en de kantonrechter wijst de betaling toe.
4.12.
[eiser] vordert verder een veroordeling van [gedaagde] tot het betalen van de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW Pro. Als het loon te laat wordt betaald, heeft de werknemer in principe recht op een wettelijke verhoging van maximaal 50%. In het geval van [gedaagde] is het loon over de maand april 2025 niet betaald. Dat [gedaagde] in de onjuiste veronderstelling verkeerde dat de arbeidsovereenkomst op 31 maart 2025 ten einde was gekomen komt voor rekening en risico van [gedaagde] . De kantonrechter ziet, gelet op de omstandigheden van dit geval, aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging toe te wijzen.
De bijtelling
4.13.
[eiser] maakte ten tijde van haar werkzaamheden gebruik van een Skoda Fabia van [gedaagde] . Het staat vast dat [gedaagde] deze auto onaangekondigd op 9 april 2025 heeft opgehaald. [eiser] vordert in deze procedure betaling van € 62,20 bruto aan bijtelling, omdat zij de auto in de periode van 9 april tot en met 30 april 2025 niet privé heeft kunnen gebruiken. [gedaagde] heeft deze vordering niet weersproken en de stellingen van [eiser] kunnen deze vordering dragen. De kantonrechter wijst dit deel van de vordering toe.
De eindejaarsuitkering
4.14.
[eiser] heeft betaling van de eindejaarsuitkering gevorderd over het jaar 2024. Zij stelt zich op het standpunt dat zij op grond van artikel 4.3.van haar arbeidsovereenkomst recht heeft op een eindejaarsuitkering van 2% van het in het jaar 2024 genoten vaste bruto jaarloon.
4.15.
[gedaagde] zich primair op het standpunt gesteld dat [eiser] op grond van de nieuwe arbeidsovereenkomst (met [B] B.V.) geen aanspraak kan maken op de eindejaarsuitkering. En subsidiair dat op dit moment niet duidelijk is of de werknemers van [gedaagde] aanspraak kunnen maken op de eindejaarsuitkering, omdat er waarschijnlijk geen winst is gemaakt. Duidelijkheid omtrent de vraag of winst is gemaakt krijgt [gedaagde] pas op 1 januari 2026.
4.16.
De kantonrechter wijst de gevorderde eindejaarsuitkering toe. Op basis van de arbeidsovereenkomst, met [gedaagde] , volgt dat [eiser] aanspraak kan maken op de eindejaarsuitkering. Dat het voor [gedaagde] nog niet duidelijk is of er winst is gemaakt staat los van de aanspraak die [eiser] heeft op deze uitkering. De kantonrechter wijst dit deel van de vordering toe.
Salaris specificatie
4.17.
[eiser] heeft een salaris specificatie gevorderd op straffe van een dwangsom. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd en de stellingen van [eiser] kunnen deze vordering dragen. [eiser] kan deze dwangsom pas vorderen als [gedaagde] binnen veertien (14) dagen na betekening van het vonnis geen deugdelijke loonspecificatie aan [eiser] heeft verstrekt. De kantonrechter ziet geen aanleiding om over te gaan tot matiging van (het maximum van) de dwangsom.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.18.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is van toepassing. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 697,05 worden toegewezen.
[gedaagde] dient de proceskosten te betalen
4.19.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.218,04
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.162,72 (loon april 2025 en eindejaarsuitkering 2024), te vermeerderen met de maximale verhoging (50%) zoals bedoeld in artikel 7:625 BW Pro over het hiervoor genoemde achterstallige loon tot de dag dat volledig is betaald en dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro met ingang van 16 april 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot afgifte van de bijbehorende loonspecificatie zoals hiervoor bij 5.1 genoemd, en wel binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [gedaagde] met de nakoming daarvan in gebreke blijft met een maximum van € 5.000,00,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 62,20 aan bijtelling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 697,05 aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.218,04 te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten vanaf de 15e dag na dagtekening van het vonnis tot de dag van voldoening,
5.6.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. van den Berk en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.