ECLI:NL:RBOBR:2026:1911

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
01.233290.222
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 9 SrArt. 11 OpiumwetArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen hennepbezit en witwassen met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 25 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van medeplegen van het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep en witwassen van drie personenauto’s.

Het onderzoek startte medio 2021 en leidde tot een doorzoeking in september 2022 waarbij ruim 20 kilogram henneptoppen werden aangetroffen in de woning van verdachte. Daarnaast werd vastgesteld dat verdachte en haar medeverdachte meerdere voertuigen contant hadden aangeschaft zonder dat de herkomst van het geld kon worden verklaard. De verdediging voerde ontkenning van wetenschap over de hennep en een verifieerbare verklaring voor de herkomst van het geld aan, maar deze werden door de rechtbank verworpen.

De rechtbank oordeelde dat verdachte feitelijke macht had over de hennep en dat het vermoeden van witwassen niet werd ontzenuwd door de verklaringen en stukken van verdachte. Gelet op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een overschrijding van de redelijke termijn met anderhalf jaar, legde de rechtbank een taakstraf van 180 uur op met een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een proeftijd van twee jaar.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden wegens medeplegen van hennepbezit en witwassen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.233290.22
Datum uitspraak: 25 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1991] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 11 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
zij op of omstreeks 19 september 2022 te Eindhoven,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad ongeveer 20,65 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van
meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
T.a.v. feit 2:
zij in of omstreeks de periode 28 december 2020 tot en met 17 oktober 2022, te Eindhoven, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
(van) een
- een Volkswagen Golf ( [kenteken 1] ),
- een Volkswagen Golf ( [kenteken 2] ), en/of
- een Mercedes Benz ( [kenteken 3] ),

althans een of meer voorwerpen

Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.
Medio augustus 2021 werd er naar aanleiding van twee processen-verbaal van het TCI een opsporingsonderzoek gestart naar de partner van verdachte, [medeverdachte] (hierna: medeverdachte). Dit opsporingsonderzoek was gericht op diens vermeende betrokkenheid bij grootschalige handel in softdrugs. Tijdens dit opsporingsonderzoek werden er financiële gegevens over verdachte en haar partner verzameld. Het opsporingsonderzoek naar de betrokkenheid van medeverdachte bij de handel in softdrugs werd na enige tijd gestaakt omdat hieruit niet voldoende bewijs naar voren kwam.
Tijdens het hiervoor genoemde onderzoek ontstond er naar aanleiding van het bevragen en analyseren van de financiële gegevens van verdachte en haar medeverdachte een verdenking van witwassen richting hen beiden. Op grond daarvan werd besloten om op 12 september 2022 een nieuw opsporingsonderzoek te starten naar deze vermeende betrokkenheid bij witwassen. In het kader van dit onderzoek vond op 19 september 2022 een doorzoeking plaats in de woning van beide verdachten. Tijdens deze doorzoeking werden naast diverse administratieve bescheiden meerdere plastic zakken aangetroffen en inbeslaggenomen waarvan de inhoud door verbalisanten als henneptoppen werd herkend. Verdachte en haar medeverdachte worden thans beschuldigd van het aanwezig hebben van 20,65 kilogram hennep op 19 september 2022 en het witwassen van drie personenauto’s in de periode 28 december 2020 tot en met 17 oktober 2022.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezenverklaard kunnen worden.
Het standpunt van de verdediging.
Door de raadsman van verdachte is integrale vrijspraak bepleit. Ten aanzien van feit 1 is hierbij aangevoerd dat verdachte geen wetenschap van de aanwezigheid van de hennep in de woning heeft gehad zodat niet bewezenverklaard kan worden dat zij opzet op de aanwezigheid daarvan heeft gehad. Ten aanzien van feit 2 is door de raadsman aangevoerd dat verdachte en haar medeverdachte een verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring hebben afgelegd met betrekking tot de herkomst van het geld waar de op de tenlastelegging vermelde voertuigen mee zijn aangeschaft.
Het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen vervat in de bewijsbijlage die aan dit vonnis is gehecht van oordeel dat beide feiten wettig en overtuigend bewezen verklaard kunnen worden. Verder overweegt de rechtbank als volgt.

Nadere bewijsoverweging t.a.v. feit 1.

Van ‘aanwezig hebben’ als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder C, Opiumwet is sprake als de verdachte feitelijke macht over de verdovende middelen kan uitoefenen in de zin dat hij/zij daarover kan beschikken. De verdovende middelen hoeven zich daarvoor niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. Voor de bewezenverklaring van het ‘aanwezig hebben’ hoeft niet te kunnen worden vastgesteld dat de verdovende middelen aan de verdachte toebehoren of dat sprake is van beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen.
In de woning aan de [adres 2] in Eindhoven, waar verdachte samen met de medeverdachte en hun twee minderjarige kinderen woont, is een tiental zwarte sealzakken aangetroffen met daarin gedroogde henneptoppen met een totaalgewicht van 20,65 kilogram. Eén van die zakken is aangetroffen op de stoel van de beautysalon van de verdachte, welke zich in de woonkamer van het huis bevond. De andere zakken lagen op de zolder.
De rechtbank stelt voorop dat als algemene ervaringsregel heeft te gelden dat de bewoner van een woning op de hoogte is van al hetgeen zich in zijn/haar woning bevindt. Gelet op de vindplaats van de zak met henneptoppen (op de stoel van de beautysalon) kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de verdachte wist van de aanwezigheid van die zak in de woning. Nu de betreffende zak daar reeds meerdere dagen lag, acht de rechtbank het onaannemelijk dat die daar heeft gelegen zonder dat verdachte wist van de aanwezigheid van de zak.
Gelet op de uiterlijke kenmerken van de zwarte sealzak heeft zij minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat die zak verdovende middelen bevatte. Gelet op de omstandigheden waaronder de hennep is aangetroffen is de rechtbank daarnaast van oordeel dat zij daarover kon beschikken.
De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging opzettelijk een hoeveelheid hennep aanwezig heeft gehad. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Nadere bewijsoverweging t.a.v. feit 2.

Algemene overweging.
Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht opgenomen bestanddeel
“afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
De rechtbank stelt voorop dat in onderhavig onderzoek geen concreet brondelict naar voren is gekomen, waarvan er een verdenking rust op verdachte. Aangezien er geen sprake is van een concreet brondelict zal bij de beoordeling of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, gebruik gemaakt worden van het in de jurisprudentie ontwikkelde stappenplan. In de eerste plaats dient sprake te zijn van feiten en omstandigheden die een vermoeden rechtvaardigen dat een voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is
(stap I). Van de verdachte mag in dat geval worden verlangd dat hij een verklaring geeft, waaruit blijkt dat de ten laste gelegde voorwerpen
nietvan misdrijf afkomstig zijn
(stap II). Die verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn
(stap III). Als de verdachte een zodanige verklaring geeft, ligt het op de weg van de officier van justitie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen
(stap IV). Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moet ten slotte worden beoordeeld of ondanks de verklaringen van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is
(stap V).
Toegepast op onderhavige zaak stelt de rechtbank het navolgende vast.
Aanschaf voertuigen.
Door verbalisant [verbalisant] zijn op 12 september 2022 en 12 december 2022 processen-verbaal opgemaakt met betrekking tot de aanschaf van de voertuigen op de tenlastelegging. Hieruit blijkt dat op 28 december 2020 een Volkswagen Golf met het kenteken [kenteken 1] op naam van verdachte werd gezet. De auto werd gekocht voor € 10.600,00. Hiervan werd € 850,00 vanaf de gezamenlijke bankrekening van verdachte en de medeverdachte voldaan. Het restant (€ 9.750,00) is contant voldaan, echter hebben er geen geldopnames van de bankrekeningen van verdachten plaatsgevonden waarmee deze contante betaling te verklaren is. Op 20 april 2021 werd door verdachte een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 4] gekocht voor € 14.750,00. Hierbij werd eerstgenoemde Golf met kenteken [kenteken 1] ingeruild voor € 11.000,00, het restant van € 3.750,00 werd contant voldaan. Op de bankrekeningen van verdachten zijn geen geldopnamen terug te zien waarmee deze contante betaling kan worden verklaard. Op 26 oktober 2021 werd vervolgens de (tweede) Golf met kenteken [kenteken 2] weer ingeruild voor € 15.500,00, toen een Mercedes Benz met kenteken [kenteken 3] werd aangeschaft door de verdachten. Door de medeverdachte werd bij deze aankoop € 10.000,00 contant betaald terwijl er vanaf de bankrekeningen van de verdachten geen geldopname(s) heeft/hebben plaatsgevonden waaruit dit geld afkomstig zou kunnen zijn.
De rechtbank stelt dan ook vast dat verdachten drie keer een voertuig hebben aangeschaft waarvan de aankoopprijs deels is voldaan door middel van een contante betaling. Dit betrof contante betalingen van € 9.750,00, € 3.750,00 en € 10.000. Uit de bankrekeningen van verdachten blijken geen geldopnames waarmee deze contante betalingen kunnen worden verklaard. Verdachten moeten op de momenten dat de voertuigen werden aangeschaft dus telkens de beschikking hebben gehad over een hoeveelheid contant geld.
Vermoeden witwassen
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachten in de periode van 2020 tot en met 2022 relatief beperkte inkomsten hebben genoten. Op basis van een kasopstelling is berekend dat de financiële huishouding van de verdachten erop neerkomt dat er een verschil van € 130.915,88 zit tussen hetgeen zij hebben uitgegeven en hetgeen zij als inkomsten hebben genoten. Daarbij is er in de woning van de verdachten een partij van ruim 20 kilogram gedroogde henneptoppen aangetroffen.
Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank sprake van feiten en omstandigheden die, in onderling verband en samenhang beschouwd, zonder meer een vermoeden van witwassen in het leven roepen ten aanzien van de aangeschafte voertuigen.
Om die reden mag van de verdachten worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geven voor de herkomst van de bedragen waarmee de voertuigen zijn gekocht.
Verklaring herkomst contant geld en toetsing daarvan
De verklaringen van de verdachten bestaan eruit dat zij contant geld hebben verdiend met zwartwerken in de beautysalon (verdachte) en het doen van ‘allerlei’ zwarte klussen (medeverdachte). Voorts is door de medeverdachte ten tijde van zijn verhoor in 2022 verklaard dat hij zes jaar eerder een bedrag van € 30.000 of € 35.000 bij de bank heeft geleend en contant heeft opgenomen.
Naar aanleiding van de door de verdachten ingebrachte stukken die betrekking hebben op (i) de inkomsten van beautysalon [naam 1] (de onderneming van verdachte) en (ii) een geldlening van € 15.750,00 die in 2021 is afgesloten tussen verdachte en [naam 2] , heeft het Openbaar Ministerie (nader) onderzoek gedaan.
De rechtbank is ten aanzien van de verklaring dat het contante geld afkomstig is uit zwartwerken in de beautysalon en het doen van de zwarte klussen van oordeel dat die verklaring weinig concreet en nauwelijks verifieerbaar is. Verder acht de rechtbank het onaannemelijk dat er nog een zodanig deel van de bij de bank afgesloten lening beschikbaar zou zijn dat die de koop van de auto’s kan verklaren. De medeverdachte heeft immers ook verklaard dat hij het geleende bedrag grotendeels aan een verbouwing heeft besteed en ervan heeft geleefd. Daarbij heeft de medeverdachte deze stelling ook niet nader concreet of verifieerbaar gemaakt.
Met betrekking tot de door de verdachte ingebrachte stukken van NemoCura (de gedurende het opsporingsonderzoek door verdachten ingeschakelde boekhouder) constateert de rechtbank dat het daarin genoemde resultaat van [naam 1] wezenlijk verschilt van de in het dossier aanwezige stukken van de eerdere boekhouder [boekhouder] . Zo wordt als omzet over de periode 1 april 2021 tot en met 19 september 2022 door NemoCura een bedrag van € 106.202,05 genoemd terwijl het bedrag dat [boekhouder] over de periode 1 juli 2021 tot en met 30 juni 2022 noemde slechts € 46.345,04 betrof. Het verschil in omzet laat zich redelijkerwijs niet verklaren door het verschil in de onderscheidenlijke boekhoudperiodes. De medeverdachte verklaart het verschil verwijzend naar haar gebrekkige administratie. De rechtbank is van oordeel dat genoemd verschil in omzet zodanig is dat de enkele stelling van verdachte dat zij het (kort gezegd) administratief niet allemaal op een rij had, niet maakt dat de rechtbank aannemelijk acht dat de omzet van [naam 1] € 106.202,05 betrof. Daarbij komt dat van geen enkele behandeling die in het door verdachte aan NemoCura aangeleverde kasboek staat vermeld, is te herleiden wie de klant is geweest, op welke wijze deze klant heeft betaald noch op welk tijdstip de behandeling heeft plaatsgevonden.
Over de gestelde geldlening die verdachte met [naam 3] zou zijn aangegaan wordt pas in 2023 eerst verklaard. [naam 3] heeft daarover verklaard dat het door hem uitgeleende contante geld afkomstig zou zijn geweest uit de borg die hij in maart 2021 ontvangen heeft naar aanleiding van de verkoop van zijn restaurant. De koper van het restaurant weerspreekt deze verklaring. Deze heeft verklaard dat hij een of twee maanden voor oktober 2021 een aanbetaling van € 14.000,00 heeft gedaan. Op het moment dat de leenovereenkomst werd afgesloten (1 april 2021) had [naam 3] nog niet de beschikking over het geld. Bovendien heeft verdachte verklaard dat alle drie de voertuigen zijn betaald met het geleend geld (en de inruil) terwijl het eerste voertuig al op 28 december 2020 is aangeschaft. Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank niet aannemelijk dat deze lening daadwerkelijk door [naam 3] is verstrekt.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van verdachten, de stukken die zijn aangeleverd en het nader onderzoek dat naar aanleiding daarvan is verricht het vermoeden van witwassen niet ontzenuwen. Het kan daarom niet anders zijn dan dat het contant geld waarmee de voertuigen die op de tenlastelegging staan (deels) zijn betaald uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte en haar medeverdachte dit wisten bij het verwerven, voorhanden hebben en gebruik maken van de auto’s.
Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde medeplegen van witwassen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1:
op 19 september 2022 te Eindhoven
tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad een hoeveelheid hennep, zijnde
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
T.a.v. feit 2:
in de periode 28 december 2020 tot en met 17 oktober 2022, te Eindhoven, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander,
(van) een
- een Volkswagen Golf ( [kenteken 1] ),
- een Volkswagen Golf ( [kenteken 2] ), en
- een Mercedes Benz ( [kenteken 3] ),
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad en
- gebruik heeft gemaakt
terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd:
  • een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis met aftrek van de tijd die verdacht in voorarrest heeft doorgebracht;
  • een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaar.
Het standpunt van de verdediging.
Door de verdediging is bepleit bij een eventuele strafoplegging te volstaan met een taakstraf, eventueel in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte is een first offender en heeft de inverzekeringstelling als zeer zwaar ervaren. Een detentie is onwenselijk gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Bovendien is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van anderhalf jaar.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank de wettelijke strafmaxima en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een hoeveelheid henneptoppen en het witwassen van drie personenauto’s. Het telen van en de handel in hennep gaat vaak gepaard met andere, ook zware, vormen van criminaliteit.
Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien wordt door witwaspraktijken de onderliggende criminaliteit in stand gehouden en bevorderd. Verdachte heeft zich bij haar handelen kennelijk slechts laten leiden door eigen financieel gewin en gemak, en daarbij geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de samenleving. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
Kijkend naar de persoon van verdachte constateert de rechtbank dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld en dat sinds het tijdstip waarop de door haar gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad geruime tijd is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.
Gelet op de aard en de ernst van de feiten en gelet op de oriëntatiepunten die binnen de rechtspraak zijn ontwikkeld en als uitgangspunt dienen bij het bepalen van de straf, is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden zou zijn.
Verder is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met anderhalf jaar. Verdachte is op 19 september 2022 in verzekering gesteld terwijl de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op 11 maart 2026 en dus drieënhalf jaar later, heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de vraag welke consequentie daaraan moet worden verbonden , sluit de rechtbank zich aan bij de thans geldende jurisprudentie van de Hoge Raad. Hieruit volgt dat bij een termijnoverschrijding met meer dan een jaar gehandeld dient te worden naar bevind van zaken. De rechtbank is van oordeel dat de onwenselijk lange duur van de zaak moet leiden tot compensatie in de hoogte van de straf, in die zin dat er geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf opgelegd zal worden. In plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uur opleggen, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. De rechtbank zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, om de verdachte ervan te weerhouden zich voor het einde van die proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
T.a.v. feit 2:
medeplegen van witwassen
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straffen.
T.a.v. feit 1, feit 2:
Een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht
De rechtbank waardeert elke dag die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, op 2 uur te verrichten arbeid.
T.a.v. feit 1, feit 2:
Een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. F. van Buchem, voorzitter,
mr. T. Kraniotis en mr. S. van den Akker, leden,
in tegenwoordigheid van S.A. Nuyens, griffier,
en is uitgesproken op 25 maart 2026.
mr. S. van den Akker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.