Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Uitspraakdatum: 25 maart 2026
Rechtbank Oost-Brabant
De rechtbank Oost-Brabant heeft op 25 maart 2026 een tussentijdse beoordeling uitgevoerd van de ISD-maatregel die op 25 juli 2025 aan de veroordeelde is opgelegd voor de duur van twee jaar. De veroordeelde verzocht op 6 februari 2026 om beëindiging van de maatregel, stellende dat het ISD-traject voortvarend verloopt en hij geen zucht naar alcohol meer heeft.
De rechtbank nam kennis van een evaluatierapport van 2 maart 2026 en hoorde de deskundige en partijen op 11 maart 2026. Uit het rapport bleek dat de klinische behandeling pas recent is gestart en dat het traject doorgaans een jaar duurt, met mogelijke verkorting bij positieve houding. De deskundige adviseerde voortzetting van de maatregel om het traject te kunnen voltooien.
De raadsman voerde aan dat de maatregel beëindigd kan worden vanwege de geringe ernst van de feiten en het positieve verloop van de behandeling. Het Openbaar Ministerie verzette zich hiertegen, stellende dat de onvoorwaardelijke ISD-maatregel noodzakelijk blijft.
De rechtbank oordeelde dat voortzetting vereist is vanwege de hardnekkige alcoholverslaving, het beginstadium van de behandeling en de noodzaak tot bescherming van de maatschappij. De eerdere voorwaardelijke ISD-maatregel en het verblijf bij de vader veranderen hier niets aan. De maatregel wordt dan ook voortgezet.
Uitkomst: De rechtbank besloot de voortzetting van de ISD-maatregel wegens het beginstadium van de behandeling en noodzaak tot bescherming van de maatschappij.