ECLI:NL:RBOBR:2026:1870

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
24/2649
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 29a, vierde lid, van de ZiektewetWAZO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Arbeidsongeschiktheid na zwangerschap en bevalling bij burn-out niet uitsluitend door andere factoren

Eiseres was arbeidsongeschikt verklaard door het UWV vanaf 17 november 2023, maar het UWV stelde dat deze arbeidsongeschiktheid niet het gevolg was van zwangerschap of bevalling, waardoor zij geen recht had op een ZW-uitkering. De rechtbank beoordeelde het beroep van eiseres tegen dit besluit.

De rechtbank stelde vast dat eiseres per 14 augustus 2023 niet arbeidsongeschikt was, maar wel vanaf 17 november 2023. De verzekeringsarts B&B motiveerde dat de burn-out niet eerder dan 17 november 2023 was ontstaan en niet uitsluitend door zwangerschap of bevalling werd veroorzaakt. Eiseres betoogde dat haar klachten al tijdens de zwangerschap waren begonnen en dat deze hebben bijgedragen aan haar burn-out.

De rechtbank oordeelde dat de klachten die tot de burn-out leidden wel degelijk tijdens de zwangerschap en bevalling zijn ontstaan en dat het UWV ten onrechte heeft aangenomen dat de arbeidsongeschiktheid niet door deze factoren werd veroorzaakt. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg het UWV op een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van eiseres.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onjuiste beoordeling van de oorzaak van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/2649

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. N. van Mook),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigde: [naam]).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing van het UWV dat zij niet arbeidsongeschikt is per 14 augustus 2023. In datzelfde besluit deelt het UWV mede dat eiseres wel arbeidsongeschikt is per 17 november 2023, maar dat deze arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling. Eiseres heeft om deze redenen geen recht op een ZW-uitkering.
1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het UWV terecht de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van eiseres heeft vastgesteld op 17 november 2023. Het UWV heeft daarentegen ten onrechte gesteld dat deze arbeidsongeschiktheid niet voortkomt uit zwangerschap of bevalling

Procesverloop

2. Eiseres heeft zich op 17 november 2023 met terugwerkende kracht ziekgemeld per 14 augustus 2023. Zij heeft bij de ziekmelding aangegeven dat deze het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling. Het UWV heeft met het besluit van 8 februari 2024 aan eiseres medegedeeld zij per 14 augustus 2024 niet arbeidsongeschikt is voor haar eigen werk. Ook komt het UWV tot de conclusie dat eiseres per 17 november 2023 wel arbeidsongeschikt is, maar dat dit niet het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling.
2.1.
Eiseres is het met dit besluit niet eens. Daarom is zij hiertegen in bezwaar gegaan. Met het besluit van 29 mei 2024 op het bezwaar van eiseres (het bestreden besluit) is het UWV bij zijn besluit gebleven.
2.2.
Omdat eiseres het ook niet eens is met het bestreden besluit, heeft zij hiertegen beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, haar echtgenoot en de gemachtigde van het UWV deelgenomen.
2.4.
In de tussenuitspraak van 4 december 2024 (tussenuitspraak) heeft de rechtbank geoordeeld dat in het bestreden besluit sprake is van gebreken. Het UWV is vervolgens in de gelegenheid gesteld de genoemde gebreken binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen. Het UWV moet hierbij in acht nemen wat in de tussenuitspraak is overwogen.
2.5.
Het UWV heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend.
2.6.
Eiseres heeft hierop een schriftelijke zienswijze ingediend.
2.7.
Het UWV heeft een nader stuk ingediend. Hierop heeft eiseres gereageerd.
2.8.
Hierna heeft de rechtbank een vraag aan partijen gesteld. Hierop is door eiseres en het UWV gereageerd.
2.9.
De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank moet allereerst beoordelen of het UWV terecht heeft besloten dat eiseres per 14 augustus 2023 niet arbeidsongeschikt is voor haar eigen werk. Daarnaast moet de rechtbank beoordelen of het UWV terecht heeft besloten dat eiseres per 17 november 2023 wel arbeidsongeschikt is voor haar eigen werk, maar dat dit niet het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling. In beide gevallen heeft eiseres geen recht op een ZW-uitkering. De rechtbank geeft haar oordeel aan de hand van wat eiseres tegen het besluit heeft aangevoerd (de beroepsgronden).
3.1.
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 10 oktober 2024. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van oordelen die zonder voorbehoud in de tussenuitspraak zijn gegeven. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen, zoals volgt uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
3.2.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat het bestreden in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Om het gebrek te herstellen, moet het UWV onderzoek doen naar:
1) de klachten en beperkingen van eiseres op de datum van ziekmelding, zijnde 14 augustus 2023, in het bijzonder of zij op dat moment arbeidsongeschikt was voor haar werk;
2) het moment van ontstaan van de burn-out; en
3) of de burn-out uitsluitend is gelegen in andere factoren dan zwangerschap en bevalling.
3.3.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het UWV op juiste gronden heeft vastgesteld dat eiseres per 14 augustus 2023 niet arbeidsongeschikt is voor haar eigen werk. Ook heeft het UWV juist vastgesteld dat eiseres per 17 november 2023 wel arbeidsongeschikt is voor haar eigen werk. De rechtbank is echter van oordeel dat het UWV ten onrechte heeft beoordeeld dat de ongeschiktheid van eiseres per 17 november 2023 niet voortkomt uit zwangerschap of bevalling. Dat motiveert de rechtbank als volgt.
De reacties van partijen
4. Het UWV heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om het gebrek te herstellen. In zijn rapportage van 7 januari 2025 heeft de verzekeringsarts B&B een aanvullende motivering gegeven.
Het onderzoek naar de klachten en beperkingen van eiseres op datum ziekmelding, namelijk 14 augustus 2023, in het bijzonder of zij op dat moment arbeids(on)geschikt was voor haar werk.
4.1.
In zijn rapportage van 7 januari 2025 heeft de verzekeringsarts B&B aangegeven dat de belemmeringen die eiseres ervaart en die zij ter zitting kenbaar heeft gemaakt, geen reden geven om aan te nemen dat zij op 14 augustus 2023 arbeidsongeschikt was. Tijdens het spreekuur dat tijdens de bezwaarprocedure heeft plaatsgevonden heeft eiseres namelijk aangegeven dat ze wel belemmeringen heeft ervaren op het gebied van concentreren en herinneren en dat zij stress had – wat werd verergerd door de combinatie van werken en zorg thuis – maar dat zij een manier had gevonden met haar collega’s om met deze belemmeringen om te gaan. Door eenvoudige en kleine hulpmiddelen toe te passen, kon eiseres haar werk toch op een adequate manier uitvoeren. Uit het spreekuur is volgens de verzekeringsarts B&B ook gebleken dat op enig moment de ervaren psychische klachten zijn toegenomen. Deze toename was dusdanig dat ook de hulpmiddelen niet meer hielpen, waardoor eiseres zich ziek heeft gemeld. Hieruit maakt de verzekeringsarts B&B op dat arbeidsongeschiktheid per 14 augustus 2023 niet aannemelijk is.
4.2.
Eiseres heeft hiertegen ingebracht dat het feit dat zij op haar werk aanwezig is geweest vanaf 14 augustus 2023 niet betekent dat zij haar werkzaamheden nog naar behoren kon uitvoeren. Haar contractuele werktaken werden al vrij snel weggehaald en e-mails die zij verstuurde naar klanten moesten worden nagelezen. Bezichtigingen werden bij haar weggehouden vanwege angst voor sociale interactie. Vanwege belangst kon zij de telefoon niet meer aannemen. Verder heeft eiseres een relaas van haar werkgever overgelegd, waaruit volgens eiseres volgt dat zij haar werk niet meer kon uitvoeren.
Het moment van ontstaan van de burn-out.
4.3.
In zijn rapportage van 7 januari 2025 schrijft de verzekeringsarts B&B dat er geen reden is om aan te nemen dat de burn-out eerder is ontstaan dan 17 november 2023. De verzekeringsarts B&B baseert dit op de NVAB Richtlijn ‘Overspanning en Burn-out’, de NHG-standaard ‘Overspanning en burn-out’ en de beschikbare informatie in het dossier. Volgens de verzekeringsarts B&B is een duidelijke stoornis in het sociaal en/of beroepsmatig functioneren een belangrijk criterium om aan de diagnose burn-out/overspanning te voldoen. Gelet op het spreekuur met eiseres ziet de verzekeringsarts B&B geen aanleiding om aan te nemen dat er tijdens de zwangerschap, na de bevalling en op 14 augustus 2023 al sprake was van een burn-out. Eiseres was namelijk in staat om thuis te functioneren, rekening houdend met haar fysieke klachten. Na de bevalling bleek zij daarnaast in staat te zijn om zelfstandig de zorg te dragen voor haar gezin met drie kinderen. Hieruit valt volgens de verzekeringsarts B&B dus niet op te maken dat er in die periode al sprake was van een duidelijke stoornis in het functioneren in de thuissituatie of de sociale situatie. Ook in de eerste periode na de volledige werkhervatting, vanaf 15 augustus 2023 bleek geen duidelijke stoornis in het functioneren. Pas vanaf 17 november 2023 bleek eiseres niet meer in staat te zijn adequaat te functioneren, zowel in de thuissituatie als in het werk.
4.4.
Eiseres voert aan dat haar werkgever haar omschrijft als iemand die bovenop een situatie zit, duidelijk communiceert, taken adequaat uitvoert en afhandelt. Ook in het huishouden en de opvoeding van de kinderen is zij altijd iemand geweest die alle ballen hoog wist te houden. Al tijdens haar zwangerschap veranderde dit toen zij vroeg in het tweede trimester bekken-, stuit- en rugklachten kreeg. Zij kon lichamelijk steeds minder en dit had zijn weerslag op haar mentale gesteldheid. Zij kon situaties niet langer overzien. Dit wordt ook bevestigd in het schrijven van haar werkgever. Het controleverlies en disfunctioneren was duidelijk terug te zien in haar thuissituatie. Omdat haar partner een drukke baan had, kwam het huishouden en de zorg voor de kinderen voor het overgrote gedeelte op haar aan en zij zorgde voor de kinderen. Verder ondernam zij niks. Hiernaast namen tijdens de zwangerschap ook de spanningsklachten toe. De lichamelijke klachten hadden zijn weerslag op haar mentale gesteldheid. Zij kon op kantoor niet meer lang aan een stuk zitten, staan en/of wandelen en thuis kon zij niet meer met de kinderen spelen. Traplopen werd lastig en taken als schoonmaken kon zij niet meer uitvoeren. Zij kreeg hierdoor een groot schuldgevoel naar zowel haar werkgever als haar kinderen. Dit schuldgevoel werd snel groter naarmate de klachten verergerde. Zij raakte haar zelfvertrouwen kwijt, vergat bijna alles, begon fouten te maken, kreeg angstaanvallen thuis en op kantoor en dit werd steeds erger.
Is de burn-out uitsluitend gelegen in andere factoren dan zwangerschap en bevalling?
4.5.
Volgens de verzekeringsarts B&B is de burn-out van eiseres niet ontstaan tijdens zwangerschap of bevalling. De klachten van stress en de burn-outklachten zijn namelijk later ontstaan als gevolg van een combinatie van factoren: het zelfstandig zorgdragen voor de kinderen, de combinatie van drukte thuis en op het werk en de persoonlijke factor perfectionisme. Daarnaast heeft eiseres verklaard dat het langdurig ziek zijn van haar twee jongste kinderen in september 2023 ervoor heeft gezorgd dat zij meer stress en zorgen had, waardoor haar klachten zijn toegenomen. Ook hieruit kan worden opgemaakt dat een combinatie van factoren (thuissituatie, werk, zorg voor de kinderen) na de periode van zwangerschap, bevalling en/of kraamperiode ervoor heeft gezorgd dat de problematiek is ontstaan. Zij heeft in de periode na de bevalling nog adequaat kunnen functioneren, zodat kan worden vastgesteld dat de oorzaak van de burn-out niet is gelegen in zwangerschap en/of bevalling.
4.6.
Eiseres blijft bij haar standpunt dat haar mentale klachten tijdens de zwangerschap zijn ontstaan als gevolg van haar fysieke zwangerschapsklachten en dat de mentale klachten zijn gebleven na de bevalling, het bevallings- en ouderschapsverlof en toen zij weer ging werken. De ziekte van haar kinderen in september 2023 heeft gezorgd voor nog meer stress, waardoor haar klachten zijn toegenomen.
De overwegingen van de rechtbank
5. Over de arbeidsongeschiktheid per 14 augustus 2023 overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat zij al arbeidsongeschikt was voor haar werk per 14 augustus 2023. Dat eiseres belemmeringen heeft ervaren in het uitvoeren van haar werk, wil niet per definitie zeggen dat zij arbeidsongeschikt is voor haar werk. Zoals zij zelf heeft verklaard, had zij met collega’s een manier gevonden om met deze belemmeringen om te gaan. Uiteindelijk is op 17 november 2023 gebleken dat de belemmeringen dusdanig waren toegenomen dat ook de hulpmiddelen eiseres niet meer hielpen om haar werk te verrichten. Ook in de verklaring van de werkgever ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat eiseres al op 14 augustus 2023 ongeschikt was om haar eigen werk te verrichten. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank dat eiseres geen medische informatie heeft overgelegd over haar klachten tijdens haar zwangerschap en na haar bevalling. Uit de stukken blijkt dat zij voor het eerst – en laatst – op 5 oktober 2023 naar haar huisarts is gegaan met haar klachten die uiteindelijk hebben geleid tot de diagnose burn-out. Eiseres heeft, kort gezegd, toegelicht dat zij zo lang mogelijk is doorgegaan met (proberen te) werken totdat het niet meer ging en dat om die reden medische stukken ontbreken. De rechtbank kan zich dat voorstellen. Dat neemt echter niet weg dat objectieve, medische informatie over de situatie van eiseres op 14 augustus 2023 ontbreekt en dat de verklaring van de werkgever in dit geval onvoldoende gewicht in de schaal legt om daaraan doorslaggevende betekenis te hechten.
5.1.
Over het ontstaan van de burn-out overweegt de rechtbank als volgt. De huisarts heeft de diagnose burn-out op 5 oktober 2023 gesteld. De verzekeringsarts B&B heeft gemotiveerd dat bij eiseres niet eerder dan op 17 november 2023 sprake was van een burn-out. De rechtbank overweegt dat het ‘exacte’ moment dat sprake is van een burn-out op basis van het voorhanden dossier moeilijk is vast te stellen. Eiseres heeft geen (nieuwe) medische informatie ingebracht die leidt tot twijfel aan de motivering van de verzekeringsarts B&B. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiseres onvoldoende twijfel heeft gezaaid aan de motivering van de verzekeringsarts B&B dat bij eiseres niet eerder dan vanaf 17 november 2023 de klachten die hebben geleid tot een burn-out zodanig waren, dat zij vanaf die dag als gevolg daarvan niet meer geschikt was voor haar eigen werk. De rechtbank volgt eiseres daarom niet op dit punt.
5.2.
Voor wat betreft de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid volgt de rechtbank het UWV niet. Weliswaar is de diagnose burn-out pas na de periode van zwangerschap, bevalling en/of kraamperiode gesteld, maar de klachten die tot deze diagnose hebben geleid kunnen wel degelijk eerder zijn ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de aanwezige informatie en de verklaringen van eiseres en haar werkgever voldoende aannemelijk gebleken dat zij al tijdens haar zwangerschappen fysieke én mentale belemmeringen had. Dat deze belemmeringen, zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, niet eerder dan op 17 november 2023 leiden tot arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk van eiseres, doet aan die conclusie niet af.
5.3.
Hierbij vindt de rechtbank het volgende van belang. De Richtlijn zwangerschap en bevalling is geüpdatet in 2021. De vraag die een verzekeringsarts vanaf die update moet stellen is: ‘is de oorzaak van de ongeschiktheid tot werken uitsluitend gelegen in andere factoren dan de huidige zwangerschap of de laatste bevalling?’. Alleen wanneer uitsluitend andere factoren de oorzaak zijn van de arbeidsongeschiktheid, kan de verzekeringsarts de claim dat de arbeidsongeschiktheid een gevolg is van de zwangerschap en/of bevalling afwijzen. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld, en door het UWV niet is weersproken, had eiseres al tijdens haar zwangerschap fysieke en mentale klachten. Dat deze klachten niet eerder dan 17 november 2023 hebben geleid tot arbeidsongeschiktheid voor het eigen werk, maakt niet dat zij niet al eerder aanwezig waren. Door een toename van die klachten is eiseres op 17 november 2023 uitgevallen voor haar werk. De rechtbank kan daardoor niet uitsluiten dat deze klachten, die zijn ontstaan tijdens de zwangerschap en/of na de bevalling, hebben bijgedragen aan het ontstaan van de burn-out. De motivering van de verzekeringsarts B&B overtuigt de rechtbank er evenmin van dat de ongeschiktheid tot werken uitsluitend is gelegen in andere factoren dan de huidige zwangerschap of de laatste bevalling Dit leidt tot het oordeel dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres per 17 november 2023 niet uitsluitend is gelegen in andere factoren dan de laatste zwangerschap en/of bevalling. Op grond van de Richtlijn moet dus worden aangenomen dat de arbeidsongeschiktheid van eiseres wel het gevolg is van haar zwangerschap en/of bevalling.

Conclusie en gevolgen

6. Gelet op het gebrek dat in de tussenuitspraak is geconstateerd, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
6.1.
Het UWV heeft na de tussenuitspraak wel voldoende gemotiveerd dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van eiseres 17 november 2023 is, maar heeft ten onrechte aangenomen dat deze arbeidsongeschiktheid niet het gevolg is van zwangerschap en/of bevalling.
De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, omdat het UWV nog moet beoordelen of eiseres voldoet aan de overige voorwaarden om in aanmerking te komen voor een ZW-uitkering. Het UWV moet daarom opnieuw op het bezwaar van eiseres beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.
6.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt het UWV ook in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast. De bijstand door een gemachtigde levert 0,5 punt op (voor het indienen van een zienswijze na een bestuurlijke lus) met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 467,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 467,-;
- draagt het UWV op het griffierecht van € 51,- dat eiseres heeft betaald, aan haar te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van mr. mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.