ECLI:NL:RBOBR:2026:1866

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
01/322635/24
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i SrArt. 77m SrArt. 77n Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor vijf openlijke geweldplegingen en mishandeling met werkstraf en voorwaardelijke jeugddetentie

De rechtbank Oost-Brabant heeft op 23 maart 2026 een minderjarige verdachte veroordeeld voor vijf openlijke geweldplegingen gepleegd in Rosmalen en ’s-Hertogenbosch in de periode september en oktober 2024, alsmede een mishandeling in mei 2024. De feiten betroffen onder meer slaan, schoppen, duwen en het gebruik van een kettingslot als zwaar voorwerp. De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen van slachtoffers, getuigen en medeverdachten.

De verdachte, die ten tijde van de feiten jonger was dan 14 jaar, werd veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, en een voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. Aan de voorwaardelijke straf zijn bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder toezicht door de jeugdreclassering, een contactverbod met de slachtoffers en medewerking aan hulpverlening en dagbesteding.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een oppositioneel-opstandige stoornis en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, en nam het advies van de Raad voor de Kinderbescherming mee. De voorlopige hechtenis werd geschorst en de verdachte kreeg een straf die de ernst van de feiten voldoende weerspiegelt, maar ook rekening houdt met zijn jonge leeftijd en verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Daarnaast werden de ouders van de verdachte veroordeeld tot betaling van immateriële schadevergoedingen aan twee slachtoffers, waarbij de bedragen werden verdeeld tussen de verdachte en een medeverdachte. De rechtbank wees schadevergoedingsmaatregelen af vanwege de leeftijd van de verdachte ten tijde van de feiten.

De redelijke termijn voor de behandeling van de zaak werd licht overschreden, maar dit werd slechts geconstateerd zonder verdere sancties. De uitspraak werd gewezen door een meervoudige kamer onder leiding van voorzitter Raeijmaekers.

Uitkomst: Minderjarige veroordeeld tot werkstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen jeugddetentie en voorwaardelijke jeugddetentie van drie maanden met proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummers: 01.322635.24 en 01.300986.24 (ter terechtzitting gevoegd)
Datum uitspraak: 23 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [2012] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 maart 2026.
Op deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 5 februari 2026.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van 01-322635-24:
1hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenboschopenlijk, te weten, op/aan de Oude Dijk en/of de Torenstraat, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] ,door voornoemde [slachtoffer 1]- meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of de rug, althans het lichaam, te slaan/stompen,- meermalen, althans eenmaal, op/tegen de rug, althans het lichaam, te trappen/schoppen en/of- met een kettingslot, althans een zwaar en/of hard voorwerp, op/tegen de rug, althans het lichaam, te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 5 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenboschtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen[slachtoffer 1] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 1]- meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht en/of de rug, althans het lichaam, te slaan/stompen,- meermalen, althans eenmaal, op/tegen de rug, althans het lichaam, te trappen/schoppen en/of- met een kettingslot, althans een zwaar en/of hard voorwerp, op/tegen de rug, althans het lichaam, te slaan;
2hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenboschopenlijk, te weten, op/aan de Harry Coppensstraat,in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] ,door voornoemde [slachtoffer 2]- meermalen, althans eenmaal, met een kettingslot, althans een zwaar voorwerp, op/tegen de rug, althans het lichaam, te slaan en/of- meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht/het hoofd, althans het lichaam, te spugen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenboschtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 2]heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal,met een kettingslot, althans een zwaar voorwerp, op/tegen de rug, althans het lichaam, te slaan;
3hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenboschopenlijk, te weten, op/aan het Bevrijdingspad, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door voornoemde [slachtoffer 3]- een harde duw tegen de schouder te geven,- van achteren vast te pakken en/of vast te klemmen,- tegen het been en/of de heup, althans het lichaam, te trappen/schoppen en/of- een krachtige duw in/tegen het gezicht te geven;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente 's-Hertogenboschtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [slachtoffer 3] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 3]- een harde duw tegen de schouder te geven,- van achteren vast te pakken en/of vast te klemmen,- tegen het been en/of de heup, althans het lichaam, te trappen/schoppen en/of- een krachtige duw in/tegen het gezicht te geven;
4hij op of omstreeks 17 september 2024 te 's-Hertogenboschopenlijk, te weten op/aan de Arena, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 4] , door die [slachtoffer 4](in de Albert Heijn)- te duwen,- te tackelen,(bovenaan de roltrap/ ter hoogte van Intertoys)- meermalen, althans eenmaal, tegen het lichaam te slaan/stompen en/of- meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan/stompen;
5hij op of omstreeks 17 september 2024 te ’s-Hertogenbosch openlijk, te weten op/aan de Arena, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 5] , door voornoemde [slachtoffer 5](in de Albert Heijn)- te laten struikelen,- op/tegen de nek te slaan en/of(bovenaan de roltrap/ ter hoogte van Intertoys)- meermalen, althans eenmaal, in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, teslaan/stompen;
Ten aanzien van 01.300986.24:
hij op of omstreeks 8 mei 2024 te 's-Hertogenbosch
[slachtoffer 6] heeft mishandeld door
- met een Nerf pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer 6] te schieten en/of
- één of meerdere malen die [slachtoffer 6] te trappen/schoppen waardoor die [slachtoffer 6] ten val is gekomen;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie acht de onder 1 tot en met 5 primair ten laste gelegde openlijke geweldplegingen, met uitzondering van het slaan met het kettingslot ten aanzien van feit 1, wettig en overtuigend bewezen. Tevens acht de officier van justitie de in de zaak met parketnummer 01.300986.24 ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat het feit, uitgaande van de aangifte en de verklaring van [medeverdachte] , kan worden bewezen, met uitzondering van het slaan met het kettingslot.
Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden vastgesteld dat verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het geweld.
Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman geconstateerd dat er een belastende verklaring van [medeverdachte] is en dat het slachtoffer verdachte heeft aangewezen als één van de daders.
Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft verklaard in de Albert Heijn en boven bij Intertoys te zijn geweest.
Door in de Albert Heijn de jongen te tackelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het geweld. Door vervolgens niet weg te lopen, is verdachte mede verantwoordelijk voor het geweld door een ander gepleegd.
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 01.300986.24 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Verdachte zegt daar niet te zijn geweest.
Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen.

Voor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Bewijsoverwegingen.

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie en de verdediging, wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) ook met een kettingslot is geslagen.
[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op een gegeven moment iets van ijzer in zijn rug voelde. Het voelde veel harder dan de andere klappen die hij daarvoor had gekregen en hij had er toen hij de volgende dag aangifte deed, nog steeds veel last van.
Van zijn vriend [getuige 2] hoorde hij dat hij met het slot van de fatbike was geslagen.
[getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat persoon 1 (de rechtbank begrijpt dat daarmee wordt bedoeld, medeverdachte [medeverdachte] ) de ketting/het kettingslot voor zich hield en bleef herhalen: "Wat wil jij doen dan”. Daarna fietsten [slachtoffer 1] en [getuige 2] weg en is, zo begrijpt de rechtbank, [slachtoffer 1] met het kettingslot op zijn rug geslagen.
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen de onder 1 ten laste gelegde openlijke geweldpleging, waaronder ook het op de rug slaan met een kettingslot,
wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2:

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het opzet heeft gehad op het in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer 2] .
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte onderdeel uitmaakte van de groep van vier personen, die op twee fatbikes zaten. Verdachte heeft naar de groep meisjes geroepen en hen uitgedaagd. Daarna zijn ze met zijn vieren hinderlijk rond de meisjes gaan fietsen en hebben ze de meisjes bespuugd. Medeverdachte heeft daarbij een kettingslot gepakt en een van de meisjes met dat kettingslot geslagen. Verdachte heeft zich op dat moment niet gedistantieerd van de groep.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de in de bewijsbijlage opgesomde (feiten 4 en 5) en uitgewerkte (feiten 1, 2, 3 en zaak met parketnummer 01.300986.24) bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
In de zaak met parketnummer 01.322635.24:

1 primair:

op 5 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch openlijk, op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 1] , door voornoemde [slachtoffer 1]- meermalen in/op/tegen het gezicht en/of de rug, te slaan/stompen,- meermalen, op/tegen de rug, te trappen/schoppen en- met een kettingslot, op/tegen de rug te slaan;
2 primair:op 6 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch openlijk, op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door voornoemde [slachtoffer 2]- meermalen met een kettingslot, althans een zwaar voorwerp, op/tegen de rug te slaan en- meermalen in/op/tegen het hoofd te spugen;
3 primair:op 7 oktober 2024 te Rosmalen, gemeente ’s-Hertogenbosch openlijk, op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , door voornoemde [slachtoffer 3]- een harde duw tegen de schouder te geven,- van achteren vast te pakken en/of vast te klemmen,- tegen het been en/of de heup, te trappen en- een krachtige duw in/tegen het gezicht te geven;
4 primair:op 17 september 2024 te ’s-Hertogenbosch openlijk, te weten aan de Arena, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 4] , door voornoemde [slachtoffer 4](in de Albert Heijn)- te duwen,- te tackelen,(bovenaan de roltrap/ter hoogte van Intertoys)- meermalen tegen het lichaam te slaan/stompen en- meermalen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan/stompen,
5 primair:op 17 september 2024 te ’s-Hertogenbosch openlijk, te weten aan de Arena, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 5] , door voornoemde [slachtoffer 5](in de Albert Heijn)- te laten struikelen,- op/tegen de nek te slaan en(bovenaan de roltrap/ ter hoogte van Intertoys)- meermalen in/op/tegen het gezicht, althans het hoofd, te slaan/stompen;
In de zaak met parketnummer 01.300986.24:
op 8 mei 2024 te ’s-Hertogenbosch [slachtoffer 6] heeft mishandeld door
- met een Nerf pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer 6] te schieten en
- die [slachtoffer 6] te trappen/schoppen waardoor die [slachtoffer 6] ten val is gekomen;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft een werkstraf van 120 uren gevorderd met aftrek van het voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie een jeugddetentie gevorderd van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met de bijzondere voorwaarden, zoals deze zijn geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en daarnaast nog als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de minderjarige slachtoffers, vermeld in de tenlastelegging.
De officier van justitie heeft verder gevorderd de bijzondere voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en de voorlopige hechtenis, die al is geschorst, op te heffen.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht te volstaan met een (deels) voorwaardelijke werkstraf met de bijzondere voorwaarden, zoals deze door de officier van justitie zijn geëist.
Gezien de jonge leeftijd van verdachte en het intensieve traject, dat verdachte al heeft doorlopen en de intensieve begeleiding en/of behandeling die nog gaat komen, vindt de raadsman dat met een (deels) voorwaardelijke werkstraf kan worden volstaan.
De raadsman geeft de rechtbank in overweging het begeleidingstraject een jaar te laten duren in plaats van twee jaren.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De aard en de ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van nog geen maand schuldig gemaakt aan vijf openlijke geweldplegingen.
Verdachte heeft met medeverdachte(n) willekeurige, jonge slachtoffers op straat of op speelveldjes benaderd en hen zonder aanleiding geïntimideerd en mishandeld, waarbij onder meer is geslagen en/of geschopt en/of knietjes zijn gegeven en/of is geslagen met een kettingslot. Een aantal slachtoffers is door verdachte en de medeverdachte achtervolgd en/of vernederd, waarbij bij één van de slachtoffers de suggestie is gewekt dat er filmopnames van het incident zijn gemaakt.
Het geweld en de bedreigingen door verdachte en de medeverdachte(n) hebben een enorme impact gehad op de jonge slachtoffers. De slachtoffers waren, zo blijkt uit de aangiftes en uit een aantal slachtofferverklaringen, heel erg bang. Voor een aantal jonge slachtoffers geldt dat het incident nog steeds negatieve invloed heeft op hun dagelijkse leven.
Van deze incidenten waren ook anderen, waaronder kinderen, getuige.
Dat zij daarvan getuige zijn geweest, moet heel heftig voor hen zijn geweest.
Naast voornoemde feiten heeft verdachte vijf maanden daarvoor ook nog een jongen zonder aanleiding mishandeld door hem met een Nerf pistool tegen het hoofd te schieten en die jongen te trappen/schoppen.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de psycholoog drs. R.C. Norp van 20 november 2025. In dit rapport heeft de psycholoog onder meer geconcludeerd dat sprake is van een oppositioneel-opstandige stoornis (ODD) en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling bij verdachte.
Dit was ook zo ten tijde van het ten laste gelegde.
Vanuit het gelijktijdigheidsprincipe en gelet op zijn jonge leeftijd, beperkte emotieregulatie en nog onvolledig ontwikkelde gewetensfunctie geeft de psycholoog in overweging het ten laste gelegde, indien bewezen, in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Zonder verdere begeleiding en behandeling wordt het risico op soortgelijke feiten als matig tot hoog ingeschat.
De rechtbank neemt voornoemde conclusies over en zal met de strafoplegging ten voordele van verdachte rekening houden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid.
Uit het advies van de Raad van 10 februari 2026 en de op de terechtzitting gegeven toelichting van de deskundigen blijkt dat de kans op herhaling aanwezig is. Verdachte scoort op Algemeen Recidive Risico heel hoog. Er zijn diverse criminogene factoren aanwezig, die aandacht behoeven om de kans op herhaling te verkleinen.
Sinds verdachte duidelijke en strakke kaders heeft, in de vorm van een ondertoezichtstelling en een jeugdreclasseringsmaatregel, is gebleken dat dit goed werkt voor verdachte.
De Raad vindt een deels voorwaardelijke werkstraf passend.
De Raad vindt het belangrijk dat verdachte versterkt wordt in zijn vaardigheden en vermoedt dat langdurige begeleiding (bijvoorbeeld van Moeff/Self of soortgelijke instanties) nodig is.
De Raad adviseert als bijzondere voorwaarden – kort gezegd – op te leggen, een meldplicht bij William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, vinden en behouden van een dagbesteding, meewerken aan hulpverlening die door de jeugdreclassering nodig wordt geacht en meewerken aan Straatkracht, indien de jeugdreclassering dit nodig acht.
De rechtbank zal bij de strafoplegging in strafmatigende zin rekening houden met de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van verdachte onder strenge voorwaarden, waaronder huisarrest, is geschorst en dat verdachte zich heeft moeten houden aan een strak kader. Niet is gebleken dat verdachte sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.
De straf
De rechtbank heeft voor het bepalen van de straf gelet op de oriëntatiepunten voor minderjarigen die door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) zijn vastgesteld.
Gelet op de hoeveelheid en de ernst van de feiten acht de rechtbank een jeugddetentie van drie maanden op zijn plaats. Om te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten zal plegen, zal deze jeugddetentie geheel voorwaardelijk worden opgelegd met een proeftijd van twee jaren. Gelet op de rapportages en verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting waaruit volgt dat verdachte gebaat is bij een strak kader, zullen aan deze voorwaardelijke straf de door de Raad geadviseerde voorwaarden worden verbonden. Daarnaast acht de rechtbank als bijzondere voorwaarde een contactverbod met de in de tenlastelegging genoemde slachtoffers, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden.
De rechtbank vindt daarnaast een werkstraf, van zestig uren passend en geboden. De tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht dient in mindering te worden gebracht op deze straf, waarbij de rechtbank 1 dag waardeert op 2 uur te verrichten arbeid.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Dadelijke uitvoerbaarheid.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van meerdere personen.
Verdachte heeft meerdere willekeurige personen benaderd en zonder aanleiding geslagen en geschopt, waarbij ook met een kettingslot is geslagen.
De Raad en de psycholoog schatten het recidive risico als matig tot hoog in. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zonder begeleiding wederom een dergelijk (gewelds)misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van art. 77z Sr te stellen voorwaarden en het op grond van art. 77aa Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is aangevangen op het moment dat verdachte in verzekering is gesteld.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak dan ook te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De redelijke termijn is aangevangen op 8 oktober 2024, het moment van inverzekeringstelling.
De rechtbank concludeert dat de redelijke termijn van 16 maanden met betrekking tot jeugdigen op het moment van de einduitspraak, op 23 maart 2026, is overschreden met ongeveer anderhalve maand.
Het gaat hier om een geringe overschrijding van de redelijke termijn. Verdachte heeft in de periode na de schorsing kunnen laten zien dat er geen delicten zijn gepleegd en dat er vooruitgang is geboekt, hetgeen ook positief is meegewogen voor verdachte. De rechtbank volstaat dan ook met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Ten aanzien van parketnummer 01.322635.24 feit 1:

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 1.000,-- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade, die de benadeelde heeft geleden als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de gehele vordering ten laste van de ouders van verdachte bepleit, met wettelijke rente.
Gelet op de leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het feit, namelijk jonger dan 14 jaar, heeft de officier van justitie geen schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te matigen, omdat niet kan worden bewezen dat er met een kettingslot is geslagen en de gestelde psychische en emotionele schade onvoldoende is onderbouwd.
De raadsman heeft verder verzocht het toe te wijzen bedrag niet hoofdelijk op te leggen, maar de helft toe te wijzen ten aanzien van deze verdachte en de andere helft ten aanzien van de medeverdachte.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat aan de benadeelde door het onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
Voor wat betreft de vergoeding voor geleden immateriële schade geldt dat schade kan worden toegewezen op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, BW: aantasting van de persoon op andere wijze.
Volgens vaste rechtspraak is van een dergelijke aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
De benadeelde partij heeft in de onderbouwing naar voren gebracht dat het gebeurde een grote impact op hem heeft gehad en ook nog steeds heeft. Benadeelde ondervindt nog steeds paniekaanvallen, vermijdingsgedrag en heeft een aanzienlijk verminderd gevoel van veiligheid in het dagelijkse leven.
De benadeelde is op meerdere plekken door verdachte en medeverdachte achterna gezeten, geïntimideerd en mishandeld, waarbij ook nog met een kettingslot op zijn rug is geslagen. Daarbij weegt de rechtbank in het bijzonder mee het feit dat de benadeelde heeft geprobeerd te ontkomen aan het geweld door verdachte en de medeverdachte maar dat dit steeds niet lukte omdat verdachte en zijn mededader hem bleven achtervolgen en hij uiteindelijk op vier verschillende locaties met het geweld van verdachte en de mededader werd geconfronteerd. Dit moet voor de jonge benadeelde bijzonder beangstigend zijn geweest.
Verdachte heeft door zijn handelen het jonge slachtoffer enorme schrik aangejaagd.
De rechtbank overweegt dat concrete gegevens over de aard van de psychische schade bij de benadeelde partij ontbreken, zodat het bestaan van geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld.
De rechtbank is echter van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan met zich brengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ kan worden aangenomen.
De aard, de ernst en de verwijtbaarheid van de onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd, maakt dat de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vaststelt op € 1.000,--.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit feit, tezamen en in vereniging met medeverdachte heeft gepleegd. De rechtbank zal de vordering niet hoofdelijk toewijzen, maar het toe te wijzen bedrag pondspondsgewijs verdelen over de verdachte en de medeverdachte.
Dit betekent dat een bedrag van € 500,-- ten aanzien van deze verdachte zal worden toegewezen en een bedrag van € 500,-- in de zaak van de medeverdachte zal worden toegewezen.
De rechtbank zal voorts bepalen dat het te vergoeden schadebedrag van € 500,-- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024.
De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
Schadevergoeding bij verdachte onder de 14 jaar.
De vordering van de benadeelde partij heeft betrekking op een gedraging van een verdachte die ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt. De gedraging van de verdachte kan wel worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, en als de verdachte veertien jaar of ouder zou zijn geweest, zou die hem ook worden toegerekend. In verband met de leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit wordt de vordering echter, ingevolge artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, geacht te zijn ingediend tegen de ouders van de verdachte.
De ouders van verdachte worden daarom veroordeeld om € 500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen aan de benadeelde partij.
Proceskosten
De ouders van de verdachte worden ook veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast worden de ouders van de verdacht veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van parketnummer 01.322635.24 feit 3:

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] .

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 550,-- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade, die de benadeelde heeft geleden als gevolg van het onder 3 ten laste gelegde, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van de gehele vordering ten laste van de ouders van verdachte bepleit, met wettelijke rente.
Gelet op de leeftijd van verdachte ten tijde van het plegen van het feit, namelijk jonger dan 14 jaar, heeft de officier van justitie geen schadevergoedingsmaatregel gevorderd.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verder heeft de raadsman verzocht het toe te wijzen bedrag niet hoofdelijk op te leggen, maar de helft toe te wijzen ten aanzien van deze verdachte en de andere helft ten aanzien van de medeverdachte.
Beoordeling.
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is vast komen te staan dat sprake is van een aantasting in de persoon zodat aan de benadeelde door het onder feit 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.
De aard, de ernst en de verwijtbaarheid van de onrechtmatige handelen van de verdachte, alsmede de ernst van de inbreuk die daarmee op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij is gemaakt en de nadelige gevolgen die het handelen van de verdachte heeft gehad op het dagelijkse leven van de benadeelde partij en de schadevergoeding die in vergelijkbare gevallen door rechters worden opgelegd, maakt dat de rechtbank de omvang van de immateriële schade naar billijkheid vaststelt op € 550,--.
De rechtbank stelt vast dat verdachte dit feit, tezamen en in vereniging met medeverdachte heeft gepleegd. De rechtbank zal de vordering niet hoofdelijk toewijzen, maar het toe te wijzen bedrag pondspondsgewijs verdelen over de verdachte en de medeverdachte,
Dit betekent dat een bedrag van € 275,-- ten aanzien van deze verdachte zal worden toegewezen en een bedrag van € 275,-- in de zaak van de medeverdachte zal worden toegewezen.
De rechtbank zal voorts bepalen dat het te vergoeden schadebedrag van € 275,-- wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2024.
De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen.
Schadevergoeding bij verdachte onder de 14 jaar.
De vordering van de benadeelde partij heeft betrekking op een gedraging van een verdachte die ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt. De gedraging van de verdachte kan wel worden aangemerkt als een onrechtmatige daad, en als de verdachte veertien jaar of ouder zou zijn geweest, zou die hem ook worden toegerekend. In verband met de leeftijd van de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit wordt de vordering echter, ingevolge artikel 51g lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, geacht te zijn ingediend tegen de ouders van de verdachte.
De ouders van verdachte worden daarom veroordeeld om € 275,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen aan de benadeelde partij.
Proceskosten
De ouders van de verdachte worden ook veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast worden de ouders van de verdacht veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Geen schadevergoedingsmaatregel

Namens de benadeelde partijen is telkens verzocht om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht. Deze maatregel kan echter alleen worden opgelegd indien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Aangezien de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit de leeftijd van veertien jaar nog niet had bereikt, is de verdachte niet aansprakelijk voor de schade en kan er geen schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 01.322635.24 onder 1, 2, 3, 4, 5 telkens primair en in de zaak met parketnummer 01.300986.24 bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

In de zaak met parketnummer 01.322635,24:

Feit 1 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 2 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 3 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 4 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Feit 5 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

In de zaak met parketnummer 01.300986.24:

Mishandeling

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straffen.
Ten aanzien van 01-322635-24 feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 primair, feit 4, feit 5 en 01-300986-24:
 Een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht
De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.
 Een jeugddetentie voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat veroordeelde zich gedurende een door de gecertificeerde instelling te bepalen periode en op door de gecertificeerde instelling (WSJJ) te bepalen tijdstippen zal melden zo frequent en zo lang die instelling dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht en zijn medewerking verleent aan de daaruit voortvloeiende afspraken;
2. dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan het vinden en behouden van een dagbesteding (zoals school/stage/dagbesteding/betaald werk);
3. dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan de hulpverlening die de jeugdreclassering nodig acht, zoal bijvoorbeeld ambulante ondersteuning en/of behandeling;
4. dat veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan Straatkracht, indien de reclassering dit nodig acht;
5. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de slachtoffers in deze zaak, te weten:
- [slachtoffer 1] , geboren op [2010] ;
- [slachtoffer 2] , geboren op [2009] ;
- [slachtoffer 3] , geboren op [2011 1] ;
- [slachtoffer 4] , geboren op [2011 2] ;
- [slachtoffer 5] , geboren op [2011 3] en
- [slachtoffer 6] , geboren op [2014]
Geeft aan William Schrikker Stichting. Jeugdbescherming en jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, de opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden onder 1 tot en met 4 en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het jeugdreclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen,
beveelt de rechtbank gelet op artikel 77za Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is met ingang van 11 oktober 2024 geschorst.

Ten aanzien van parketnummer 01.322635.24 feit 1:

Beslissing vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de ouders van verdachte (te weten: [vader] en [moeder] ) mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van EUR 500,--, te betreffende immateriële schadevergoeding.
Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 5 oktober 2024, tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de ouders van verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt de ouders van verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Wijst de vordering voor het overige af, nu dit deel van de vordering door de ouders van medeverdachte moet worden voldaan.

Ten aanzien van parketnummer 01.322635.24 feit 3:

Beslissing vordering benadeelde partij [slachtoffer 3] .

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de ouders van verdachte (te weten: [vader] en [moeder] ) mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] , van een bedrag van EUR 275,--, te weten immateriële schadevergoeding.
Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 7 oktober 2024, tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de ouders van verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.
Veroordeelt de ouders van verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.
Wijst de vordering voor het overige af, nu dit deel van de vordering door de ouders van medeverdachte moet worden voldaan.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M.J. Raeijmaekers, voorzitter, tevens kinderrechter,
mr. H.M. Hettinga en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,
in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,
en is uitgesproken op 23 maart 2026.