Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOBR:2026:1840

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
25/2746
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWWet financiering sociale verzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan wekeneis en kwalificatie beëindigingsvergoeding

Eiser werkte als receptiehoofd op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, maar werd op staande voet ontslagen. Na verzet tekenden partijen een vaststellingsovereenkomst waarbij het dienstverband per 30 april 2025 werd beëindigd en eiser een beëindigingsvergoeding ontving. Eiser vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV weigerde deze omdat hij niet aan de wekeneis voldeed en de vergoeding niet als SV-loon kwalificeerde.

De rechtbank oordeelt dat eiser in de referteperiode van 36 weken slechts 17 weken heeft gewerkt, terwijl 26 weken vereist zijn. De niet-gewerkte periode wordt niet toegerekend, ook niet omdat eiser beschikbaar was en wilde werken. De beëindigingsvergoeding is volgens de vaststellingsovereenkomst geen loon, en de werkgever heeft dit bedrag ook niet als SV-loon opgegeven bij de belastingdienst. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit anders is.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de vaststellingsovereenkomst met terugwerkende kracht het dienstverband herstelt. Ook is er geen sprake van strijd met redelijkheid en billijkheid binnen de beoordeling van het recht op WW. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor eiser geen WW-uitkering ontvangt en het griffierecht niet wordt teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering van de WW-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat hij niet voldoet aan de wekeneis en de beëindigingsvergoeding niet als SV-loon kwalificeert.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2746

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. S.H.F. Kerckhoffs),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(gemachtigde: A.G. Lavrijsen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet toekennen van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) omdat eiser niet voldoet aan de zogenaamde referte-eis. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 20 mei 2025 heeft het UWV vastgesteld dat eiser met ingang van 30 april 2025 recht heeft op een WW-uitkering maar dat de uitkering niet zal worden uitbetaald. Het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het UWV ongegrond verklaard met het besluit van 25 augustus 2025 (het bestreden besluit).
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. F.F. Oldenbergs en mr. D. Smildens, beiden kantoorgenoten van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Overwegingen

Inleiding
3. Eiser heeft vanaf 15 april 2024 gewerkt als receptie hoofd bij [naam] B.V. op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met als einddatum 31 juli 2025. Op 13 december 2024 is eiser op staande voet ontslagen. Eiser heeft zich hiertegen verzet. Partijen hebben op 23 april 2025 een vaststellingsovereenkomst getekend waarbij het dienstverband per 30 april 2025 met wederzijds goedvinden is beëindigd. Eiser heeft een WW-uitkering aangevraagd.
Standpunt van het UWV
4. Het UWV heeft in het bestreden besluit het standpunt verlaten dat eiser wel recht heeft op een WW-uitkering maar dat deze WW-uitkering niet zal worden uitbetaald omdat hij verwijtbaar werkloos omdat hij op 13 december 2024 op staande voet is ontslagen door zijn werkgever. Het UWV heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser geen recht heeft op een WW-uitkering omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet. Eiser heeft onvoldoende weken gewerkt.
Standpunt van eiser
5. Volgens eiser is de door de werkgever betaalde vergoeding loon. Op de salarisspecificatie van 26 mei 2025 is dit bedrag opgenomen als SVW-loon en ZVW-loon. Eiser voert aan dat het niet feitelijk verrichten van arbeid in de periode van 13 december 2024 tot 30 april 2025 het gevolg is van het ontslag op staande voet dat later is ingetrokken. Eiser is gedurende deze periode wel beschikbaar geweest voor arbeid en bereid werkzaamheden te verrichten. Dat heeft hij ook meerdere keren aangegeven bij de werkgever. Volgens eiser is het dienstverband met de vaststellingsovereenkomst met terugwerkende kracht hersteld. De vergoeding die is toegekend moet materieel worden beschouwd als compensatie van het misgelopen loon. Door het louter te kwalificeren als ontslagvergoeding en de onderliggende periode van het herstelde dienstverband volledig te negeren voor de wekeneis, handelt het UWV in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Eiser vindt dat hij door een fout van de werkgever tweemaal wordt gestraft; eerst door de onterechte schorsing/ontslag en vervolgens door het weigeren van een WW-uitkering op formele gronden.

Beoordeling door de rechtbank

Kennelijke verschrijving
6. Allereerst overweegt de rechtbank dat in het bestreden besluit sprake is van een kennelijke verschrijving, omdat de zin “
Hetgeen u in bezwaar geeft aanleiding om over te gaan tot het toekennen van een WW-uitkering per 30 april 2025.” had moeten luiden: “
Hetgeen u in bezwaar aanvoert, geeft geen aanleiding om over te gaan tot het toekennen van een WW-uitkering per 30 april 2025.” Dat het hier gaat om een taalkundige en inhoudelijke kennelijke misslag blijkt uit wat er in het onderdeel “Beslissing op bezwaar” is opgenomen: “
Wij verklaren uw bezwaar ongegrond met dien verstande dat wij de grondslag voor de bestreden beslissing wijzigen. Wij zijn tot de conclusie gekomen dat u geen recht heeft op een WW-uitkering nu u niet aan de voorwaarden voldoet. Wij leggen dit onder het kopje ‘heroverweging’ aan u uit.”De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan rechtsgevolgen te verbinden, nu eiser door de verschrijving niet in zijn belangen is geraakt.
6.1.
Ter beoordeling van de rechtbank ligt voor of eiser aan de voorwaarden heeft voldaan om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering, meer in het bijzonder of 1) de overeengekomen beëindigingsvergoeding moet worden aangemerkt als sv-loon en 2) hoe in dit geval met de wekeneis moet worden omgegaan. De rechtbank komt tot het oordeel dat niet aan de voorwaarden is voldaan en motiveert dat als volgt.
Wekeneis
7. Tussen partijen is niet in geschil dat de referteperiode loopt van 19 augustus 2024 tot 30 april 2025 en dat dat de eerste werkloosheidsdag 25 april 2025 is. Ook is tussen partijen niet in geschil dat eiser in de periode van 13 december 2024 tot en met 30 april 2025 geen werkzaamheden heeft verricht voor de werkgever. Om een WW-uitkering te kunnen krijgen moet eiser in de 36 weken voor zijn werkloosheid gedurende 26 weken hebben gewerkt. De periode van 36 weken loopt in het geval van eiser van 19 augustus 2024 tot 30 april 2025. Eiser heeft in deze periode 17 weken gewerkt.
7.1.
Eiser heeft aangevoerd dat het feit dat hij niet heeft gewerkt in de periode van 13 december 2024 tot en met 30 april 2025 is te wijten aan het handelen van de werkgever en dat dit niet in de weg moet staan aan een WW-uitkering. Als dit er wel aan in de weg staat dat alsdan sprake is van strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, omdat eiser wilde werken en dat ook heeft aangeboden. De rechtbank volgt eiser niet in deze stellingen. Voor zover eiser vindt dat de werkgever met zijn handelswijze onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, dient hij zich te wenden tot de werkgever. Van strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid is binnen het kader van de beoordeling of eiser in aanmerking komt voor een WW-uitkering, voor zover daar al aan kan worden getoetst, geen sprake. Voor zover eiser heeft bedoeld te stellen dat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel, ziet de rechtbank evenmin aanknopingspunten in het dossier. De beroepsgrond slaagt niet.
Moet de beëindigingsvergoeding als loon worden aangemerkt?
8. Eiser (de werknemer) heeft met zijn werkgever een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij is overeengekomen dat de werkgever een bedrag van € 20.000 aan eiser betaalt. Verder is overeengekomen dat de werkgever het netto-equivalent van dit bedrag (na verplichte inhouding door de werkgever) uiterlijk 25 mei 2025 overmaakt aan de werknemer (artikel 2.1). De werknemer doet uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk afstand van enig recht op loon, vakantiegeld, bonussen, onkostenvergoeding of enig andere financiële aanspraak jegens werkgever met ingang van 13 december 2024. De werknemer erkent dat hem vanaf deze datum geen (rest)loonvordering of andere arbeidsrechtelijke aanspraak meer toekomt (artikel 2.2). Verder is bepaald dat voor het geval UWV werknemer een WW, WIA of IVA uitkering geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend mocht weigeren, werkgever niet verplicht is tot enige aanvulling of aanpassing van de met werknemer gemaakte afspraken (2.5). Onder deze voorwaarden is op 23 april 2025 een einde gekomen aan de arbeidsovereenkomst per 30 april 2025.
8.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de beëindigingsvergoeding moet worden gekwalificeerd als sv-loon. Integendeel, in de vaststellingsovereenkomst is dit door partijen juist gekwalificeerd als ‘beëindigingsvergoeding’ (artikel 2.1) en heeft eiser juist afgezien van enig recht op loon (artikel 2.2). Dat artikel 2.2 is opgenomen om te voorkomen dat eiser naast de beëindigingsvergoeding, die volgens hem is gebaseerd op het maandelijkse loon over de betrokken periode, ook nog loon over die periode ontvangt, vindt de rechtbank niet aannemelijk, omdat dit niet blijkt uit de tekst van de vaststellingsovereenkomst. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking, dat de werkgever het bedrag van € 20.000 niet heeft opgegeven als sv-loon bij de belastingdienst, zodat dit ook een aanwijzing vormt dat in de visie van de werkgever dit bedrag niet heeft te gelden als sv-loon. Voor zover eiser ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst uitdrukkelijk voor ogen had om (sv-)loon te ontvangen, had eiser dat duidelijk moeten opnemen in de vaststellingsovereenkomst. Dat de rechtbank dit niet uit de vaststellingsovereenkomst haalt, komt voor zijn rekening en risico, te meer omdat uit artikel 3.1 volgt dat zowel eiser als zijn werkgever voor ondertekening van de vaststellingsovereenkomst een jurist hebben geraadpleegd voor controle van het proces en eventuele gevolgen die uit de overeenkomst voortvloeien. Bovendien had eiser volgens artikel 2.6 van de vaststellingsovereenkomst nog veertien dagen de tijd om zonder opgave van redenen alsnog af te zien van de vaststellingsovereenkomst door deze te ontbinden. Eiser heeft daarvan geen gebruik gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser twijfel gezaaid over het sv-loon?
9. De polisadministratie wordt gevuld op grond van de opgave van de werkgever aan de belastingdienst. Het uitbetaalde bedrag is door de werkgever aan de belastingdienst niet opgegeven als sv-loon. In de polisadministratie is de kolom sv-loon niet gevuld. Ook is aangegeven dat er geen sprake is van verzekering voor de werknemersverzekeringen WIA/WW/ZW. Vaststaat dat het uitbetaalde bedrag in de polisadministratie niet is opgenomen als loon.
9.1.
Omdat het om een aanvraagsituatie gaat is het aan eiser om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor toekenning van een WW-uitkering. Dit betekent dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij heeft voldaan aan de voorwaarde voor het recht op WW-uitkering, zoals genoemd in artikel 17, eerste lid, van de WW. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep mag het UWV in beginsel uitgaan van de juistheid van de gegevens uit de polisadministratie tenzij eiser heeft aangetoond dat deze gegevens onjuist zijn.
9.2.. De door eiser ingestuurde salarisspecificatie van mei 2025 biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de gegevens zoals die zijn opgenomen in de polisadministratie niet juist zijn. Uit deze specificatie blijkt niet dat de overeengekomen vergoeding moet worden gezien als sv-loon in de zin van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) voor de periode van 13 december 2024 tot 30 april 2025.
9.3.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het UWV terecht is uitgegaan van de gegevens in de polisadministratie, waarin het bedrag van € 20.000 bruto staat vermeld als ‘loon loonbelasting/premie volksverzekeringen’ in mei 2025 en niet als sv-loon. Bij deze conclusie betrekt de rechtbank ook wat zij in rechtsoverweging 8.1. heeft geschreven.
9.4.
Het UWV heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarden voor het ontstaan van het recht op WW-uitkering, zoals genoemd in artikel 17, eerste lid, van de WW. Hieruit volgt dat het UWV eiser terecht een WW-uitkering heeft geweigerd.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.