De rechtbank Oost-Brabant behandelde op 19 maart 2026 een zaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een bewusteloze of verminderd weerbare persoon in de periode juni 2022 tot januari 2023. Het slachtoffer verklaarde dat verdachte haar seksueel had misbruikt, maar verdachte ontkende dit ten stelligste.
De rechtbank oordeelde dat de verklaring van het slachtoffer niet voldoende steun vond in ander bewijsmateriaal, zoals verklaringen van de aangever, de broer van verdachte en een zorgcoördinator. Deze verklaringen waren onvoldoende concreet, afkomstig uit dezelfde bron of niet direct gerelateerd aan het ten laste gelegde feit. Hierdoor was het bewijs niet wettig en overtuigend.
Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv, dat vereist dat een verklaring van één getuige steun moet vinden in ander bewijs, sprak de rechtbank verdachte vrij. Tevens verklaarde de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de strafzaak niet tot een bewezenverklaring leidde. De benadeelde partij werd veroordeeld in de proceskosten.