ECLI:NL:RBOBR:2026:178

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
01-029399-25
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verkeersongeval met lichamelijk letsel door onvoorzichtig rijgedrag onder invloed van alcohol

Op 19 januari 2026 heeft de Rechtbank Oost-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval. De verdachte, die onder invloed van alcohol verkeerde, heeft op 18 februari 2024 in Veghel een verkeersongeval veroorzaakt door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden. Het ongeval vond plaats op de Rembrandtlaan, waar de verdachte niet de nodige aandacht voor het verkeer had en in botsing kwam met een tegemoetkomende auto. Het slachtoffer, de bestuurder van de andere auto, liep lichamelijk letsel op, maar de rechtbank oordeelde dat dit letsel niet als zwaar lichamelijk letsel kon worden gekwalificeerd. De rechtbank legde de verdachte een taakstraf op van 160 uur, subsidiair 80 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor 9 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De uitspraak volgde op een zitting waar de verdachte een bekennende verklaring had afgelegd en de officier van justitie en de verdediging zich over de feiten en de strafmaat hadden uitgelaten. De rechtbank oordeelde dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gehandeld, maar zag geen aanleiding voor een hogere gradatie van schuld.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.029399.25
Datum uitspraak: 19 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1961] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 december 2025.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1 primair:
zij op of omstreeks 18 februari 2024 te Veghel, gemeente Meierijstad, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Rembrandtlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,
-onder invloed van en/of na gebruik van alcoholhoudende drank,
-rijdend in de richting van het kruispunt met de Dr. Schaepmanlaan en/of het Stadhuisplein,
-niet de nodige aandacht te hebben en/of te houden voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of (vervolgens)
-gekomen ter hoogte van een aldaar gelegen fysieke rijbaanscheiding, ter plaatse waar in aanvang van deze rijbaanscheiding, bord D2 (inhoudende een gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft) geplaatst was, geen gevolg heeft gegeven aan dit gebod en/of in strijd met dit gebod dit bord aan de linkerzijde voorbij is gegaan, en/of in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zoveel mogelijk rechts heeft gereden, en/of (vervolgens)
-over een doorgetrokken rijbaanmarkering is gereden en/of (vervolgens)
-over de groenbuffer/groenstrook is gereden en/of (vervolgens)
-met het door haar bestuurde motorrijtuig naar de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gereden, althans (gedeeltelijk) op deze weghelft terecht is gekomen, en/of (vervolgens)
-(gedeeltelijk) rijdend op die voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijbaan van die weg, is gebotst tegen en/of in aanrijding gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer rijdende, althans zich bevindende, personenauto,
waardoor een ander (bestuurder van die laatst genoemde personenauto, genaamd [slachtoffer] )) zwaar lichamelijk letsel, te weten perceptief gehoorverlies en/of heftige tinnitusklachten, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, zevende of negende lid van genoemde wet;
feit 1 subsidiair:
zij op of omstreeks 18 februari 2024 te Veghel, gemeente Meierijstad als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, Rembrandtlaan, rijdend in de richting van het kruispunt met de Dr. Schaepmanlaan en/of het Stadhuisplein,
-niet de nodige aandacht heeft gehad en/of gehouden voor het verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse en/of (vervolgens)
-gekomen ter hoogte van een aldaar gelegen fysieke rijbaanscheiding, ter plaatse waar in aanvang van een fysieke rijbaanscheiding, bord D2 (inhoudende een gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft) geplaatst was, geen gevolg heeft gegeven aan dit gebod en/of in strijd met dit gebod dit bord aan de linkerzijde voorbij is gegaan, en/of in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zoveel mogelijk rechts heeft gereden, en/of (vervolgens)
-over een doorgetrokken rijbaanmarkering is gereden en/of (vervolgens)
-over de groenbuffer/groenstrook is gereden en/of (vervolgens)
-met de door haar bestuurde personenauto, naar de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gereden, althans op deze weghelft terecht is gekomen, en/of (vervolgens)
-(gedeeltelijk) rijdend op die voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijbaan van die weg, is gebotst tegen en/of in aanrijding gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer rijdende, althans zich bevindende, personenauto,
door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;
feit 2:
zij op of omstreeks 18 februari 2024 te Veghel, gemeente Meierijstad, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,75 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen geacht, met dien verstande dat het rijgedrag van de verdachte, naar de rechtbank begrijpt, zeer onvoorzichtig en onoplettend was. De officier van justitie heeft gevorderd om de verdachte vrij te spreken van het gevolg van zwaar lichamelijk letsel omdat hij het causale verband tussen dat letsel van het slachtoffer en het handelen van de verdachte niet bewezen acht.
De officier van justitie heeft tevens feit 2 wettig en overtuigend bewezen geacht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouw van de verdachte heeft ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde bepleit dat er geen sprake is van zeer onvoorzichtig rijgedrag en heeft zich voorts gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de bewezenverklaring van de schuldcategorie aanmerkelijk onvoorzichtig/onoplettend rijgedrag.
Evenals de officier van justitie heeft de verdediging vrijspraak bepleit van het zwaar lichamelijk letsel wegens het ontbreken van causaal verband.
De verdediging heeft zich daarnaast gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft bewezenverklaring van feit 2.
Het oordeel van de rechtbank. [1]
De rechtbank volstaat ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank heeft daarbij gelet op de inhoud van de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting, alsmede op de procespositie van de verdediging. Door de verdachte is een bekennende verklaring afgelegd en de bewezenverklaring en de bewijsvoering zijn niet door de verdediging bestreden.
  • Het proces-verbaal terechtzitting, inhoudende de verklaring van verdachte, afgelegd op de zitting van 5 januari 2026;
  • Een proces-verbaal aanrijding misdrijf van 10 januari 2025, opgemaakt en digitaal ondertekend door [verbalisant 1] , pag. 6-10;
  • Een proces-verbaal rijden onder invloed van 18 februari 2024, opgemaakt en digitaal ondertekend door [verbalisant 2] , pag. 13-15;
  • Een proces-verbaal FO verkeer van 8 maart 2024, opgemaakt en ondertekend door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , pag. 17-33;
  • Een schriftelijk bescheid, zijnde medische informatie over [slachtoffer] van de Huisartsenpraktijk Gasthuis van 18 en 19 februari 2024;
  • Een schriftelijk bescheid, zijnde een rapport Alcohol in het verkeer van 18 maart 2024, opgesteld en ondertekend door T.M. Bosch, pag. 44-45.
Het verkeersongeval.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte als bestuurder van een personenauto op 18 februari 2024 omstreeks 19.16 uur te vroeg een voorsorteermanoeuvre uitvoerde op de Rembrandtlaan in Veghel en over de daar ter plaatse gelegen doorgetrokken rijbaanmarkering en groenbuffer reed, waarna zij met de rechterzijde van haar auto in aanraking kwam met een verkeersbord waarop een pijl naar rechts stond en waarna zij vervolgens links van dat bord op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer terechtkwam. Vanuit de tegenovergestelde richting kwam [slachtoffer] , als bestuurder van een personenauto, aanrijden. Beide auto’s kwamen met elkaar in botsing, frontaal met 1/3 overlap. De verdachte bleek na een uitgevoerde bloedproef onder invloed van alcohol te zijn.
De vraag die door de rechtbank moet worden beantwoord is of het ongeval in strafrechtelijke zin aan de schuld van de verdachte te wijten is en of er bij het slachtoffer in juridische zin sprake is van zwaar lichamelijk letsel als gevolg van die aanrijding.
Beoordelingskader schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).
Op grond van vaste jurisprudentie gaat het bij de vaststelling of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW om het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van deze gedragingen en de overige omstandigheden van het geval. Vastgesteld dient te worden of de verdachte verwijtbaar heeft gehandeld. Het komt er daarbij op aan of de verdachte tekortschoot in vergelijking met een gemiddelde andere persoon in vergelijkbare omstandigheden en met een vergelijkbare hoedanigheid. Niet ieder tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van schuld. Maar van iedere verkeersdeelnemer mag in ieder geval worden verwacht dat hij zijn gedrag afstemt op de concrete verkeerssituatie en op andere, voor hem waarneembare of te verwachten verkeersdeelnemers.
Overwegingen rechtbank
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van verwijtbaar handelen en als welke mate van schuld dit handelen vervolgens moet worden gekwalificeerd, heeft de rechtbank de volgende omstandigheden meegewogen.
Uit de bloedproef van de verdachte bleek dat zij na het ongeval een bloedalcoholgehalte had van 0,75 promille, gelijk te stellen aan ongeveer 330 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht. De algemene kans op een ongeval is na gebruik van alcoholhoudende drank verhoogd ten opzichte van bestuurders die geen alcohol hebben gebruikt. Zo vernauwt en vertraagt de waarneming van de bestuurder zich, het vermogen om afstanden in te schatten vermindert, de reactiesnelheid vertraagt en het blikveld versmalt.
De verdachte heeft er niettemin voor gekozen de weg op te gaan.
Vervolgens naderde verdachte een kruispunt en dan is extra oplettendheid geboden met het oog op medeweggebruikers die gaan voorsorteren voor een stoplicht en extra oplettendheid was ook geboden omdat het donker was en het regende. Verdachte dient als bestuurder van een groot voertuig te allen tijde met deze omstandigheden rekening te houden en te anticiperen op situaties die kunnen ontstaan of veranderen. Verhoogde aandacht en een doorlopende blik op de weg is dan vereist. Verdachte is echter toen zij het kruispunt naderde – nog voor de verbrede rijbaanscheiding met daarna de voorsorteervakken – op de weghelft van het tegenovergestelde verkeer terecht gekomen.
Verdachte heeft hierover verklaard dat zij vanaf het moment dat zij naar links ging en van rijbaan wisselde, in de veronderstelling was dat zij ging voorsorteren voor het stoplicht om linksaf te slaan. Zij kan niet uitleggen hoe het kan dat zij op een verkeerde weghelft terecht is gekomen, daarop is doorgereden en zo een frontale botsing heeft kunnen veroorzaken.
Uit dit handelen van verdachte leidt de rechtbank af dat zij onvoldoende alert was en op dat moment niet voldoende heeft opgelet waar zij zich met haar auto op de weg bevond. Verdachte is immers ver voor de verbrede rijbaanscheiding, en daarmee ook ver voor de voorsorteervakken, van rijbaan gewisseld. Hierbij is verdachte niet slechts één rijbaan opzij gereden, maar is zij vervolgens ook door een doorgetrokken rijbaanmarkering gereden en heeft zij ook geen acht geslagen op het gebodsbord dat aangaf dat zij dat bord aan de rechterzijde voorbij moest rijden.
Hiermee heeft verdachte verwijtbaar verkeersgedrag laten zien wat heeft geresulteerd in een frontale botsing met een andere weggebruiker. Het was weliswaar een kort moment waarop verdachte niet heeft opgelet, maar zij heeft zichzelf in die positie gebracht door alcohol te nuttigen, niet goed op te letten en door (vervolgens) niet tijdig een aanrijding te (kunnen) voorkomen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld. Voor een hogere gradatie van schuld ziet de rechtbank bij deze stand van zaken geen aanleiding.
Letsel
Hoewel de rechtbank aanneemt dat de gevolgen van het ongeval voor het slachtoffer groot zijn geweest, ligt de drempel om in juridische zin te kunnen spreken van zwaar lichamelijk letsel hoog. Bij de beoordeling of juridisch gezien sprake is van zwaar lichamelijk letsel zijn de ernst, de noodzaak en aard van (eventueel) medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel gezichtspunten die van belang zijn. Daarnaast dient causaliteit te bestaan tussen het verkeersongeval en het (zwaar) lichamelijke letsel van het slachtoffer.
Op basis van de geneeskundige verklaring in het dossier kan vastgesteld worden dat het slachtoffer letsel aan het ongeluk heeft overgehouden, waaronder kneuzingen in het middenrif, 5 zwaar gekneusde ribben, letsel aan zijn neus, arm uit de kom, blauwe knie, kapot slakkenhuis en problemen aan het zenuwstelsel.
De rechtbank is van oordeel dat voormeld letsel van het slachtoffer, dat hij als gevolg van het verkeersongeval heeft opgelopen, niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel, maar dat het slachtoffer ten gevolge van het ongeval zodanig letsel heeft opgelopen dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de normale uitoefening van de bezigheden is ontstaan.
Immers volgt uit het dossier dat het slachtoffer een half jaar na het ongeval, in augustus 2024, last heeft gekregen van heftige tinnitusklachten en gehoorklachten en een polikliniek KNO heeft bezocht. Hierover heeft het Medisch Adviesbureau 1MA op 27 januari 2025 een rapport opgemaakt, waarvan de rechtbank kennis heeft genomen. Daarin is onder meer over de gehoorproblematiek van het slachtoffer gerapporteerd, dat de klachten “ook een niet-traumatische aard kunnen hebben” en dat sprake was van “enige pre-existentie van de gehoorproblematiek”. Daarom lijkt het de medisch adviseur van 1MA verstandig om een onafhankelijke expertise door een KNO-arts uit te laten voeren, opdat meer zorgvuldige uitspraken kunnen worden gedaan over het causale verband, de blijvende beperkingen, blijvende invaliditeit en toekomstrisico's.
De rechtbank stelt vast dat een dergelijke onafhankelijke expertise zich niet in het strafdossier bevindt. Bij deze stand van zaken acht de rechtbank, evenals de officier van justitie en de raadsvrouw, niet wettig en overtuigend bewezen dat de tinnitus- en gehoorklachten in causaal verband staan tot het verkeersongeval, veroorzaakt door de verdachte.
De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte
op 18 februari 2024 te Veghel, gemeente Meierijstad, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Rembrandtlaan, zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend,
-onder invloed van alcoholhoudende drank,
-rijdend in de richting van het kruispunt met de Dr. Schaepmanlaan en/of het Stadhuisplein,
-niet de nodige aandacht te hebben en te houden voor het verkeer en de verkeerssituatie ter plaatse en vervolgens
-gekomen ter hoogte van een aldaar gelegen fysieke rijbaanscheiding, ter plaatse waar in aanvang van deze rijbaanscheiding, bord D2 (inhoudende een gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft) geplaatst was, geen gevolg heeft gegeven aan dit gebod en in strijd met dit gebod dit bord aan de linkerzijde voorbij is gegaan, en in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, niet zoveel mogelijk rechts heeft gereden en vervolgens
-over een doorgetrokken rijbaanmarkering is gereden en vervolgens
-over de groenbuffer/groenstrook is gereden en vervolgens
-met het door haar bestuurde motorrijtuig naar de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer is gereden en vervolgens
-(gedeeltelijk) rijdend op die voor het tegemoetkomende verkeer bestemde rijbaan van die weg, is gebotst tegen een op die voor het tegemoetkomend verkeer rijdende personenauto,
waardoor een ander (bestuurder van die laatst genoemde personenauto, genaamd [slachtoffer] )) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl zij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;
feit 2
op 18 februari 2024 te Veghel, gemeente Meierijstad, als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in haar bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,75 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en bijkomende straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een taakstraf van 160 uur, subsidiair 80 dagen hechtenis en een onvoorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 9 maanden.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke rijontzegging op te leggen.
De eerste reden is dat de verdachte haar rijbewijs nodig heeft om haar beroep als zelfstandige in de paardenhandel en paardenafrichting te kunnen uitoefenen. Een onvoorwaardelijke rijontzegging betekent voor haar maandenlang geen inkomsten.
De tweede reden hiervoor is het geruime tijdsverloop sinds het plegen van de feiten en de omstandigheid dat de verdachte in de tussentijd geen verkeersfeiten meer heeft gepleegd.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf en de bijkomende straf die aan de verdachte dienen te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt dat aan aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag te wijten is. Door haar gedrag in het verkeer heeft zij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht en haar verantwoordelijkheid als verkeersdeelnemer veronachtzaamd. De verdachte is onder invloed van alcohol met de auto te vroeg naar links afgeslagen en is over de doorgetrokken rijbaanmarkering met groenbuffer op de rijbaan van tegemoetkomend verkeer terechtgekomen en op een tegenligger gebotst. De tegenligger heeft hierdoor lichamelijk letsel opgelopen. Dat de gebeurtenis zeer ingrijpend is (geweest) en gevolgen voor hem heeft gehad, blijkt uit het dossier.
Samenloop van de feiten
De rechtbank neemt voor wat betreft het bewezenverklaarde – het veroorzaken van een ongeval en het rijden onder invloed – eendaadse samenloop aan als bedoeld in artikel 55, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het bewezenverklaarde levert een zodanig samenhangend en op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex op dat de verdachte daarvan in wezen één verwijt wordt gemaakt, terwijl de strekking van de desbetreffende strafbepalingen – bescherming van de verkeersveiligheid – overeenkomt.
De op te leggen straf en bijkomende straf
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank verder aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Deze oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Daarin wordt gedifferentieerd naar de mate van schuld, de gevolgen voor het slachtoffer en de vraag of, en zo ja, in welke mate er sprake is van alcoholgebruik. Het onvoorzichtig en onoplettend rijden door de verdachte wordt gezien als aanmerkelijke schuld. Bij deze mate van schuld aan een ongeval met lichamelijk letsel/tijdelijke ziekte en waarbij sprake was van alcoholgebruik minder dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed wordt als uitgangspunt een taakstraf van 120 uur en een onvoorwaardelijke rijontzegging van 9 maanden gehanteerd (feit 1 primair).
De rechtbank ziet echter aanleiding om in dit concrete geval af te wijken van de oriëntatiepunten. De rechtbank houdt rekening met de noodzaak van het behoud van het rijbewijs voor de verdachte in verband met de uitoefening van haar werk. Daarom zal de rechtbank, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, de rijontzegging geheel voorwaardelijk opleggen. Gelet op de ernst van de feiten en de keuze voor een voorwaardelijke rijontzegging, acht de rechtbank een hogere taakstraf dan 120 uur passend en geboden en zal zij een taakstraf van 160 uur opleggen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:
9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 van het Wetboek van Strafrecht;
6, 8, 175, 176, 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 primair en feit 2: eendaadse samenloop van
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet;
en
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994 (0,75 milligram).
verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
legt op de volgende straf en bijkomende straf:
 een
taakstrafvoor de duur van
160 urensubsidiair 80 dagen hechtenis;
 een
ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van
9 maandenvoorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.M. Vermeulen, voorzitter,
mr. S.J.H. van de Kant en mr. S. Zuithoff, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. van der Sluijs, griffier,
en is uitgesproken op 19 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oosrt-Brabant, genummerd PL2100-2024259734, in de wettelijke vorm opgemaakt en gesloten op 8 januari 2025, aantal doorgenummerde pagina’s: 50.