ECLI:NL:RBOBR:2026:1772

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
C/01/410570 / HA ZA 24-719
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 2:10 BWArt. 2:248 BWArt. 2:394 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid bestuurder wegens onbehoorlijk bestuur en faillissement van vennootschap

De curator van het faillissement van [A] B.V. vordert dat de bestuurder, [gedaagde], aansprakelijk wordt gesteld voor het tekort in het faillissement wegens onbehoorlijk bestuur. De bestuurder had onder meer onrechtmatige onttrekkingen gedaan, waaronder € 620.000,00 aan intellectuele eigendomsrechten en € 166.988,04 privé-opnames, terwijl de vennootschap dringend liquide middelen nodig had. Daarnaast was er sprake van gebrekkige administratie en niet tijdige openbaarmaking van jaarrekeningen.

De rechtbank stelt vast dat de bestuurder geen zakelijk verantwoorde onderbouwing gaf voor de betalingen aan [G] B.V. en onvoldoende bewijs leverde voor de verrekening van privé-opnames met vermeende vorderingen. Ook was het businessplan niet cijfermatig onderbouwd en werden investeerders onjuist geïnformeerd, wat de financiële positie van de vennootschap verslechterde.

De rechtbank oordeelt dat de bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld in de drie jaar voorafgaand aan het faillissement, wat een belangrijke oorzaak was van het faillissement. De curator wordt toegewezen in zijn vorderingen tot betaling van het tekort, een voorschot, beslagkosten en proceskosten. De vorderingen van de bestuurder in reconventie worden afgewezen, waaronder de opheffing van conservatoir beslag en schadevergoeding.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de bestuurder is veroordeeld tot betaling van in totaal ruim € 786.988,04 plus rente en kosten.

Uitkomst: Bestuurder wordt aansprakelijk gesteld voor onbehoorlijk bestuur en veroordeeld tot betaling van het tekort in het faillissement, voorschot, beslagkosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Oost-Brabant

Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/410570 / HA ZA 24-719
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
mr. MAARTEN JOHAN WILLEM VAN INGEN,
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [A] B.V.,
te ’s-Hertogenbosch,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. I.A. Reinke,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.W. Weehuizen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de akte overlegging producties van de curator
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de nadere producties met de gedeponeerde mappen van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 18 december 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] had het plan om in Nederland volledig gerecycled - 'circulair' - textiel te gaan produceren. Om dit te realiseren zocht [gedaagde] investeerders. Hij heeft een ondernemingsplan geschreven, dat begin 2020 is samengevat in een presentatie bestemd voor RVO, BOM, ABN AMRO, Rabobank en ING. Het plan werd toen uitgedragen door [B] B.V., waarvan [C] , dochter van [gedaagde] , enig aandeelhouder en enig bestuurder was.
2.2.
Bij het zoeken naar financiering voor zijn ondernemingsplan was [gedaagde] in contact gekomen met [D] (hierna: [D] ), die toen nog werkzaam was bij PwC en die bezig was met de oprichting van Hannibal Europe B.V. (hierna: Hannibal). [D] heeft [gedaagde] in contact gebracht met twee medewerkers van Hannibal, [E] en [F] (hierna: [E] en [F] ), die met [gedaagde] gingen samenwerken om de financiering rond te krijgen.
2.3.
Op 10 mei 2020 heeft Hannibal drie aanbiedingen gedaan aan [gedaagde] voor de financiering van zijn ondernemingsplan. Het eerste aanbod luidde als volgt:
“1. Obligatie
investeerders kunnen participeren vanaf € 10.000,-
Totaal op te halen bedrag ca € 3.500.000,-
termijn 3-6 maanden, binnenkomst eerste bedragen na 2 maanden
* rente die investeerders ontvangen is ca 10%
* looptijd is 2 jaar
* na 2 jaar gaan we de obligatie herfinancieren
* extra obligatie gedurende de looptijd uitgeven voor extra funding is mogelijk
* beloning Hannibal is 12%
* 2 mensen van Hannibal komen voor de periode van 6 maanden voor € 3.000 bruto p.p. op de loonlijst van [A] (…)
In zowel 1. 2. en 3. worden de partners van Hannibal voor 10% medeeigenaar van [A] ”
2.4.
In zijn e-mail van 9 juni 2020 heeft [E] aan [gedaagde] geschreven:
“Zoals besproken hebben [D] en ik nog nagedacht over je R&D kosten uit het verleden. Helaas vindt ik het bedrag dat [D] eerder heeft gecommuniceerd te hoog. Dus het wordt geen
€ 750.000
Wij willen het beschrijven in het I.M. als afschrijvingen R&D en geven per jaar een bedrag aan van € 124.000 Dus een totaal van € 620.000 Dat bedrag kun je per jaar, maar ook in 1 keer opnemen, gezien je beroerde lening met je aardappelboer.”
2.5.
[A] B.V. (hierna: [A] ) is op 9 juni 2020 opgericht door [gedaagde] , die enig statutair bestuurder is.
2.6.
[A] heeft op 16 juni 2020 een overeenkomst gesloten met [G] B.V. (hierna: [G] ), waarvan [gedaagde] sinds 2004 enig aandeelhouder en enig bestuurder is. In deze overeenkomst is onder meer vermeld:
- dat [G] / [gedaagde] zich in de periode 2012-2016 heeft beziggehouden met het ontwikkelen van een circulair garen;
- dat [G] / [gedaagde] toestemming verlenen aan [A] om deze methodiek,
met ondersteuning van [G] / [gedaagde] toe te gaan passen;
- dat de IP-rechten en R&D “intelligentsia” bij [G] / [gedaagde] blijven en
- dat voor het toekomstige gebruik van deze methodiek in samenspraak met PWC en Hannibal is overeengekomen dat [G] hiervoor een bedrag van € 620.000,00 in rekening mag brengen.
2.7.
In het Informatie Memorandum van 19 augustus 2020, dat [A] voor mogelijke investeerders heeft opgesteld is onder meer vermeld:
“Deze Emissie is een initiatief van [A] B.V., de Participaties worden uitgegeven voor de versterking van het werkkapitaal van de Vennootschap.
Totale Emissie:€ 3.400.000 (…)
Aantal Participaties:340 Participaties van € 10.000 per stuk
Emissiekosten:Geen
Looptijd:verwacht 3-5 jaren
Rendement:geprognostiseerd 35,6% gemiddeld per jaar (inclusief verkooprendement) bij looptijd van 5 jaar (…)
Er worden 340 Participaties van € 10.000 nominaal per stuk uitgegeven aan de Beleggers. Een Participatie bestaat uit één Obligatie en één Certificaat op aandelen [A] B.V. De Obligaties hebben en looptijd van 3 jaren en worden uitgegeven in 4 series:
Serie D bij een investering van € 10.000 - € 50.000 : 6 % rente;
Serie C bij een investering van € 60.000 - € 100.000 : 6,25% rente;
Serie B bij een investering van € 110.000 - € 250.000: 6,5% rente;
Serie A bij een investering vanaf € 260.000 : 7% rente.
Zuiver om een goede prognose hebben we een denkbeeldig scenario waarbij de obligaties 5 jaar lopen. In werkelijkheid lopen de obligaties 3 jaar.”
Op pagina 27 van het informatiememorandum staan als ‘Kosten Consultancy en R&D’ de volgende gegevens vermeld:
2021 2022 2023 2024 2025
€ 244.000 € 244.000 € 174.000 € 174.000 € 174.000
2.8.
[E] heeft de notaris opgedragen om 14,52 % van de binnengekomen financiering direct naar Hannibal over te maken en de overige 85,48 % over te maken naar de bankrekening van [B] B.V.
2.9.
Op 15 oktober 2020 zijn in totaal 340 obligaties uitgegeven met een waarde van
€ 10.000,00 per stuk. Zo is € 3,4 miljoen aan investeringen in de onderneming ontvangen. Dit was de eerste financieringsronde.
2.10.
Op 14 januari 2021 heeft [E] namens Hannibal aan [gedaagde] geschreven:
“Zoals besproken is het mogelijk binnen bestaande faciliteit (IM+ documenten) dat wij een extra bedrag ophalen van 1,59 miljoen euro. Na augustus 2021 zouden we in theorie nog bijna 5 miljoen extra kunnen ophalen.
Je weet dat onze standaardcommissie 25% is (plus aan % in aandelen). Het is voor ons mogelijk, maar dan heb ik straks gecalculeerd, om zonder extra aandelen voor 22% commissie het extra geld op te halen. [F] en ik moeten dan wel tm juli onder dezelfde condities in dienst blijven.”
2.11.
[gedaagde] heeft bij e-mail van 26 januari 2021 aan [E] en [D] als volgt gereageerd:
“We hebben gesproken over het plaatsen van extra obligaties. Uit je mail lees ik dat je hiervoor een ander tarief moet hanteren omdat het anders niet past binnen jullie verdienmodel. Dat is duidelijk. Helaas sluit dit niet aan bij onze verwachtingen en begroting. Voor nu parkeren we de tweede ronde, zoals eerder gemaild.
We zijn in gesprek met twee private investors die mogelijk bereid zijn om achtergesteld kapitaal te verstrekken. (…) De lopende afspraken staan wat ons betreft niet ter discussie.”
2.12.
Op 1 november 2021 heeft [gedaagde] Stichting Administratiekantoor [A] opgericht (hierna: de STAK). Enig bestuurder van de STAK is op dat moment [gedaagde] . De STAK verwierf tussen 29 december 2021 en 31 maart 2022 in totaal 300 aandelen. Eind 2021 en begin 2022 verwierven de investeerders uit de eerste en tweede financieringsronde (2.9 hiervoor en 2.13 hierna) certificaten van aandelen (hierna: de certificaathouders).
2.13.
In januari 2022 heeft [A] de bestaande obligatienemers benaderd met de mededeling dat er voor het afbouwen van de productielijn nog een aantal machines nodig was. [A] schrijft in een e-mail dat zij deze ‘Fase II’ wil financieren door middel van een achtergestelde lening. In de meegestuurde bijlage staat een shortlist van opdrachtgevers. Bij de naam van acht opdrachtgevers is vermeld dat sprake is van een order. Door middel van het sluiten van geldleningovereenkomsten heeft [A] een bedrag van
€ 1.235.000,00 binnengehaald. Dit was de tweede financieringsronde.
2.14.
Op 16 november 2022 is er brand uitgebroken in de bedrijfsruimte in [plaats] die [A] huurde voor het productieproces. Daardoor zijn een machine van € 100.000,00 en de volledige voorraad tenietgegaan en was er aanzienlijke roetschade aan het pand.
2.15.
Op 12 januari 2023 heeft [gedaagde] in privé een bedrag van € 166.988,04 van de bankrekening van [A] opgenomen.
2.16.
Een klant, genaamd [H] , heeft bij e-mail van 21 maart 2023 aan [A] meegedeeld:
“Bij deze de formele terugkoppeling n.a.v. het T-Mobile Polo project. De klant heeft het project on hold gezet. Ze zijn niet blij met de laatste samples deze hadden spot on moeten zijn echter waren deze ver van in orde (…) Gezien de beoogde deadline was dit een te groot risico. Hier hebben ze nu een alternatief voor ingezet. Om die reden wordt het project tijdelijk in de koelkast gezet en op een later moment opgepakt door de klant. (…) Eerlijkheidshalve voldoet de kwaliteit van de polo niet aan het niveau waarop [H] producten produceert.”
2.17.
[A] stuurde op 6 juni 2023 aan haar investeerders een e-mail over een derde investeringsronde. In het meegestuurde Informatie Memorandum van april 2023 is onder meer opgenomen:
“Samen met partner [H] leverde [A] poloshirts, gemaakt van versleten T-Mobile werkkleding. De order resulteerde in een totale besparing van 1.000 kg pesticiden, 7 miljoen liter water en 2.800 kg CO2-uitstoot. (…) We voorspellen dat onze omzet met 388% zal stijgen tussen 2023-2026 en onze winst te laten groeien naar € 8,13 miljoen. (…) We zijn op zoek naar financiers die de groei van ons bedrijf willen ondersteunen en willen bijdragen aan een betere, duurzamere wereld. De totale financiering die we ophalen bedraagt € 4,5 miljoen en zal voornamelijk worden gebruikt om machines aan te schaffen om de productiecapaciteit uit te breiden, de marketinguitgaven te verhogen, ons team te laten groeien en werkkapitaal en reserves veilig te stellen voor toekomstige kapitaaluitgaven. De financiering zal worden verstrekt in de vorm van een reeks obligaties.”
2.18.
In juni, juli en augustus 2023 haalde [A] een financiering van € 360.000,00 op in de vorm van obligatieleningen. Dit was de derde financieringsronde.
2.19.
[gedaagde] heeft bij e-mail van 13 december 2023 aan [I] , bestuurder van een schuldeiser genaamd [J] , geschreven
: “Ik denk dat we eens even samen moeten praten omtrent jou ingelegd geld. Aandelen of geldlening.”
2.20.
De verzekeraar van [A] heeft uitkeringen gedaan van € 150.000,00 en
€ 100.000,00 ter zake van schade door brand. Op het eerste bedrag is in januari 2024 beslag gelegd en het tweede bedrag heeft [gedaagde] overgeboekt naar de bankrekening van [G] .
2.21.
Het opvolgend bestuur van de STAK heeft bij akte van 8 maart 2024 pandrechten laten vestigen op de machines van [A] . In de periode tussen de vestiging van de pandrechten en het uitspreken van het faillissement op 25 juni 2024 werden de zaken in vuistpand genomen.
2.22.
Op 25 juni 2024 is [A] in staat van faillissement verklaard.
2.23.
Op 11 juli 2024 heeft [K] , financieel controller van [gedaagde] (hierna: [K] ), onderstaand organogram aan [gedaagde] gestuurd:
2.24.
Op 16 juli 2024 heeft [K] aan [gedaagde] geschreven:
“Op 12 april 2023 heb jij vanuit privé 10.000 aandelen in [A] ingebracht in [L] B.V. Vanaf die datum is [L] B.V. aandeelhouder van [A] , in plaats van de heer [gedaagde] in privé.”
2.25.
De curator heeft op 7 november 2024 beslag laten leggen op de woning van [gedaagde] aan de [adres] te [woonplaats] .

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De curator vordert:
Primair
1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder van [A] (kennelijk)
onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is
geweest zoals bedoeld in artikel 2:248 BW Pro;
2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de boedel van [A] respectievelijk de
curator, het tekort in het faillissement, op te maken bij staat en te vereffenen volgens
de wet;
Subsidiair
1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder van [A] (kennelijk)
onbehoorlijk heeft vervuld als bedoeld in artikel 2:9 BW Pro, als gevolg waarvan [gedaagde]
aansprakelijk is voor de door [A] daardoor geleden schade;
2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de failliete boedel van [A] respectievelijk
de curator, de schade die [A] respectievelijk de gezamenlijke schuldeisers door
het onbehoorlijk bestuur hebben geleden, welke schade zo nodig nader opgemaakt zal
worden bij staat en vereffend dient te worden volgens de wet dan wel wordt begroot
op een door de rechtbank te bepalen bedrag;
Zowel primair als subsidiair
1. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de failliete boedel van [A] respectievelijk
de curator van een voorschot van € 800.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente;
Meer Subsidiair
1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] op grond van de artikelen 2:9 BW en/of 6:203 BW
en/of 7:129e BW aansprakelijk is voor de geleden schade dan wel gehouden is het
onverschuldigd betaalde en geleende aan de boedel terug te betalen;
2. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding aan de boedel respectievelijk de curator van
de geleden schade althans tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde dan wel
geleende, ten bedrage van EUR 796.988,04, vermeerderd met de wettelijke rente;
Zowel primair, subsidiair als meer subsidiair
1. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van dit geding, de nakosten
daaronder begrepen, alsmede van de beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
De curator legt daaraan ten grondslag dat een redelijk handelend bestuurder in dezelfde omstandigheden (i) niet akkoord zou zijn gegaan met de exorbitante afdracht aan Hannibal (ten minste 12-15% van bijna € 5 miljoen financiering), (ii) zicht op en controle over het financieringsproces zou hebben gehouden in plaats van derden in dienst te nemen en de vrije hand te geven, (iii) de essentiële rechtsverhouding met Hannibal ordentelijk zou hebben vastgelegd zodat afspraken later afdwingbaar zouden zijn, (iv) zou bewerkstelligen dat de opgehaalde financiering direct naar de vennootschap zou vloeien of in ieder geval onverwijld, onverkort en op een transparante manier ten goede zou komen aan de vennootschap, (v) opgehaalde financiering niet zonder grondslag zou hebben onttrokken voor privédoeleinden terwijl de vennootschap liquiditeit nodig had en (vi) investeerders volledig zou hebben ingelicht en onder geen beding al dan niet opzettelijk valse voorwendselen en irreële verwachtingen zou hebben geschept. Ook de administratieverplichtingen en de publicatieverplichtingen zijn geschonden. [gedaagde] heeft zijn taak als bestuurder van [A] kennelijk onbehoorlijk vervuld en dit is een belangrijke oorzaak van het faillissement. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor het bedrag waarmee de schulden van [A] de baten na hun vereffening blijken te overtreffen.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de curator, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de curator, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de curator in de kosten van deze procedure.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[gedaagde] vordert:
1. voor recht te verklaren dat [gedaagde] gerechtigd is om de ten processe bedoelde
€ 375.000,00 (€ 125.000,00 + € 250.000,00) te verrekenen met de privé opname ad
€ 166.988,04 als bedoeld in randnummer 50 van de dagvaarding;
2. de curator te veroordelen om het verschil tussen voornoemd bedrag ad € 375.000,0 en de € 166.988,04 (laatstgenoemd bedrag eventueel te verhogen met rente), dus € 208.011,96 aan [gedaagde] te betalen, te verhogen met de wettelijke rente daarover, althans de curator te veroordelen om dat bedrag (€ 208.011,96) als concurrente schuldvordering van [gedaagde] op de faillissementsboedel te erkennen;
3. de curator te veroordelen om het conservatoir beslag, gelegd op de woning van [gedaagde] te [plaats] aan de [adres] op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 voor elke dag dat de curator daarmee in gebreke blijft;
4. voor recht te verklaren dat het vorenbedoelde beslag ten onrechte is gelegd en als een onrechtmatige daad van de curator jegens [gedaagde] moet worden beschouwd;
5. de curator te veroordelen om de schade als gevolg van een onrechtmatige beslaglegging door de curator aan [gedaagde] toegekomen aan [gedaagde] te vergoeden, welke schade nader moet worden bepaald bij staat en worden vereffend volgens de wet;
6. de curator te veroordelen in de kosten van de procedure in reconventie.
3.6.
[gedaagde] legt daaraan het volgende ten grondslag. [J] B.V. (hierna: [J] ) heeft in maart 2023 een bedrag van € 125.000,00 aan [A] doen toekomen en in september 2023 een bedrag van € 250.000,00. In ruil voor deze financiële injecties is afgesproken, tussen [gedaagde] / [A] en [J] , dat [J] nog eens 17,5% aan aandelen zou krijgen uit het aandelenpakket van [gedaagde] . Deze aandelen behoorden toe aan [gedaagde] in privé, zodat ook de vergoeding van € 375.000,00 voor dit extra aandelenpakket aan hem toekwam. Omdat [gedaagde] deze vergoeding van € 375.000,00 aan [A] ter beschikking heeft gesteld, is hij gerechtigd om daarmee zijn geldlening van € 166.988,04 van [A] te verrekenen. Dat wordt niet anders doordat [J] zich later op het standpunt is gaan stellen dat sprake was van geldleningen en [A] (op 7 maart 2024) heeft gedagvaard. Omdat de vorderingen van de curator in conventie niet kunnen worden toegewezen, is het beslag ten onrechte gelegd. Het gelegde beslag is een onrechtmatige daad van de curator jegens [gedaagde] en [gedaagde] heeft daarom recht op schadevergoeding.
3.7.
De curator voert verweer. De curator concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
€ 620.000,00 voor eigendomsrechten of onderzoekskosten?
4.1.
De curator verwijt [gedaagde] onder meer dat van het bedrag van € 3.400.000,00 van de eerste financieringsronde een bedrag van € 620.000,00 naar [G] is gegaan onder de noemer ‘IP’ dan wel ‘R&D’. Uit niets blijkt het bestaan of de inbreng van intellectuele
eigendomsrechten en in de met [G] gesloten overeenkomst staat bovendien dat ‘de IP-
rechten en R&D intelligentsia’ eigendom blijven van [G] . Als het gaat om een machine-instelling die [gedaagde] in zijn hoofd heeft, dan kreeg hij daarvoor al een managementvergoeding. Uit correspondentie tussen [gedaagde] en [E] op en omstreeks 9 juni 2020 blijkt dat het bedrag van € 620.000,00 is aangewend ter aflossing van privéleningen van [gedaagde] . Zowel de grondslag als de omvang van deze betaling aan [G] is onduidelijk. Dit handelen van [gedaagde] kwalificeert als een onrechtmatige onttrekking aan het vermogen van [A] , waarvan [gedaagde] een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Er werd immers onttrokken zonder enige tegenprestatie, terwijl de vennootschap de liquide middelen hard nodig had, aldus de curator.
4.2.
[gedaagde] voert aan dat hij in de loop van de tijd en met name in Bangladesh een vergaande know how heeft verkregen en machines heeft ontwikkeld voor het produceren van circulaire producten. Dat is op geld waardeerbaar en dit komt ook in het Informatie Memorandum tot uiting, waarin voor de inhuur van consultancy en research en developmentkosten (R&D kosten) in totaal een bedrag van € 1.010.000,00 is opgenomen.
Deze kosten zijn voor een groot deel gemaakt door de betaling van het bedrag van
€ 620.000,00 aan [gedaagde] , al dan niet via [G] . [A] heeft betaald voor de kennis en kunde/know how van [gedaagde] , voor het kunnen verkrijgen van de door [gedaagde] ontwikkelde machines en het door hem ontwikkelde productieproces. Zonder deze essentiële ‘activa’ zou [A] nooit van start hebben kunnen gaan. Alle investeerders waren bekend waren met de kosten als vermeld in het Informatie Memorandum, aldus [gedaagde] .
4.3.
De rechtbank oordeelt als volgt. [G] en [A] zijn overeengekomen dat [A] aan [G] een bedrag van € 620.000,00 betaalt voor het gebruik van de methodiek voor het produceren van circulair garen. [G] en [A] hebben daarbij afgesproken dat de IP-rechten en R&D intelligentsia bij [G] / [gedaagde] blijven. Nog afgezien van de omstandigheid dat nergens uit blijkt dat [G] / [gedaagde] een octrooi hebben laten registreren ter bescherming van een proces voor het produceren van circulair garen, is een dergelijk octrooi bij de voormelde overeenkomst kennelijk niet verkocht en overgedragen aan [A] . Waar heeft [A] dan wel het bedrag van € 620.000,00 voor betaald? [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [A] dat bedrag heeft betaald voor de know how die hij in het verleden in het buitenland heeft verworven en die hij nu ten gunste van [A] wil aanwenden. De rechtbank verwerpt dit standpunt. [gedaagde] is in Nederland begonnen met een nieuwe vennootschap ( [A] ) en een nieuwe onderneming. Zonder nadere toelichting die ontbreekt kan [gedaagde] niet de kosten voor onderzoek dat in het verleden ten behoeve van andere ondernemingen is gedaan bij [A] in rekening brengen. Weliswaar heeft [gedaagde] zijn opgedane kennis en ervaring ingezet voor [A] , maar daarvoor ontving hij een managementvergoeding. Nu niet is gebleken van een zakelijke verantwoording voor de betaling van € 620.000,00 door [A] aan [G] / [gedaagde] , oordeelt de rechtbank dat sprake is van onbehoorlijk bestuur doordat [gedaagde] dit bedrag onttrok aan de onderneming.
Verrekening van door [gedaagde] opgenomen bedrag van € 166.988,04?
4.4.
De curator stelt dat [gedaagde] de onttrekking van € 166.988,04 heeft gedaan op een cruciaal tijdstip (12 januari 2023) waarop liquide middelen hard nodig waren. Begin 2023 stond de onderneming er slecht voor: een recente brand had een deel van de productielijn verwoest, binnen enkele maanden moest er € 3,4 miljoen geheel worden afgelost en er bestond een liquiditeitstekort binnen de onderneming. Later heeft [gedaagde] het bedrag van
€ 166.988,04 niet terugbetaald, maar oneigenlijk verrekend. [gedaagde] kan van dit handelen een ernstig verwijt worden gemaakt in de zin van artikel 2:9 BW Pro, aldus de curator.
4.5.
[gedaagde] erkent de onttrekking (als geldlening) en een daaruit voortvloeiende schuld, maar hij stelt dat hij deze schuld rechtsgeldig heeft verrekend met een tegenvordering; hij betwist dat sprake is van oneigenlijke verrekening. [gedaagde] licht de tegenvordering als volgt toe. [J] heeft in maart 2023 een bedrag van € 125.000,00 en in september 2023 een bedrag van € 250.000,00 aan [A] doen toekomen. [gedaagde] / [A] en [J] hebben afgesproken dat [J] in ruil voor deze financiële injecties 17,5% aan aandelen zou krijgen uit het aandelenpakket van [gedaagde] . Deze aandelen behoorden toe aan [gedaagde] in privé, zodat ook de vergoeding van € 375.000,00 voor dit extra aandelenpakket aan hem toekwam. Omdat [gedaagde] deze vergoeding van € 375.000,00 aan [A] ter beschikking heeft gesteld, is hij gerechtigd om daarmee zijn geldlening van € 166.988,04 van [A] te verrekenen. [gedaagde] heeft door inlevering van een deel van zijn aandelenpakket voor meer financiële mogelijkheden gezorgd en van een beperking van liquide middelen bij [A] als gevolg van zijn handelwijze is dus geen sprake is, aldus [gedaagde] .
4.6.
De rechtbank oordeelt als volgt. De door [gedaagde] gestelde afspraak kan niet worden aangemerkt als een ruilovereenkomst, omdat deze niet gaat over het elkaar geven van een zaak over en weer, zoals bedoeld in artikel 7:49 BW Pro. De rechtbank leidt uit de stellingen van [gedaagde] af dat sprake is van een drie-partijen-overeenkomst, waarbij tegenover de verbintenis van [J] tot het geven van financiële injecties aan [A] van in totaal
€ 375.000,00 de verbintenis van [gedaagde] staat om aandelen aan [J] te leveren. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat hij een regresvordering heeft op [A] , omdat de koopprijs voor zijn aandelen aan haar is betaald, is dat niet in lijn met zijn stelling dat [J] aan [A] een financiële injectie heeft gegeven. Bovendien volgt uit de e-mails van 11 en 16 juli 2024 van de financieel controller van [gedaagde] dat vanaf 12 april 2023 niet meer [gedaagde] in privé maar [L] B.V. aandeelhouder was van [A] , waardoor niet [gedaagde] maar [L] B.V. recht heeft op betaling van de koopprijs van de aandelen, als het standpunt van [gedaagde] al moet worden gevolgd dat de koopprijs toekomt aan de aandeelhouder. En uit de e-mail van 13 december 2023 van [gedaagde] aan de bestuurder van [J] leidt de rechtbank af dat er op die datum nog geen afspraak was over de levering van aandelen voor de financiële injecties van [J] en dat er sprake was van “ingelegd geld” van [J] ; de term “ingelegd geld” is een aanwijzing dat financiële injecties aan de onderneming aan de orde waren. Gelet op al deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld dat hij een vordering heeft op [A] waarmee hij zijn erkende schuld uit geldlening kan verrekenen.
4.7.
De rechtbank is in de context van oordeel dat [gedaagde] zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld, door een bedrag van € 166.988,04 van de bankrekening van [A] op te nemen (als onttrekking/geldlening) in de situatie dat er binnen de onderneming een liquiditeitstekort was en een recente brand een deel van de productielijn had verwoest. Ook is niet toegelicht welke zekerheden de onderneming had voor de terugbetaling van dit bedrag en waarom de onttrekking/geldlening onder de omstandigheden zakelijk verantwoord was voor de onderneming.
De administratieverplichting
4.8.
De curator stelt dat niet is voldaan aan de administratieverplichting van artikel 2:10 BW Pro. Enige vastlegging van de crowdfunding via Hannibal ontbreekt. Daarnaast vertoont de debiteurenadministratie basisgebreken, waardoor de rechten van [A] in relatie tot deze debiteuren niet kunnen worden afgeleid uit de administratie. Verder ontbreken:
- een ordentelijke vastlegging van de intellectuele eigendomsrechten die [G] zou hebben ingebracht,
- documentatie van afspraken met adviseurs zoals PwC,
- documentatie met betrekking tot beweerdelijke leveringen,
- documentatie van transacties met [gedaagde] zelf, zoals overeenkomsten van geldlening,
- ordentelijke schriftelijke afspraken met [J] ,
- inkoopfacturen, bijvoorbeeld ter zake de machines.
Ook is gebleken dat het aandeelhoudersregister niet op orde was, aldus de curator.
4.9.
[gedaagde] voert aan dat de administratie van [A] prima in orde was. Een controle vanuit de Belastingdienst in 2023 heeft niet tot een ander oordeel geleid. Ook de debiteurenadministratie voldeed aan de eisen die daaraan in redelijkheid gesteld kunnen worden. De eventuele omstandigheid dat facturen niet kunnen worden geïncasseerd, maakt dat niet anders, aldus [gedaagde] .
4.10.
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 2:10 lid 1 BW Pro is bepaald dat het bestuur verplicht is van de vermogenstoestand van de rechtspersoon en van alles betreffende de werkzaamheden van de rechtspersoon op zodanige wijze een administratie te voeren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.
4.11.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat overeenkomsten van [A] met Hannibal, [J] en [gedaagde] destijds (deugdelijk) zijn vastgelegd. Dat betekent dat de rechten en verplichtingen van [A] niet te allen tijde konden worden gekend. Eventueel later opgemaakte stukken in de door [gedaagde] gedeponeerde ordners, veranderen dat op zichzelf niet en deze stukken zijn in een zeer laat stadium van de procedure (niet onverwijld na faillietverklaring) overgelegd en niet door [gedaagde] toegelicht op een wijze die voor de curator en de rechtbank voldoende overzichtelijk en begrijpelijk is. Volgens de curator klopte ook de debiteurenadministratie van [A] niet. [gedaagde] heeft op de zitting erkend dat de factuurnummers niet klopten, wat volgens hem kwam door de wisseling van boekhoudsystemen en het meegeven van gratis monsters aan bezoekers. Weliswaar heeft de Belastingdienst bij een (beperkt) boekenonderzoek geen grote gebreken gevonden en heeft de eigen financieel controller van [A] verklaard dat de administratie van [A] voldoet, maar dat doet niet af aan de negatieve reacties die de curator op zijn schrijven aan de debiteuren uit de administratie van [A] heeft ontvangen (productie 40). De rechtbank leidt daaruit af dat de rechten en verplichtingen van [A] niet te allen tijde konden worden gekend.
De openbaarmakingsverplichting
4.12.
De curator stelt dat ook niet is voldaan aan de openbaarmakingsverplichting van artikel 2:394 BW Pro, omdat de jaarrekening over boekjaar 2021 te laat is gedeponeerd en er voor het jaar 2022 alleen een voorlopige jaarrekening is gedeponeerd.
4.13.
[gedaagde] is van mening dat de jaarrekeningen 2022 en 2023 wel tijdig zijn gedeponeerd en zo dat al anders is dat dan sprake is van zodanige omstandigheden of geringe overschrijding van de termijn dat dit niet aan [gedaagde] kan worden toegerekend en/of dat ook sprake is van overmacht, vanwege omstandigheden waarop [gedaagde] geen invloed kon uitoefenen.
4.14.
In artikel 2:394 lid 4 BW Pro is bepaald dat een rechtspersoon uiterlijk 12 maanden na afloop van het boekjaar de jaarrekening openbaar moet hebben gemaakt door deponering bij het handelsregister, met vermelding van de dag van vaststelling.
4.15.
In het overzicht van deponeringen voor [A] bij de KvK (productie 41 bij dagvaarding) is te zien dat de jaarrekening voor boekjaar 2021 is vastgesteld op 16 maart 2023 en is gedeponeerd op 23 maart 2023. Voor boekjaar 2022 is alleen een voorlopige jaarrekening gedeponeerd op 30 december 2023. De jaarrekening over boekjaar 2021 is dus twee maanden en 23 dagen te laat gedeponeerd en de jaarrekening over 2022 is onvolledig gedeponeerd, want deze is nog niet officieel vastgesteld. Dat betekent dat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2:394 BW Pro.
Het ontbreken van een cijfermatig onderbouwd en zakelijk verantwoord businessplan
4.16.
Bij al het voorgaande (de onttrekkingen van € 620.000,00 en € 166.988,04, de schending van de administratieverplichting en de schending van de openbaarmakingsverplichting) komt een meer algemeen thema: [gedaagde] heeft weliswaar veel ideeën voor een onderneming ontwikkeld, maar hij heeft bij en na de acceptatie van bijna € 5 miljoen aan investeringen geen cijfermatig onderbouwd en zakelijk verantwoord businessplan gemaakt dat het vereiste vertrouwen mocht geven voor de aanwending van de door investeerders verstrekte gelden. Als er geen “zakelijk verantwoord” plan is, zoals hier bedoeld, dan zou geen redelijk denkend bestuurder onder de omstandigheden zo handelen, omdat er voor die bestuurder geen vertrouwen zou zijn dat de onderneming kans maakt om te slagen en om de investeerders en andere schuldeisers te betalen. [gedaagde] heeft niet toegelicht hoe de onderneming binnen de afgesproken termijnen in staat zou kunnen zijn om de miljoenen aan schulden uit drie financieringsrondes terug te betalen, bijvoorbeeld door omzet te draaien of door een nieuwe financieringsronde uit te voeren. Zo is niets concreets toegelicht over operationele activiteiten (het daadwerkelijk vervaardigen van textiel, personeel), relaties met leveranciers, relaties met afnemers en kasstromen. Ook is niet toegelicht hoe de onderneming de onttrekkingen en de zeer substantiële kosten van Hannibal (voor het aantrekken van kapitaal) kon dragen en desondanks de schulden kon terugbetalen. De curator heeft langs deze lijnen aan [gedaagde] een verwijt gemaakt onder 79 (en 80-81) van de dagvaarding:
“Het ophalen van significante financieringen op basis van een aangedikt trackrecord, een deels fictieve orderportefeuille, ontbrekende intellectuele eigendomsrechten en tegelijkertijd torenhoge verwachtingen heeft ertoe geleid dat de aflossing van die financieringen van meet af aan onmogelijk was.”De rechtbank is het hier alles afwegende mee eens.
Het wettelijk vermoeden
4.17.
In geval van faillissement van de vennootschap is iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement (artikel 2:248 lid 1 BW Pro).
4.18.
Nu [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de artikelen 2:10 BW en 2:394 BW heeft hij zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (lid 2 van artikel 2:248 BW Pro). [gedaagde] heeft geen concrete feiten en omstandigheden gesteld, die tot de conclusie leiden dat sprake is van een onbelangrijk verzuim.
De oorzaak van het faillissement
4.19.
Volgens [gedaagde] zijn andere feiten en omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement van [A] geweest.
Hij voert aan dat het gereed krijgen van de productielijn veel meer tijd heeft gekost dan ingeschat. En juist toen de productie kon worden opgestart, heeft zich de brand voorgedaan, met als gevolg weer meer vertraging. Daardoor is het niet daadwerkelijk tot een productie gekomen, aldus [gedaagde] .
4.20.
De curator stelt zich op het standpunt dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Ook binnen de
driejaarstermijn (25 juni 2021 tot 25 juni 2024) zijn er voldoende gedragingen die kwalificeren als onbehoorlijk bestuur. Daarbij gaat het onder meer om de onjuistheden in
het tweede en derde informatiememorandum, het aantrekken van financiering op basis van die onjuiste mededelingen ondanks de voorzienbaarheid van betalingsproblemen, het ontbreken van een deugdelijke administratie op essentiële onderdelen en de onttrekking van ruim anderhalve ton op een voor het voortbestaan van de vennootschap cruciaal moment, aldus de curator.
4.21.
De rechtbank oordeelt het aannemelijk dat de langere tijd voor het gereed krijgen van de productielijn (door de corona-pandemie) en de daarop volgende brand een belangrijke oorzaak zijn geweest van het faillissement van [A] . Door de brand in november 2022 en het schoonmaken van het pand vanwege roet tot mei 2023 werd de productie immers nog langer uitgesteld, al helpt het wel dat de brandverzekeraar een bedrag heeft uitgekeerd ter dekking van de schade.
4.22.
De rechtbank neemt in aanmerking dat de primaire vordering van de curator alleen kan worden ingesteld op grond van onbehoorlijke taakvervulling in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement (artikel 2:248 lid 6 BW Pro). Zoals al is overwogen, moest in het voorjaar van 2023 het bedrijfspand van [A] worden schoongemaakt en vond er nog geen productie plaats. Bovendien kwam het moment dichterbij dat de looptijd van drie jaar van de obligaties (uitgegeven op 15 oktober 2020) afliep en er € 3.400.000,00 terugbetaald zou moeten worden aan de investeerders. [A] bevond zich dus in een situatie dat zij liquide middelen hard nodig had. Dat [gedaagde] op 12 januari 2023 dan in privé een bedrag van € 166.988,04 van de bankrekening van [A] opneemt, getuigt naar het oordeel van de rechtbank van een onbehoorlijke taakvervulling. [gedaagde] heeft in juni 2023 een nieuwe investeringsronde ingezet, maar het Informatie Memorandum van april 2023 dat voor dat doel aan de investeerders is gestuurd, bevatte onjuistheden en was niet volledig. Ten eerste is daarin niet vermeld dat de financiering ook nodig was in verband met de aflopende obligaties. Verder werd in het Informatie Memorandum geen melding gemaakt van de brand in het bedrijfspand van [A] . Er werd in vermeld dat de op te halen financiering zou worden ingezet om machines aan te schaffen ‘om de productiecapaciteit uit te breiden’, terwijl er helemaal nog geen productie plaatsvond in het bedrijfspand. De producten die [A] verkocht, waren afkomstig uit een fabriek in India, zo blijkt onder meer uit het rapport van de Belastingdienst (productie II van [gedaagde] ). De voorspelling in het Informatie Memorandum dat de omzet met 388% zal stijgen tussen 2023-2026 is in dat verband bezien niet realistisch. Daar komt nog bij dat in het Informatie Memorandum een gerealiseerde levering van poloshirts aan T-Mobile staat vermeld, terwijl dat project op 21 maart 2023 al on hold was gezet. Dat [gedaagde] aan de investeerders onjuiste en onvolledige informatie heeft gegeven, merkt de rechtbank aan als onbehoorlijk bestuur. Voorzienbaar was dat [A] de € 360.000,00 aan obligatieleningen die zij in deze ronde op basis van de door haar gegeven informatie ophaalde, niet zou kunnen terugbetalen. Bij al het voorgaande komt nog het algemene thema van het ontbreken van een cijfermatig onderbouwd en zakelijk verantwoord businessplan, waardoor het bestuur van de onderneming niet kon anticiperen of reageren op gebeurtenissen of sturen op verbeteringen. Gelet op al deze feiten en omstandigheden oordeelt de rechtbank het aannemelijk dat kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [A] .
4.23.
Kortom, de fundamentele ernstige problemen door de onttrekkingen, de onjuiste mededelingen, de hoge kosten van Hannibal en het ontbreken van een cijfermatig onderbouwd en zakelijk verantwoord businessplan, bezien in samenhang, staan los van en wegen zwaarder dan de beperkte vertraging door de pandemie en door de brand. Er was, zo moet bij gebreke van een toelichting worden aangenomen, van meet af aan ook zonder de vertraging door de pandemie en de brand geen redelijk vooruitzicht op een oplossing voor deze problemen. De corona-pandemie en brand nemen daarom niet weg dat de onttrekkingen, de onjuiste mededelingen, de hoge kosten van Hannibal en het ontbreken van een cijfermatig onderbouwd en zakelijk verantwoord businessplan, bezien in samenhang, moeten worden aangemerkt als belangrijke oorzaak van het faillissement.
4.24.
Uit het voorgaande volgt dat de primair gevorderde verklaring voor recht en veroordeling tot betaling van het tekort in het faillissement van [A] zullen worden toegewezen. De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroep van [gedaagde] op matiging te honoreren, omdat er ook gelden van [A] aan [gedaagde] ten goede zijn gekomen, te weten de onttrekkingen van € 620.000,00 en € 166.988,04 (zie 4.3 en 4.7).
Het voorschot
4.25.
De door de curator gevorderde veroordeling tot betaling van een voorschot, wordt toegewezen en wel tot het totaalbedrag van € 786.988,04 van de hiervoor vermelde onttrekkingen. De rechtbank is namelijk van oordeel dat [gedaagde] deze bedragen in ieder geval aan [A] moet terugbetalen. De gevorderde wettelijke over dit bedrag wordt ook toegewezen.
De beslagkosten
4.26.
De curator vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 412,60 voor kosten deurwaardersexploten, € 320,00 voor griffierecht en € 3.723,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 3.723,00), totaal € 4.455,60. De gevorderde wettelijke rente zal ook worden toegewezen.
De proceskosten
4.27.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
136,72
- griffierecht
320,00
- salaris advocaat
7.446,00
(2 punten × € 3.723,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.050,72
4.28.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
Verrekening van privé opname
4.29.
De rechtbank verwijst voor haar oordeel over de door [gedaagde] gestelde vordering van € 375.000,00 op [A] naar de randnummers 4.4 tot en met 4.6 in conventie. Daar is al geoordeeld dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld dat hij een vordering van
€ 375.000,00 heeft op [A] waarmee hij zijn privé opname van € 166.988,04 kan verrekenen. Dat betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] gerechtigd is tot die verrekening niet wordt toegewezen.
Veroordeling tot betaling of erkenning als concurrente schuldvordering
4.30.
Voor wat betreft de vordering tot veroordeling van de curator tot betaling van een bedrag van € 208.011,96 uit de boedel van [A] , is [gedaagde] niet ontvankelijk. Zoals is bepaald in artikel 26 jo Pro artikel 110 Fw Pro kan een vordering die voldoening uit de boedel ten doel heeft, gedurende het faillissement op geen andere wijze dan door indiening ter verificatie worden ingesteld. Gelet op het systeem van het faillissementsrecht is ook geen plaats voor veroordeling van de curator tot erkenning van deze vordering.
Vorderingen met betrekking tot het conservatoir beslag
4.31.
[gedaagde] vordert verder opheffing van het conservatoir beslag dat de curator op zijn woning heeft gelegd. Hij stelt dat de vorderingen van de curator niet kunnen worden toegewezen en dat het beslag ten onrechte is gelegd. In de situatie dat de rechtbank [gedaagde] in het gelijk stelt, behoort ervan uitgegaan te worden dat het beslag ten onrechte is gelegd en behoort die beslaglegging als een onrechtmatige daad van de curator jegens hem te worden aangemerkt, met als gevolg dat [gedaagde] recht heeft op een schadevergoeding. [gedaagde] vordert daarom een verklaring voor recht in die zin en veroordeling van de curator tot betaling van schadevergoeding.
4.32.
De curator voert gemotiveerd verweer.
4.33.
De rechtbank oordeelt als volgt. Uit artikel 705 lid 2 Rv Pro volgt dat opheffing van een conservatoir beslag onder meer kan worden bevolen, indien summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht. Van gebleken ondeugdelijkheid van de vordering van de curator is geen sprake, want de vorderingen in conventie worden toegewezen. [gedaagde] heeft ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zijn belang bij opheffing zou moeten prevaleren boven het belang van de curator bij handhaving van het beslag. De rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.
4.34.
Uit de omstandigheid dat [gedaagde] in conventie in het ongelijk is gesteld, volgt dat de curator het beslag niet ten onrechte heeft gelegd (ter zekerheid van zijn vorderingen) en dat de beslaglegging dus niet als een onrechtmatige daad wordt aangemerkt. De rechtbank zal de gevorderde verklaring voor recht daarom afwijzen. Een en ander brengt met zich dat geen grond is voor betaling van schadevergoeding door de curator, zodat ook die vordering zal worden afgewezen.
De proceskosten
4.35.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- salaris advocaat
2.885,00
(2 punten × factor 0,5 × € 2.885,00)
- nakosten
148,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.033,00

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder van [A] (kennelijk)
onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is
geweest zoals bedoeld in artikel 2:248 BW Pro,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de boedel van [A] het tekort in het faillissement, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de failliete boedel van [A] van een voorschot van € 786.988,04, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 dagen na de datum van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 4.455,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 14 dagen na de datum van dit vonnis, tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 8.050,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in reconventie
5.6.
verklaart [gedaagde] niet ontvankelijk in zijn vordering tot veroordeling van de curator om uit de boedel van [A] aan [gedaagde] een bedrag van € 208.011,96 te betalen,
5.7.
wijst de overige vorderingen van [gedaagde] af,
5.8.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 3.033,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.9.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.10.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2, 5.3, 5.4, 5.5, 5.8 en 5.9 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.