Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. Bij de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening moet de voorzieningenrechter eerst vaststellen dat verzoekers een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben, omdat zij door het bestreden besluit op korte termijn geen toegang meer tot hun woning hebben en elders onderdak moeten vinden.
4. Dan moet er een beoordeling plaatsvinden of het bestreden besluit na bezwaar zal standhouden. Dit heet het voorlopig rechtmatigheidsoordeel. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar van verzoekers redelijke kans van slagen heeft. Heeft het dat niet, dan wordt het verzoek afgewezen. Heeft het dat wel, dan wordt het verzoek toegewezen. Is er twijfel over, dan vindt een belangenafweging plaats tussen het algemeen belang dat de burgemeester met het besluit wil dienen en het concrete belang van verzoekers.
De beoordeling doet de voorzieningenrechter mede aan de hand van de rechtspraak die de Afdelingheeft neergelegd in onder meer de uitspraak van 16 juli 2025.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de bestuurlijke rapportage staat dat 148,5 gram henneptoppen is aangetroffen, een ruimschootse overschrijding van de gebruikershoeveelheid voor softdrugs van 5 gram. De hoeveelheid aangetroffen harddrugs van 0,6 gram is een (geringe) overschrijding van de gebruikershoeveelheid van 0,5 gram. Verder is aangetroffen een grote hoeveelheid gripzakjes, weegschalen en twee gasdrukwapens, waarvoor verzoekers geen vergunning hebben.
6. Zoals op de zitting is besproken, betwisten verzoekers niet de bevoegdheid van de burgemeester om de woning en de garage te sluiten. Ook betwisten zij niet de geschiktheid van deze maatregel. Zij vinden dat de sluiting niet noodzakelijk en evenwichtig is.
De noodzakelijkheid van de sluiting
7. Verzoekers voeren aan dat de burgemeester met een minder ingrijpend middel haar doelen kan bereiken door alleen de garage te sluiten en eventueel aan verzoeker een locatieverbod op te leggen.
8. Bij de beoordeling of het noodzakelijk is om tot sluiting van de woning en de garage over te gaan en zo ja, voor hoe lang, zijn verschillende omstandigheden van belang. Bijvoorbeeld de aard en de hoeveelheid aangetroffen drugs en de daarmee mogelijk gepaard gaande risico’s op verdere criminaliteit, wat gevolgen heeft voor de veiligheid en de openbare orde in de omgeving. De burgemeester mag daarbij een onderscheid maken tussen hard- en softdrugs. Ook is relevant of de drugs feitelijk in of vanuit de woning worden verhandeld en of de woning feitelijke bekendheid heeft als drugspand. Dat drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld, kan bijvoorbeeld blijken uit meldingen bij of onderzoek van de politie over mogelijke handel vanuit de woning, verklaringen van buurtbewoners daarover of het aantreffen van attributen die duiden op handel vanuit de woning zoals gripzakjes, ponypacks, een (grammen)weegschaal en grote hoeveelheden contant geld en/of wapens. Wanneer sprake is van toeloop, overlast of (gevoelens van) onveiligheid in de omgeving, kan het noodzakelijk zijn om die met sluiting van de woning ongedaan te maken. Hierbij kan mede van belang zijn of in de nabije omgeving van de woning in het recente verleden al vaker sprake is geweest van drugsovertredingen of drugsgerelateerde criminaliteit. Verder kan sluiting van de woning noodzakelijk zijn als op grond van concrete feiten en omstandigheden aannemelijk is dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel als professionele teeltlocatie, handelslocatie, opslaglocatie voor handel elders of omdat toegang tot de woning wordt verschaft aan derden om er te gebruiken. Met de sluiting wordt de woning aan de keten van drugshandel onttrokken. Bij al het voorgaande dient de burgemeester ook rekening te houden met het tijdsverloop tussen enerzijds het constateren van de overtreding en anderzijds het tijdstip waarop zij ingevolge haar besluitvorming tot sluiting overgaat. Als het samenstel van omstandigheden meebrengt dat sluiting niet noodzakelijk is, dan dient de burgemeester hiervan af te zien.
9. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester de sluiting van de woning en garage noodzakelijk mogen vinden, omdat sprake is van een ernstig geval. Er is sprake van een zeer grote handelshoeveelheid softdrugs. Ook zijn er meerdere aanwijzingen dat de drugs feitelijk in of vanuit de woning en de garage zijn verhandeld. Dit blijkt uit de MMA-melding, de eigen waarnemingen door de politie (dat op het adres verschillende voertuigen voor de woning stopten, kortstondig de woning betraden en vervolgens weer vertrokken), de doorzoeking van een grijze BMW die door verzoeker werd bestuurd en waarin gripzakjes met cocaïne en contant geld is aangetroffen, de bevindingen uit het buurtonderzoek (dat er al jarenlang veel aanloop is naar de woning) en de vondst van de verdovende middelen/goederen in de woning en de garage, te weten de henneptoppen, attributen voor drugshandel en wapens. Hiermee is ook aannemelijk dat de woning en de garage een rol vervullen binnen de keten van drugshandel en dat de woning en de garage bekend staan als panden waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is. De enkele stelling van verzoekers hiertegenover dat er geen loop naar de woning is geweest, is onvoldoende om aan de juistheid van de bevindingen zoals neergelegd in de bestuurlijke rapportage te twijfelen. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de meldingen van de buurtbewoners worden ondersteund door wat de politie zelf heeft waargenomen en ook door wat in de woning en de garage is aangetroffen. De burgemeester heeft verder niet ten onrechte overwogen dat zij met een minder ingrijpend middel niet de beoogde doelen, te weten het beëindigen van de overtreding van de Opiumwet, het beëindigen van de negatieve effecten van de overtreding en het voorkomen van herhaling van de overtreding, kan bereiken. In het verweerschrift heeft de burgemeester nader toegelicht dat het sluiten van alleen de garage onvoldoende is om de bekendheid van ook de woning als drugsgerelateerde locatie weg te nemen. Met het opleggen van een locatieverbod aan verzoeker wordt de bekendheid van de woning en de garage als onderdeel van de drugsketen niet weggenomen. De maatregel ziet niet op de persoon of bewoner van de woning en de garage, maar op de woning en de garage zelf. Verder is hiervoor van belang dat ook na het bestreden besluit van 22 december 2025 bij de wijkagent is gemeld dat nog steeds sprake is van een komen en gaan van auto’s bij het adres van de woning en garage. In dat verband wijst de voorzieningenrechter op de door de burgemeester overgelegde informatie van de politie van 6 januari 2026. De voorzieningenrechter ziet in de enkele niet onderbouwde ontkenning hiervan door verzoeker op de zitting geen aanleiding om aan de juistheid van deze informatie van een wijkagent te twijfelen.
Evenwichtigheid van de sluiting
10. Verzoekers voeren aan dat de sluiting niet evenwichtig is, in ieder geval niet in het geval van verzoekster. Zo wordt verzoekster niet verdacht van het plegen van strafbare feiten. Ook valt verzoekster niets te verwijten. Zij wist niet van de strafbare handelingen van verzoeker en zij kon er ook redelijkerwijs niet van weten. Zij kwam niet op de zolder in de woning en ook niet in de garage, mede vanwege haar lichamelijke gebreken, te weten de ziekte van Crohn en de situatie rondom haar rechtervoet. Volgens verzoekers is verzoekster aan bed gekluisterd en zij betwisten dat er vanuit de woning werd verhandeld. Verder voeren verzoekers aan dat verzoekster financieel niet in staat is om (tijdelijk) elders woonruimte te verkrijgen en dat het praktisch gezien onmogelijk is om vervangende woonruimte te verkrijgen gelet op haar medische situatie.
11. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid kunnen verschillende omstandigheden van belang zijn. De burgemeester moet bijvoorbeeld de mate van verwijtbaarheid van de degenen die door de sluiting worden getroffen beoordelen en beoordelen in hoeverre aan hen kan worden tegengeworpen dat zij zelf het risico op ingrijpende gevolgen van hun handelen of nalaten hebben genomen. Daarnaast is van belang of de bewoners een bijzondere binding met de woning hebben en wat de gevolgen voor hen zijn van het voor de duur van de sluiting elders moeten verblijven. Ook is van belang hoelang de woning gesloten blijft en of de bewoners na de sluiting weer van de woning gebruik kunnen maken.
12. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van de situatie dat verzoekster geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de overtreding. Als mede-bewoner en -eigenaar van de woning, waar de garage bij hoort, had zij toezicht moeten houden op wat er in en om de woning gebeurde. Dit klemt te meer nu de burgemeester het aannemelijk heeft mogen vinden dat verzoekster op de hoogte was van verdachte activiteiten rondom de woning. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat uit het buurtonderzoek naar voren is gekomen dat het al jarenlang een komen en gaan is van auto’s bij de woning en dat de politie op 15 november 2025 zelf heeft waargenomen dat verschillende personen kortstondig de woning betraden. De stelling dat het voor verzoekster onmogelijk was die omstandigheden waar te nemen, is niet onderbouwd en volgt ook niet uit de door verzoekster overgelegde medische informatie.
13. Verder oordeelt de voorzieningenrechter dat verzoekers in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van vervangende woonruimte. De burgemeester heeft verzoekers al in het voornemen van 2 december 2025 uitdrukkelijk gewezen op diverse mogelijkheden voor het regelen van vervangende woonruimte en de noodzaak om aan te tonen dat zij daartoe pogingen hebben ondernomen. Niet is gesteld of gebleken dat verzoekers die mogelijkheden hebben onderzocht of anderszins actief hebben gezocht naar vervangende woonruimte. Op de zitting is daarop gericht doorgevraagd, maar anders dan de stelling dat verzoekster niet bij haar zonen terecht kan, is niet naar voren gekomen. Er is niet gevraagd bij eventuele andere familieleden of kennissen, bij woningcorporaties, makelaars of vakantieparken. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om de bezwaarprocedure af te wachten voor nadere informatie hierover, zoals namens verzoekers op de zitting is voorgesteld. De stelling dat verzoekster vanwege haar financiële omstandigheden niet elders terecht kan, is niet onderbouwd. Verder is niet aannemelijk gemaakt dat het voor verzoekster al vanwege haar medische omstandigheden onmogelijk is om tijdelijk elders te verblijven, zoals verzoekers betogen. De burgemeester neemt aan dat verzoekster fysieke beperkingen heeft, maar zij heeft niet ten onrechte overwogen dat niet is gebleken of onderbouwd dat verzoekster daardoor een bijzondere binding heeft met de woning. De op de zitting overgelegde foto’s zijn daarvoor geen onderbouwing. Ook volgt dit niet uit de door verzoekster overgelegde medische informatie. Verder is het zo dat verzoekster na de sluitingsduur kan terugkeren naar de woning, omdat zij eigenaresse is. De voorzieningenrechter heeft net als de burgemeester aandacht voor de fysieke en medische omstandigheden van verzoekster, maar naar haar voorlopig oordeel maken de voor verzoekster nadelige gevolgen niet dat de sluiting onevenredig is gelet op de ernst van de overtreding.