ECLI:NL:RBOBR:2026:1440

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
25/2679
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 GwArt. 3:2 AwbArt. 3:4 AwbArt. 3:9 AwbArt. 4:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag omgevingsvergunning reclamebord bij gemeentelijk monument

Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een reclamebord op het Franse balkon van zijn pand, dat sinds oktober 2024 als gemeentelijk monument is aangewezen. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven heeft de aanvraag geweigerd, mede op basis van negatieve adviezen van de Adviescommissie Omgevingskwaliteit, die het bord te groot en te prominent vond en de woonuitstraling van het monument aantast.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit, maar het college handhaafde de weigering. De rechtbank oordeelt dat het college terecht het welstandsadvies heeft gevolgd, omdat dit zorgvuldig tot stand is gekomen en eiser geen tegenadvies heeft overgelegd. De rechtbank vindt dat het reclamebord, dat het volledige Franse balkon beslaat, disproportioneel is en de woonuitstraling van het monument schaadt.

Verder is het beroep op het gelijkheidsbeginsel ongegrond, omdat het reclamebord van eiser niet vergelijkbaar is met het kleinere bord op het naastgelegen pand. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het griffierecht en proceskosten af.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning voor het reclamebord.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/2679 OWBOUW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, het college
(gemachtigde: mr. A. van de Waerdt).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de geweigerde omgevingsvergunning voor het ophangen van het door eiser gewenste reclamebord aan het Frans balkon van de [adres] in [vestigingsplaats], waar eiser een dienstverlenend bedrijf heeft.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van 15 september 2025 om deze weigering, ook in bezwaar, te handhaven. Aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 23 oktober 2024 heeft eiser een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor een reclamebord.
2.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 19 december 2024 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.2.
In bezwaar is het college met het besluit van 15 september 2025 (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 5 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en het college zijn met berichtgeving niet verschenen.

Feiten en omstandigheden

3. Eiser heeft in het pand aan de [adres] te [vestigingsplaats] (het pand), het dienstverlenend bedrijf [naam] gevestigd. Eiser heeft zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning op de eerste verdieping, over de volle lengte en breedte van het Franse balkon, een reclamebord voor zijn bedrijf bevestigd.
3.1.
Bij brief van 28 augustus 2023 heeft het college eiser erop gewezen dat, gelet op de omvang van dit reclamebord, deze vergunningplichtig is voor de activiteit bouwen en dat dit wellicht vergund kan worden. Hier heeft eiser op gereageerd met de mededeling dat hij zo spoedig mogelijk een omgevingsvergunning zal aanvragen.
3.2.
Op 9 oktober 2024 heeft de gemeente onder meer de rijtjeswoningen aan de [adres] te [vestigingsplaats], waaronder dus ook het pand, aangewezen als gemeentelijk monument.
3.3.
Op 23 oktober 2024 heeft eiser een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor een het reclamebord van 2,90 meter bij 0,96 meter, bestaande uit een lichtbak met LED verlichting van Dibond en Plexiglas materiaal.
3.4.
Op 5 december 2024 heeft de Adviescommisie Omgevingskwaliteit Eindhoven (de commissie) het advies uitgebracht om niet akkoord te gaan met de aanvraag.
3.5.
Het college heeft de aanvraag, in navolging van het advies van de commissie, met het besluit van 19 december 2024 afgewezen.
3.6.
Naar aanleiding van eisers bezwaarschrift heeft de commissie op 22 juli 2025 nogmaals geadviseerd ten aanzien van de door eiser ingediende aanvraag, wederom negatief.
3.7.
Het college heeft, via een e-mailwisseling in augustus 2025, eiser in de gelegenheid gesteld de aanvraag voor het reclamebord aan te passen en aangegeven wat er aangepast moet worden, zodat de aanvraag wel kan worden goedgekeurd
.Eiser heeft hier geen gebruik van gemaakt en vastgehouden aan de oorspronkelijke aanvraag, wat vervolgens tot het hier bestreden besluit van 15 september 2025 heeft geleid.
3.8.
Bij brief van 4 november 2025 heeft het college (nogmaals) bevestigd dat indien eiser de reclame-uiting op dezelfde plek en dezelfde afmeting als op het naastgelegen pand [adres] positioneert, dit akkoord is.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Op grond van de artikelen 22.1 en 22.2, eerste lid, van de Ow in samenhang bezien met artikel 7.1 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet bestaat vanaf 1 januari 2024 het omgevingsplan van de gemeente Eindhoven uit een tijdelijk deel (het zogenoemde omgevingsplan van rechtswege). Naast onder meer de in artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet genoemde besluiten, zoals geldende bestemmingsplannen en beheersverordeningen, bestaat dit tijdelijk deel ook uit de omgevingsplanregels van rechtswege (de zogenoemde bruidsschat).
4.1.
Gelet hierop maakt het vóór 1 januari 2024 geldende bestemmingsplan “Strijp- Gestel- en Stratum binnen de Ring en Bloemenbuurt-Zuid 2020” van de gemeente Eindhoven (bestemmingsplan), met ingang van 1 januari 2024 onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Eindhoven.
4.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Wijziging motivering in besluit op bezwaar
5. Eiser voert aan dat de gronden die het college aan hem tegenwerpt in het besluit op bezwaar van 15 september 2025 ten onrechte wezenlijk anders zijn geworden dan de gronden die het college hem tegenwierp in het eerdere besluit van 19 december 2024, zonder dat eiser hier tegenop kon komen. Terwijl in het eerdere besluit bij de weigering vooral de nadruk lag op de monumentenzorg, wordt in het besluit op bezwaar tegengeworpen dat het reclamebord te groot en te hoog is. Dergelijke gewijzigde uitgangspunten/criteria van het college tasten naar eisers mening de rechtszekerheid aan. Zijns inziens dienen besluiten voorspelbaar en consistent te zijn.
5.1.
De rechtbank overweegt dat van strijd met de rechtszekerheid geen sprake is. Indien het op bezwaar genomen besluit enkel hetzelfde besluit zou mogen zijn als het eerdere besluit, zou de bezwaarfase geen enkel doel dienen. Artikel 7:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vereist in de bezwaarfase nu juist een volledige heroverweging van het eerdere door het college genomen besluit (van in dit geval 19 december 2024). Dit betekent dat aan het besluit op bezwaar van 15 september 2025 ook een andere of aanvullende motivering ten grondslag kon worden gelegd dan aan het besluit van 19 december 2024. Dat eiser niet op kan komen tegen het besluit van 15 september 2025 met de gewijzigde motivering, is niet correct. Eiser heeft immers onderhavig beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit. De beroepsgrond slaagt niet.
Volgen advies
6. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende duidelijk is gemotiveerd, nu het college daarin, voor eiser onverwacht, het tweede door de commissie opgestelde advies heeft gevolgd als bindend beoordelingskader. Eiser voert aan dat in het bestreden besluit onvoldoende aandacht is geschonken aan de door hem in bezwaar aangevoerde gronden. Hij wijst erop dat niet langer in geschil is dat het reclamebord is geplaatst voorafgaand aan de aanwijzing als gemeentelijk monument. Voorts wijst hij er (nogmaals) op dat het reclamebord niet tegen de beeldbepalende gevel is gemonteerd, maar aan de balustrade, in dezelfde kleurstelling, en dat geen verlichting aanwezig is waardoor zijns inziens de visuele impact van het reclamebord nagenoeg nihil is. Ook voert hij aan dat het hier om een reclamebord van geringe afmetingen gaat.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in het bestreden besluit het welstandsadvies mocht worden gevolgd, nu dit een deskundigenadvies betreft wat naar inhoud en wijze van totstandkoming geen gebreken vertoont en door eiser geen deskundig tegenadvies is overgelegd. Ook is door eiser niet gemotiveerd aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd zou zijn met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Het bestreden besluit is naar de mening van het college voldoende gemotiveerd. Alle door eiser genoemde omstandigheden: locatie van het reclamebord op het Franse balkon, geen verlichting op het reclamebord, en het feit dat het reclamebord is geplaatst vóór de aanwijzing als gemeentelijk monument, zijn meegenomen. Het college is in navolging van de commissie van oordeel dat de woonuitstraling van het als gemeentelijk monument aangewezen pand behouden moet blijven. De toepassing van een dicht reclamebord tegen een beeldbepalend hekwerk (het Franse balkon) doet die woonuitstraling te zeer geweld aan. Het reclameobject verstoort het ritme van het straatbeeld te sterk. Ook is de reclame op het balkonhek beduidend groter dan de andere reclameobjecten in dit bouwblok. Om die reden is de omgevingsvergunning geweigerd. Dat het reclamebord niet voorzien is van licht (wat overigens wel zo op de bouwtekening is aangegeven) en niet is gemonteerd aan de gevel zelf maar aan de balustrade, zijn dus niet van doorslaggevende betekenis geweest voor het negatieve oordeel van de commissie, maar wel dat het reclamebord te groot is en te prominent aanwezig is.
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Aangezien de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, is het college niet aan een welstandsadvies gebonden. Echter het college mag wel op een welstandsadvies afgaan, nadat het college is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. [1] Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel ook geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht het college in onderhavig geval op het welstandsadvies afgaan. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
6.4.
Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die reden geven om te twijfelen aan het advies. Het feit dat de commissie in het eerdere advies van 5 december 2024 ervan uitging dat het een reclamebord met verlichting zou betreffen, maakt het advies niet onzorgvuldig, aangezien in de vergunningaanvraag is vermeld dat het hier om een lichtbak met LED verlichting zou gaan. Dat geen verlichting aanwezig is en het reclamebord niet rechtstreeks aan de gevel is bevestigd maar aan de balustrade, in dezelfde kleursetting, maakt niet dat de visuele impact van het reclamebord nagenoeg nihil is. Eisers stelling dat het om een reclamebord van geringe afmetingen gaat kan namelijk niet worden gevolgd. Het college heeft in navolging van de commissie terecht het standpunt ingenomen dat het hier om een reclamebord gaat wat beduidend groter is dan de andere reclameobjecten in het bouwblok. Het gaat hier immers om een reclamebord van 2,90 meter bij 0,96 meter, dat zowel qua breedte als lengte volledig het Franse balkon van het pand beslaat.
6.5.
Uit artikel 38, eerste en vijfde lid, van het reclamebeleid volgt dat reclame op monumenten ondergeschikt dient te zijn aan architectuur en aan omgeving. De rechtbank oordeelt dat gelet daarop de motivering van de commissie – dat de woonuitstraling van het als gemeentelijk monument aangewezen pand behouden moet blijven en dat de toepassing van een dicht, groot reclamebord tegen een beeldbepalend hekwerk, die woonuitstraling te zeer geweld aandoet – een begrijpelijke en zorgvuldig tot stand gekomen redenering is. De getrokken conclusie dat de omgevingsvergunning daarom wordt geweigerd sluit daarop aan. Een nadere toelichting was naar het oordeel van de rechtbank in onderhavig geval niet nodig, temeer nu eiser geen tegenadvies heeft ingebracht.
6.6.
De beroepsgrond slaagt niet.
Weigering onevenredig?
7. Naar de mening van eiser heeft het college eisers belangen bij, en gevolgen van, de weigering van de omgevingsvergunning onvoldoende meegewogen. Eiser voert aan dat die weigering disproportioneel is, omdat het hier om een klein reclamebord gaat, met dezelfde kleur als de bestaande balustrade en zonder verlichting. Zijns inziens doet het reclamebord ook geen afbreuk aan de woonuitstraling. Daarnaast dient het feit dat hij het reclamebord reeds voor de aanwijzing als gemeentelijk monument heeft geplaatst volgens hem zwaar te wegen.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich, met verwijzing naar het advies van de commissie, op het standpunt heeft mogen stellen dat het behoud van een rustige woonhuis-uitstraling van groter belang is dan eisers individuele bedrijfsmatige belang. Voorts heeft het college zich in het verweerschrift, in reactie op de beroepsgrond, naar het oordeel van de rechtbank in redelijk op het standpunt kunnen stellen dat het reclamebord relatief eenvoudig is te verwijderen, zodat het niet verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige gevolgen met zich brengt. Daarnaast heeft het college er terecht op gewezen dat het feit dat eiser ervoor heeft gekozen om het reclamebord destijds zonder omgevingsvergunning (illegaal) te plaatsen, voor rekening en risico van eiser zelf komt. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
8. Eiser voert aan dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel als neergelegd in artikel 1 van Pro de Grondwet en artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Er is voor een reclamebord bij [adres] (met verlichting aan de gevel) wél een vergunning door het college verleend, wat zijns inziens een vergelijkbaar, vrijwel identiek, reclamebord betreft.
8.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is, nu de commissie in haar advies van 22 juli 2025 heeft aangegeven:
“De commissie ziet wel mogelijkheden voor een reclameobject onder het ronde raam, boven de voordeur, in dezelfde orde van grootte als die van de belending.”Oftewel, indien eiser de reclame-uiting op dezelfde plek en dezelfde afmeting als op het naastgelegen pand [adres] positioneert, is dit akkoord. Het college heeft dit schriftelijk, bij brief van 4 november 2025, bevestigd.
8.2.
De rechtbank overweegt dat geen sprake is van gelijke gevallen nu het reclamebord van eiser, anders dan die van de [adres], niet is gepositioneerd onder het ronde raam, boven de voordeur, maar is gepositioneerd over de volle lengte en breedte van het Franse balkon. Ook is het reclamebord van eiser van een groter formaat dan dat van de [adres]. Nu geen sprake is van gelijke gevallen kan van ongelijke behandeling van gelijke gevallen geen sprake zijn. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Heijerman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Grondwet (Gw)
Artikel 1 van Pro de Gw
Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
Artikel 3:2 van Pro de Awb
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:4 van Pro de Awb

1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit.
2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel 3:9 van Pro de Awb

Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Artikel 4:81 van Pro de Awb

1. Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.
2. In andere gevallen kan een bestuursorgaan slechts beleidsregels vaststellen, voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.

Artikel 7:11 van Pro de Awb

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

Artikel 7:12 van Pro de Awb

1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. (….)
Woningwet(zoals deze gold tot 1 januari 2024)
Afdeling 3. De welstand
Artikel 12a van de Woningwet
1. De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling:
a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;
b. of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. (…)
Invoeringswet Omgevingswet (Inv.Ow)
Artikel 4.114 van de Inv.Ow (welstandsnota)
1. Een welstandsnota als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet die van kracht is, geldt als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
Omgevingswet (Ow)
Artikel 4.19 van de Ow (regels over het uiterlijk van bouwwerken)
Als in het omgevingsplan regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en de toepassing daarvan uitleg behoeft, stelt de gemeenteraad beleidsregels vast voor de beoordeling of een bouwwerk aan die regels voldoet. Deze beleidsregels zijn zoveel mogelijk toegesneden op de te onderscheiden bouwwerken.

Artikel 5.1 van de Ow (omgevingsvergunningplichtige activiteiten wet)

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:
a. een omgevingsplanactiviteit,
(…)
tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Bestemmingsplan “Strijp- Gestel- en Stratum binnen de Ring en Bloemenbuurt-Zuid 2020” (bestemmingsplan)
Artikel 7 Centrum Pro
7.1
Bestemmingsomschrijving
De voor `Centrum´ aangewezen gronden zijn bestemd voor: (…)
dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instellingen, met dien verstande dat het dienstverlenende bedrijf of de dienstverlenende instelling uitsluitend is toegestaan op de begane grond, tenzij in de bestaande situatie al een dienstverlenende bedrijf of dienstverlenende instelling op de verdieping aanwezig is;
(…)
wonen op de verdieping, tenzij een woning reeds op de begane grond aanwezig is, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden-beroep (…)
Omgevingsplan gemeente Eindhoven (omgevingsplan)
Paragraaf 5.2.4 Beoordelingsregels, vergunningvoorschriften, afwijkingsmogelijkheden en aanvraagvereisten
(…)
Subparagraaf 5.2.4.3 Uiterlijk en plaatsing bouwwerk
Artikel 5.29 van het omgevingsplan (Beoordelingsregel over het uiterlijk van bouwwerken)
1. De omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk (…) zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
2. (…)
3. Of sprake is van onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.
4. Voor zover nog geen beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet zijn vastgesteld, wordt de vraag of sprake is van strijd met de goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Nota welstandsbeleid “De toetsing gestuurd” (nota welstandsbeleid)
Tweede deel

Paragraaf 6 van de nota welstandsbeleid (Objectgerichte criteria)

6.12
Reclame en voorzieningen voor winkels en horeca, straatmeubilair en nutsvoorzieningen
Deze nota geeft geen criteria voor de beoordeling van bovengenoemde voorzieningen, omdat hierop zal worden ingegaan in de nota’s “ Reclamebeleid” en "Openbare ruimte".
Nota reclamebeleid 2010 (reclamebeleid)
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1 van Pro het reclamebeleid (Begrippen)
1.4
Buitenreclame
Alle reclame objecten in de openbare ruimte, niet zijnde gevelreclame. Ook hier gaat het zowel om de drager als om de uiting.
1.5
Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
De commissie van onafhankelijke deskundigen die onder meer beziet of reclame passend is binnen het straatbeeld.
1.8
Gevelreclame
De reclame aan een gebouw, hieronder wordt zowel de drager als de uiting begrepen (…).
1.13
Plat bord
Een plat tegen een gevel van een bouwwerk of tegen een luifel aangebracht verlicht of niet verlicht enkelzijdig voorwerp met een maximum dikte van 5 cm, gemeten loodrecht op de gevel, of een daarmee overeenkomend samenstel van elementen, zoals een bord met onderbrekingen gebaseerd op de gevelindeling.

Artikel 2 van Pro het reclamebeleid (Gebiedsindeling)

De regels zoals verwoord in de artikelen 1 tot en met 43 zijn van toepassing op de hele gemeente Eindhoven. Voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van reclame-uitingen in bijzondere gebieden wordt de indeling gehanteerd zoals deze op de kaart in bijlage 1 is aangegeven.
Hoofdstuk 4 Toetsingscriteria – basisniveau
(…)
Artikel 11 van Pro het reclamebeleid (Ontoelaatbare reclame)
Indien geen specifieke gebiedsgerichte criteria gelden, wordt als ontoelaatbare reclame in ieder geval aangemerkt: (…)
Gevelreclame
(…)
b) Reclame aangebracht aan bouwlagen met een woonbestemming; (…).
Hoofdstuk 6 Toetsingscriteria – Bijzondere gebieden
(…)
Artikel 37 van Pro het reclamebeleid (Commissie Ruimtelijke Kwaliteit)
a. Reclame-uitingen binnen de bijzondere gebieden en aan monumenten worden altijd ter beoordeling aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voorgelegd; (…).
Hoofdstuk 7 Toetsingscriteria – monumenten
Artikel 38 van Pro het reclamebeleid (Reclame aan monumenten)
Reclame dient ondergeschikt te zijn aan architectuur en omgeving.
Reclame dient zoveel mogelijk opgenomen te worden in de architectuurelementen.
In principe zal niet meer dan één reclame-element aanvaardbaar zijn; voorkeur bestaat voor reliëfelementen, die al dan niet lichtgevend kunnen zijn.
(…)
In het algemeen mogen de reclames aan gevels niet hoger worden aangebracht dan de benedenkant van de raamdorpels van de eerste verdieping. Met uitzondering van horizontaal vlak tegen de gevel aan te brengen reclameopschriften, indien de ruimtelijke omgeving van het pand voldoende groot is.
Reclame aan of op een monument wordt in beginsel ontsierend geacht indien:
de reclame niet haaks op of niet evenwijdig aan het gevelvlak is geplaatst;
het reclame met verticaal aangebrachte belettering betreft;
het reclamelichtbakken zijn;
het dakreclame is;
het intermitterende reclame is;
het reclame is met dominant kleurgebruik;
het reclame in de vorm van een lichtreflexbord is;
het reclame is, aangebracht op borden, welke vervaardigd zijn van monumentonwaardig of niet-weerbestendig materiaal.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van